Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.2.1
3.2.1 Het kabinet Den Uyl
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385808:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de oorzaken van de recessie van 1973 in kort bestek T. Judt, Postwar, a history of Europe since 1945, London: William Heinemann 2005, p. 453-457.
Ibid, p. 456.
Bijvoorbeeld A. Heertje, ‘Economische en sociale aspecten van de energie-crisis’, De N.V. 1974, p. 1-3.
Illustratief zijn de jaarlijkse bijdragen die Derksen in deze periode schreef voor De N.V. naar aanleiding van het verslag van de president van De Nederlandsche Bank in het betreffende jaar. Deze beschrijvingen van de beschouwingen van de toenmalig DNB-president Zijlstra geven een goed beeld van de toenmalige staat van de Nederlandse economie. Zie voor het eerste verslag in de relevante periode J.H. Derksen, ‘Het verslag van de president van De Nederlandsche Bank over 1973’, De N.V. 1974, p. 95-99.
Voordracht J.M. Den Uyl gehouden op 1 oktober 1974 te Nijmegen, opgenomen inJ.M. Den Uyl, Inzicht en Uitzicht: opstellen over economie en politiek, Amsterdam: Bert Bakker 1978, p. 181-195, tevens te raadplegen via de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren, bron:
Ibid, p. 181.
Ibid, p. 182.
Ibid, p. 184 (“De multinationale onderneming heeft een organisatie opgebouwd, waar democratische bestuursinstellingen nationaal en internationaal niet aan kunnen tippen. Dat pleit niet tegen de multinationale onderneming, maar het signaleert wel een fundamenteel tekort aan democratische controle.”).
Ibid, p. 190.
Ibid, p. 195.
Den Uyl’s biograaf Bleich heeft over deze rede opgemerkt dat Den Uyl met zijn rede enkel beoogde om ondernemers met een “licht provocerend betoog aan het denken te zetten” en dat het verzoenende slot van de rede waarin Den Uyl juist pleitte voor een praktische samenwerking met het bedrijfsleven ten onrechte in de latere beeldvorming is vergeten. Zie A. Bleich, Joop den Uyl (1919-1987): dromer en doordouwer, diss. UvA 2008, Amsterdam: Balans 2008, p. 468.
A. Peper (red.), Op weg naar arbeiderszelfbestuur, Amsterdam: Dr. Wiardi Beckman Stichting 1974. De tournure ten opzichte van het Rapport Wiardi Beckman Stichting 1959 waarin de Wiardi Beckman Stichting met het loslaten van het socialisatiestreven ten aanzien van het productieproces juist vijftien jaar eerder de basis had gelegd voor een toenadering tussen de PvdA en de confessionele partijen is opmerkelijk. Den Uyl zelf stond volgens zijn biograaf Bleich wat ambivalent en opzichte van het idee van arbeiderszelfbestuur. Zie Bleich 2008, p. 256.
Zie het Beginselprogramma van de Partij van de Arbeid, oktober 1977 (geraadpleegd via de website van de lokale afdeling van de PvdA te Leiden, bron:
Ibid, Deel I (maatschappelijke achtergronden), nr. 2: “De multinationale ondernemingen beheersen de wereldmarkt en beschikken over een groot deel van de technische en wetenschappelijke kennis. Zij kunnen zich aan kontrole door nationale regeringen onttrekken, terwijl de vakbeweging geen greep op hen heeft. Investeringen uit eigen middelen versterken die onkontroleerbare positie. Bovendien werken zij dikwijls nauw samen met multinationale bankconcerns. Deze hebben op hun beurt weer een grote invloed op vele multinationale ondernemingen, nemen beslissingen die de ekonomie van nationale staten raken en oefenen zonder enige publieke kontrole hun bedrijf uit, gericht op winst en expansie.”
Zie Van den Brink 1984, p. 293-294.
Van den Brink 1984, p. 375. Van den Brink was zelf ÉÉn van de ondertekenaars in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Amro Bank. De andere ondertekenaars waren vertegenwoordigers van Unilever, AKZO (thans AkzoNobel), Nationale Nederlanden (thans NN), Philips, Shell, Hoogovens (thans Tata Steel), VMF (thans Stork) en het in de jaren erna teloor gegane RSV-concern.
De Nederlandse politiek van de jaren ’70 en ’80 is onlosmakelijk verbonden met de wereldwijde recessie die zich vanaf 1973 tot eind jaren ’70 voordeed. De directe aanleiding van deze recessie wordt doorgaans gezocht in het olie- embargo dat in oktober 1973 door het Arabische smaldeel van de Organization of the Petroleum Exporting Countries (OPEC) ten opzichte van de Verenigde Staten en West Europa werd afgekondigd in reactie op hun steun aan Israël in de Jom Kippoer-oorlog met Egypte en Syrië (ook wel aangeduid als de eerste ‘oliecrisis’). Een minstens zo belangrijke verklaring was het uiteenvallen van het Bretton Woods-mechanisme van vaste wisselkoersen gebaseerd op de goudstandaard door het terugtreden van eerst de Verenigde Staten (1971) en daarna Groot-Brittannië (1972).1 De gecombineerde instabiliteit van zwevende wisselkoersen en stijgende olieprijzen (uitgedrukt in dollars) leidde in de Westerse wereld tot een hoge inflatie en zelfs tot stagflatie (inflatie van lonen en prijzen in combinatie met economische stagnatie of krimp).2 In Nederland gingen bij het uitbreken van de oliecrisis aanvankelijk nog stemmen op dat het effect ervan op de Nederlandse economie beperkt zou blijven vanwege de Nederlandse aardgasexport,3 maar al snel bleek dat ook in Nederland sprake was van een stijgende inflatie, oplopende werkloosheid en een terugloop in koopkrachtniveau.4
Enkele maanden voor het uitbreken van de oliecrisis was het progressieve kabinet Den Uyl geïnstalleerd. De recessie die zich tijdens de regeerperiode van dit kabinet in Nederland deed voelen zette de sluimerende tegenstellingen tussen de verschillende politieke en maatschappelijke gelederen andermaal op scherp. Premier Den Uyl verwoordde zelf in oktober 1974 de verscherpte positie vanuit de PvdA in een rede voor het Nederlands Christelijk Werkverbond (voorloper van het huidige VNO/NCW) te Nijmegen. De rede was getiteld “Socialisme en vrije ondernemingsgewijze produktie.”5 In deze rede stelde Den Uyl dat het idee van socialisme zoals dat tot op dat moment vorm had gekregen op gespannen voet stond met het idee van vrije ondernemingsgewijze produktie. Hoewel Den Uyl benadrukte dat hij niet de vrije productie gedreven door de private sector wilde vervangen door een “staatssocialistisch centralisme”6 – hierbij ongetwijfeld verwijzend naar het systeem van de geleide planeconomie van de Sovjetunie – stelde hij wel dat “produktie uiteindelijk niet bepaald behoort te worden door vraag en aanbod, zoals ze op de markt tot gelding komen, maar door als tegenstelling geziene, democratisch getoetste gemeenschapsbeslissingen.”7 Concreet gezegd pleitte Den Uyl voor een model van democratisering van investeringsbeslissingen van grote ondernemingen, waarbij hij in het bijzonder de Nederlandse multinationals voor ogen had.8
In dit verband achtte Den Uyl het model van ondernemingsbestuur zoals tien jaar eerder geconcipieerd door de Commissie Verdam – waar Den Uyl zelf deel van uitmaakte – en zoals in 1971 via verschillende wetswijzigingen was geïmplementeerd in het Nederlandse vennootschapsrecht alweer verouderd: “In de ontwikkeling die ik schetste [de totstandkoming van het Rapport Commissie Verdam 1964, FO] heeft het vraagstuk van de eigendom van de produktiemiddelen naar het mij voorkomt de laatste decennia veel aan gewicht verloren. Maar het is geenszins opgelost. En als ik spreek over de ontwikkeling van de ondernemingsstructuur, dan kan niet worden voorbijgegaan aan de onopgeloste aspecten van het eigendomsvraagstuk. De zeggenschap over en het beheer van de kapitaalgoederenvoorraad in onze samenleving is een eenzijdige zaak gebleven. Juist omdat we er tot dusver niet in zijn geslaagd om die eenzijdigheid op te heffen, kan ik het niet anders zien, of op den duur zullen de aanspraken op zeggenschap verder verschuiven naar de factor arbeid in de meest brede zin van het woord. Leiding en uitvoerende arbeid. De aanspraken ontleend aan kapitaalbezit, zullen onvermijdelijk verder wijken.”9 Den Uyl besloot de beschrijving van zijn ideaalbeeld als volgt: “In de huidige economische orde staan werkgever en werknemer nog altijd tegenover elkaar. (…) Mij gaat het om een structuur waarin die tegenstelling is opgeheven. Als ik pleit voor een verdergaande hervorming van de structuur van de onderneming en voor een verdergaande vermaatschappelijking van het produktieproces, dan staat mij een economische ordening voor ogen waarin zij, die in verschillende geledingen van het produktieproces werkzaam zijn, gezamenlijk het kapitaal organiseren en de tegenstelling tussen geven en nemen overwonnen is.”10
De Nijmeegse rede van Den Uyl markeerde een waterscheiding in het politieke debat.11 De PvdA ging voort op de door Den Uyl ingeslagen weg van democratisering van het productieproces. Enkele maanden voor Den Uyl’s voordracht had de Wiardi Beckman Stichting al een relatief gunstig oordelend rapport over het model van arbeiderszelfbestuur naar Joegoslavisch voorbeeld gepubliceerd.12 In 1977 zou het streven naar democratisering van het productiestelsel ook formeel worden vastgelegd in het nieuwe beginselprogramma van de PvdA.13 Het beginselprogramma was ook fel gekant tegen de activiteiten van multinationals en het internationale bankwezen.14 Ook de vakbeweging, met name de Industriebond NVV onder voorzitterschap van Groenevelt, voert in die jaren een radicale lijn ten opzichte van grote ondernemingen.15 Vanuit het bedrijfsleven kwam juist hevig verzet, onder meer in de vorm van de open brief aan het kabinet Den Uyl en aan de Staten-Generaal van negen topbestuurders van grote Nederlandse ondernemingen van 9 januari 1976 (de ‘Brief van Negen’).16 In deze brief spraken de negen bestuurders hun bezorgdheid uit over de verslechtering van het ondernemingsklimaat in Nederland als ook over de hoog opgelopen overheidsuitgaven en beruchte initiatieven als de voorgestelde Vermogensaanwasdeling (VAD). Opvallend is voorts dat in de periode vanaf 1973 de investeringen van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland toenamen, terwijl de binnenlandse investeringen juist afnamen.17 Hierin kan – in meer of mindere mate – een reactie op het negatieve ondernemingsklimaat onder Den Uyl worden gezien.18