Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.1
2.1 Inleiding
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436753:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 240-241.
Dit artikel is meermalen gewijzigd (o.a. wijziging van de Rb. Amsterdam in Rb. 's-Gravenhage) en uiteindelijk per 1 april 1995 komen te vervallen. Zie Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 570. KB van 14 oktober 1994, Stb. 1994, 774.
Kollewijn, Tien Jaren, p. 167. Kollewijns pleidooi werd verwelkomd door Lemaire (1968), p. 178-179 en Deelen, in: Winter (red.), Overzicht 1968-1969, p. 34-35, waarbij Deelen de nationaliteit van betrokkenen weinig aanknopingswaarde toekende. Hiertegenover stelden J.C. Schultsz, 'De Nederlandse rechter en internationale adopties', WPNR (1960) 4613, p. 13 en Voskuil (1962), p. 178 (noot 3), dat uit art. 970 Rv oud ondubbelzinnig volgde dat de Rb. Amsterdam, bij gebreke van een woon-of verblijfplaats van het kind in Nederland, zonder enige beperking rechtsmacht had.
Kollewijn, Vier Jaren, p. 62.
Voskuil & Verheul (red.), Overzicht 1970-1972, p. 13.
Forum non conveniens is een betrekkelijk jong fenomeen in het Nederlandse IPR. Het leerstuk kan in Nederland niet bogen op een lange geschiedenis, aangezien het pas vanaf 1 januari 1970 in enigerlei vorm deel uitmaakt van ons commune bevoegdheidsrecht. De invoering van het forum non conveniens in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op 1 januari 1970 is niet voorafgegaan door een periode waarin het leerstuk zich in de Nederlandse rechtspraak volop heeft kunnen ontwikkelen. Op een reeks adoptie-uitspraken van de Rb. Amsterdam na, waarin forum (non) conveniens-achtige overwegingen aangetroffen kunnen worden, was het leerstuk vóór deze datum dan eigenlijk ook geen bekend fenomeen in het Nederlandse recht.1 Aanleiding voor deze uitspraken van de Rb. Amsterdam was de ruime redactie van art. 970 Rv oud. Art. 970 Rv oud verklaarde in adoptieprocedures relatief bevoegd de rechter van de woonplaats van het kind of, bij gebreke hiervan, van zijn laatste woonplaats. Ontbrak een laatste woonplaats, dan was de rechter van zijn werkelijke verblijfplaats bevoegd. En bij gebreke ook hiervan werd de Rb. Amsterdam als relatief bevoegd aangewezen.2 Ingevolge het adagium 'distributie bepaalt attributie' was art. 970 Rv oud tevens de basis voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Dit had in adoptiezaken tot gevolg dat de Nederlandse rechter op basis van art. 970 Rv oud altijd internationaal bevoegd was, ongeacht of de bij de adoptie betrokken partijen binding hadden met de rechtssfeer van Nederland. Immers, art. 970 Rv oud verklaarde de Rb. Amsterdam uiteindelijk altijd relatief en daarmee internationaal bevoegd. De gevolgen van de ruime redactie van art. 970 Rv oud voor grensoverschrijdende gevallen stuitte bij menigeen op bezwaar. Zo schreef Kollewijn over art. 970 Rv oud:
`Maar dit voorschrift is niet naar de letter te nemen, zodat de Amsterdamse Rechtbank bevoegd zou zijn het verzoekschrift te behandelen van Italiaanse pleegouders, die, evenals het Italiaanse kind, dat zij wensen te adopteren, in Italië wonen en verblijven en nooit in Nederland zijn geweest. Alleen indien de Nederlandse rechterlijke macht door nationaliteit,
woonplaats of verblijf van een der betrokkenen internationale rechtsmacht over het geval heeft, gaat het ruime voorschrift van art. 970 spelen.'3
Deze gedachtegang kwam ook terug in een reeks uitspraken van de Rb. Amsterdam, waarin de rechtbank in weerwil van de letterlijke tekst van art. 970 Rv oud toetste of het adoptieverzoek wel voldoende aanknopingsfactoren met de rechtssfeer van Nederland had. Welke aanknopingspunten werden hierbij zoal relevant geacht? In Rb. Amsterdam 7 april 1964, NJ 1965, 213,4 ging het om een adoptieverzoek door een in Venezuela wonend echtpaar, waarvan de man Venezolaan en de vrouw Nederlandse was, van een bij hen verblijvend Venezolaans kind dat in Nederland geen woonplaats heeft of heeft gehad. De rechtbank achtte voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig, nu
`de man, die evenals de vrouw van Nederlandse afkomst is, heeft verklaard uitsluitend in verband met zijn werkkring in Venezuela de Venezolaanse nationaliteit te hebben aangevraagd en deze vervolgens bij besluit van de Venezolaanse regering te hebben verkregen tevens heeft verklaard voornemens te zijn in elk geval na zijn pensionering met zijn gezin naar Nederland terug te keren en daar voor zich en zijn minderjarige kinderen de Nederlandse nationaliteit weer aan te vragen'.
In Rb. Amsterdam 11 november 1969, AK 65765 betrof het een adoptieverzoek door een Nederlands echtpaar, wonende te Curaçao, van Nederlandse minderjarigen. Is de Nederlandse rechter bevoegd om hiervan kennis te nemen? De rechtbank ziet niet in dat
`art. 970 Rv. hier geen toepassing kan vinden op grond van het ontbreken van een band met Nederland, nu immers verzoekers beiden de Nederlandse nationaliteit bezitten, evenals voornoemde minderjarigen, verzoekers in Nederland zijn gehuwd, vele jaren in Nederland hebben gewoond, zich daar wellicht in de toekomst weer zullen vestigen en nu plaatsing van de beide minderjarigen in het gezin van verzoekers is geschied door toedoen van de Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, zodat de Rb. zich te deze bevoegd acht.'