Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.3.4
5.3.4 Uiteindelijke hoogte van de Europese subsidie
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393668:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op deze nationale regels kom ik in paragraaf 5.7.6 uitgebreid terug.
Bij Een Leven Lang Leren moet voor sommige projecten een expert worden ingeschakeld om te beoordelen of de doelstellingen van het project zijn behaald. Zie paragraaf 3.8.4.5 van de Gids voor de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren.
Zie bijvoorbeeld artikel 57, derde lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009 (bedrijfstoeslag).
Zie wat betreft de randvoorwaarden artikel 71 van de Commissieverordening 1122/2009 (bedrijfstoeslag).
Zie HvJEG 24 mei 2007, C-45/05 (Maatschap Schonewille-Prins), Jur. 2007, p. 1-3997, r.o. 47 en 48. In deze uitspraak ging het om de regel in Verordening nr. 1254/99 dat de slachtpremie slechts mocht worden toegekend indien werd voldaan aan de in Verordening nr. 1760/2000 vastgestelde Europese voorschriften inzake identificatie en registratie van dieren. Zie voorts HvJEG 11 november 2004, C-171/03 (Toeters en Verberk), Jur. 2004, p. 1-10945, r.o. 47 waarin het Hof overweegt dat wanneer de Europese wetgever een dwingende termijn voor de indiening van een aanvraag vaststelt, het verval van recht bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is maar het normale gevolg van de niet-inachtneming van wettelijke voorwaarden. Zie ook HvJEG 22 januari 1986, 266/84 (Denkavit), Jur. 1986, p. 149, r.o. 21.
Zie bijvoorbeeld artikel 60 en 72 van de Commissieverordening nr. 1122/2009 (bedrijfstoeslag).
Zie bijvoorbeeld artikel 58 van de Commissieverordening nr. 1122/2009 (bedrijfstoeslag).
Gewezen kan worden op de richtlijnen die de Europese Commissie in het kader van een Leven Lang Leren heeft vastgesteld in het beoordelingsformulier dat door nationale agentschappen moet worden gebruikt om na afloop het project te beoordelen. Indien het project met een 3 wordt beoordeeld, vindt bijvoorbeeld een korting plaats van 50%. Zie Transfer of Innovation Assessment Form for Final Report 2007. Zie verder ook de Richtsnoeren voor het vaststellen van financiële correcties voor door de structuurfondsen en het cohesiefonds medegefinancierde uitgaven, in geval van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten (29 november 2007, COCOF 07/0037/03-NL).
Zie voor de migratiefondsen de bijlage bij de desbetreffende commissiebeschikkingen. In de commissiebeschikking is wel neergelegd dat het de lidstaten vrijstaat om striktere nationale bepalingen toe te passen (zie bijvoorbeeld artikel 39, derde lid, van de Commissiebeschikking EVF). Zie wat betreft Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie de Programmagidsen die ieder jaar worden vastgesteld. De bevoegdheid tot het vaststellen van deze regels berust op artikel 172bis van de Commissieverordening behorend bij het Financieel Reglement.
In artikel 164, eerste lid, aanhef en onder k, van de Commissieverordening behorend bij het Financieel Reglement is bepaald dat de subsidieovereenkomst in voorkomend geval de bijzonderheden van de subsidiabele kosten bevat.
Zie artikel 56, vierde lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). In artikel 56 zijn voorts algemene subsidiabiliteitsregels neergelegd. Zie voor de Europese subsidiabiliteitsregels per fonds artikel 7 en 13 van de Verordening nr. 1080/2006 (EFRO) en artikel 11 van de Verordening nr. 1081/2006 (ESF). Voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking zijn voorts subsidiabiliteitsregels neergelegd in de artikelen 49 tot en met 53 van de Commissieverordening nr. 1828/2006. Zie voor de Europese subsidiabiliteitsregels voor het ELFPO artikel 71 van de Verordening nr. 1698/2005.
Zie artikel 5 van de Commissieverordening nr. 288/2009 (schoolfruitregeling) en artikel 61, vierde lid, jo. bijlage VIII van de Commissieverordening nr. 1580/2007 (telersverenigingen).
Voor de Europese subsidie voor telersverenigingen vloeit dit voort uit artikel 145, aanhef en onder a, van de Commissieverordening nr. 1580/2007.
In deze paragraaf wordt besproken welke factoren een rol spelen bij de vraag op welke hoogte nationale uitvoeringsorganen de Europese subsidie (uiteindelijk) moeten vaststellen. Als besproken in paragraaf 5.3.3 geldt voor Europese kostensubsidies dat de uiteindelijke hoogte van de Europese subsidie pas kan worden vastgesteld in een tweede besluit volgend op een voor aanvang van het project genomen selectiebesluit, nadat het project is afgerond. Voor de meeste ELGF-subsidies geldt als gezegd dat in één besluit wordt vastgesteld of de aanvrager voor Europese subsidie in aanmerking komt en zo ja welk subsidiebedrag wordt verstrekt.
Bij de beoordeling van de vraag op welk bedrag de Europese subsidie moet worden vastgesteld, is de hoofdregel dat een Europese subsidie nooit hoger kan uitvallen, dan waarop de nationale aanvrager of ontvanger ingevolge de Europese — en soms ook nationale — regels recht heeft.1 Dit betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan de reeds besproken formele en inhoudelijke voorwaarden om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen. Voor zover sprake is van kostensubsidies die door middel van twee besluiten worden verstrekt, dient deze beoordeling ook plaats te vinden indien het project is afgerond en een aanvraag voor definitieve vaststelling van de Europese subsidie is ingediend. Voor ELFPO-subsidies blijkt bijvoorbeeld uit artikel 18 van de Commissieverordening nr. 1975/2006 dat ook bij het beoordelen van de betaalaanvraag dient te worden beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen. In de tweede plaats moet worden beoordeeld of en in hoeverre de subsidiabele activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd2 en of de verplichtingen die op de subsidieaanvrager of —ontvanger rusten zijn nagekomen. Het gedeeltelijk niet-uitvoeren van de activiteiten of het niet-nakomen van de verplichtingen kan tot gevolg hebben dat op de Europese subsidie niet langer recht bestaat. In het kader van de Europese landbouwsubsidies is in de Europese subsidieverordeningen precies bepaald welke consequenties de niet-naleving van de formele en inhoudelijke voorwaarden en van de op de subsidieaanvrager rustende verplichtingen heeft voor de hoogte van het te ontvangen subsidiebedrag. Dit betekent bijvoorbeeld dat indien de subsidieaanvrager bij oppervlaktegebonden ELGF- of ELFPO-subsidies te veel oppervlakte heeft opgegeven, hij op zijn hoogst het subsidiebedrag ontvangt waarop hij recht heeft op grond van de geconstateerde oppervlakte.3 De subsidie wordt derhalve op een lager bedrag vastgesteld dan is aangevraagd. Het niet-naleven van de op de subsidieaanvrager rustende Europese verplichtingen, zoals het in acht nemen van termijnen en het naleven van de GLB-randvoorwaarden, kan tot gevolg hebben dat kortingen worden opgelegd.4 Van een sanctie is geen sprake nu deze kortingen slechts het gevolg zijn van de niet-vervulling van de wettelijke voorwaarden om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen.5 Indien sprake is van opzet6 dan wel een bepaald percentage teveel aan oppervlakte is opgegeven,7 moeten extra kortingen worden opgelegd. Deze sancties kunnen ook tot gevolg hebben dat in het geheel geen recht meer bestaat op een Europese subsidie. Op deze verlagingen en kortingen wordt nog uitgebreid ingegaan in paragraaf 5.7.5.
Voor de overige Europese subsidieregelingen is op Europees niveau niet exact bepaald welke consequenties de niet-naleving van de Europese en nationale regels moet hebben. Wel geldt dat de lidstaten in de Europese subsidieregelgeving die ziet op de structuur- en migratiefondsen worden verplicht om financiële correcties toe te passen indien zich met de verstrekte Europese subsidies onregelmatigheden voordoen, rekening houdend met de aard en de ernst van de onregelmatigheden. Op grond van deze regelgeving is sprake van onregelmatigheden indien niet aan de Europese of nationale voorschriften is voldaan. Onregelmatigheden hebben derhalve gevolgen voor de uiteindelijk te betalen Europese subsidie; zij kunnen tot gevolg hebben dat helemaal geen Europese subsidie wordt betaald. Het wordt echter aan de nationale uitvoeringsorganen overgelaten op welke hoogte de Europese subsidie wordt vastgesteld, indien zich onregelmatigheden voordoen. Ten aanzien van Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie zijn soortgelijke verplichtingen neergelegd in de gidsen voor nationale agentschappen.
Het komt echter voor dat de Europese Commissie in Europese soft law aanwijzingen geeft welke financiële correcties nationale uitvoeringsorganen zouden moeten toepassen.8 Deze aanbevolen 'kortingen' zijn doorgaans niet kenbaar voor de eindontvanger van de Europese subsidie. De lidstaten hebben er echter wel belang bij de aanwijzingen van de Commissie op te volgen en doen dat in de praktijk ook. De financiële correcties komen namelijk overeen met de financiële correcties die de Europese Commissie toepast ten aanzien van de lidstaten.
Wanneer het een Europese kostensubsidie betreft, wordt het bedrag in de derde plaats bepaald aan de hand van de zogenoemde subsidiabiliteitsregels. Voor de migratiefondsen, Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie zijn deze regels op Europees niveau vastgesteld.9 Deze regels werken wat betreft de migratiefondsen echter niet direct door in de nationale subsidieverhouding, nu zij zijn neergelegd in besluiten die zijn gericht tot de lidstaat. Het nationale uitvoeringsorgaan zal er derhalve voor moeten zorgen dat de Europese subsidiabiliteitsregels doorwerken in de nationale subsidieverhouding. Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie geldt dat de subsidiabiliteitsregels zijn neergelegd in programmagidsen die door de Europese Commissie jaarlijks worden vastgesteld. De verbindendheid voor eindontvangers van Europese subsidies is gelegen in de subsidieovereenkomst, waarin deze regels doorgaans worden herhaald.10
In het kader van de structuurfondsen en het ELFPO moeten de lidstaten met ingang van de programmaperiode 2007-2013 zelf vaststellen welke kosten subsidiabel zijn; ook á bestaan er nog steeds gemeenschappelijke Europese regels.11 Deze Europese subsidiabiliteitsregels zijn neergelegd in Europese verordeningen en zijn zodanig geformuleerd dat zij direct aan de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen worden tegengeworpen. Voor ELGFkostensubsidies, zoals de schoolfruitregeling en de Europese subsidieregeling voor telersverenigingen, zijn de regels voor de subsidiabele kosten op Europees niveau vastgesteld.12 Deze bepalingen werken evenzeer direct door in de nationale subsidieverhouding tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie. Soms is het de lidstaten toegestaan om de subsidiabiliteitsregels op nationaal niveau aan te vullen.13 Het niet in aanmerking nemen van kosten die de ontvanger van de Europese subsidie heeft gemaakt, is evenmin te kwalificeren als een sanctie. Ook hier geldt dat het niet in aanmerking nemen van deze kosten slechts een gevolg is van het niet voldoen aan de Europese en/of nationale subsidiabiliteitsregels. Op grond van het rechtszekerheidsvereiste moeten deze regels wel bekend zijn voordat de ontvanger met het uitvoeren van de activiteiten begint.