Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.8.8:4.8.8 Beantwoording van de eerste twee onderzoeksvragen
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.8.8
4.8.8 Beantwoording van de eerste twee onderzoeksvragen
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492734:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook: Schoordijk 1999, p. 9-10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van het onderzoek in dit hoofdstuk kunnen de eerste en de tweede onderzoeksvraag als volgt worden beantwoord. De eerste onderzoeksvraag luidt als volgt:
Hoe verhoudt artikel 6:212 zich tot artikel 6:203 en artikel 6:162?
Deze vraag kan als volgt worden beantwoord. Artikel 6:212 en artikel 6:203 strekken er beide toe ongerechtvaardigde verrijkingen ongedaan te maken.1 Van een ongerechtvaardigde verrijking is slechts sprake als een vermogensverschuiving zich heeft voorgedaan, zonder dat voor deze vermogensverschuiving een rechtvaardiging bestaat. Artikel 6:212 geeft geen aanspraak op afdracht van winst die is behaald met onrechtmatig handelen als zich geen vermogensverschuiving heeft voorgedaan. Artikel 6:212 dient te worden beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities, terwijl uit artikel 6:203 een aanspraak dient voort te vloeien in alle gevallen waarin een prestatie zonder rechtsgrond is verricht.
De tweede onderzoeksvraag luidt:
In welke gevallen is het wenselijk dat artikel 6:212 een vordering geeft tot afdracht van een verrijking en welke uitleg kan worden gegeven aan deze bepaling die mogelijk maakt dat zij recht geeft op afdracht van een verrijking in de gevallen waarin het wenselijk is dat een vordering tot afdracht van een ongerechtvaardigde verrijking ontstaat, terwijl wordt voorkomen dat in te veel gevallen een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat?
Het antwoord op deze vraag is als volgt. Alleen een inbreuk op een exclusieve rechtspositie leidt tot een verrijking ten koste van een ander. De verrijking dient te worden begroot op een marktconforme vergoeding voor het gebruik of genot van de exclusieve rechtspositie dan wel het beschikken daarover. Degene aan wie de exclusieve rechtspositie toekomt, is verarmd door de inbreuk. Hij hoeft geen concrete schade te hebben geleden. De begrippen ‘schade’ en ‘verarming’ in artikel 6:212 strekken ertoe de persoon aan te wijzen aan wie de vordering toekomt: degene op wiens exclusieve rechtspositie inbreuk is gemaakt. In deze benadering heeft het begrip ‘ongerechtvaardigd’ de volgende betekenis: ‘het ontbreken van een rechtvaardiging voor de inbreuk door het systeem van de wet of door een rechtshandeling waarmee de verarmde toestemming geeft jegens de verrijkte voor het gebruik en genot van of de beschikking over de exclusieve rechtspositie’. Het vereiste ‘voor zover dat redelijk is’ houdt in dat de verrijkte – als hij bij het maken van de inbreuk niet te kwader trouw was – tegen de vordering van de verarmde kan aanvoeren dat hij de waarde van de inbreuk niet op het bedrag van een marktconforme vergoeding waardeert.