Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/2.4
2.4 Afbakening van het onderzoek
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS612269:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het voorstel tot uitbreiding van het OOB-begrip Kamerstukken II, 2016/17, 33977, 17, p. 1. De realisatie van de uitbreiding van het OOB-begrip laat echter op zich wachten, zie Kamerstukken I, 2017/18, 34677, G, p. 1.
Zie het op 23 januari 2019 verdedigde proefschrift over accountantsaansprakelijkheid van J.E. Brink-van der Meer en het promotieonderzoek dat L. in ’t Veld aan de Radboud Universiteit Nijmegen verricht naar de externe accountant in het corporate governance framework bij beursvennootschappen, zie In ’t Veld 2018, p. 3 (voetnoot 1).
In mijn promotieonderzoek staan de accountant en de accountantsorganisatie centraal. Wanneer ik het woord accountantsorganisatie gebruik sluit ik aan bij de definitie uit art. 1 lid 1 sub a Wta, te weten een accountantsorganisatie is “de onderneming of instelling die bedrijfsmatige wettelijke controles verricht, dan wel een organisatie waarin zodanige ondernemingen of instellingen met elkaar zijn verbonden”.
De wettelijke controle wordt gedefinieerd in art. 1 lid 1 sub p Wta als “een controle van een financiële verantwoording van ondernemingen of instellingen ten behoeve van het maatschappelijk verkeer, die verplicht is gesteld bij of krachtens de in de bijlage bij deze wet (Wta) genoemde wettelijke bepalingen”.
Een belangrijk onderscheid binnen de Wta is het onderscheid tussen de wettelijke controle bij een organisatie van openbaar belang (‘OOB’) en bij een andere organisatie. Op grond van art. 1 lid 1 sub l is een OOB “1. een in Nederland gevestigde rechtspersoon naar Nederlands recht waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht; 2. een bank met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waaraan een vergunning is verleend ingevolge die wet; 3. een centrale kredietinstelling met zetel in Nederland als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht waaraan een vergunning is verleend ingevolge die wet; 4. een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in dat artikel; 5. een onderneming, instelling of openbaar lichaam, behorende tot een van de ingevolge artikel 2 (Wta) aangewezen categorieën.”
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (‘AMvB’) kunnen op grond van art. 2 Wta “categorieën van ondernemingen, instellingen of openbare lichamen (worden) aangewezen wier omvang of functie in het maatschappelijk verkeer van zodanige aard is dat een ondeugdelijk uitgevoerde wettelijke controle van de financiële verantwoording een aanmerkelijke invloed kan hebben op het vertrouwen in de publieke functie van de accountantsverklaring.” Het ligt – inmiddels al enige jaren – in de bedoeling van de wetgever om van de in art. 1 lid 1 sub l onder 5 Wta geboden mogelijkheid gebruik te maken om het OOB-begrip uit te breiden met woningcorporaties met ten minste 2500 verhuureenheden, netbeheerders, drie instellingen voor wetenschapsbeleid (te weten, NWO, KNAW en de Koninklijke Bibliotheek) en grote pensioenfondsen.1 Tot op heden is dat echter niet gebeurd en is een OOB kort gezegd een Nederlandse beursvennootschap, Nederlandse bank of Nederlandse verzekeraar. Accountantsorganisaties die op grond van art. 6 lid 2 Wta jo. art. 5 lid 1 Wta bevoegd zijn tot het controleren van een OOB duid ik aan als OOB-accountantsorganisatie.
Wanneer ik in dit proefschrift spreek over de accountant doel ik op de externe accountant waarbij ik aansluit bij de definitie uit art. 1 lid 1 sub f Wta waarin de externe accountant gedefinieerd is als “de natuurlijke persoon die werkzaam is bij of verbonden is aan een accountantsorganisatie of auditkantoor en die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een wettelijke controle”.
In dit proefschrift staat wetgeving voor accountants en Nederlandse accountantsorganisaties centraal. Wanneer ik spreek over wetgeving doel ik op wetgeving in formele zin, dat wil zeggen wetgeving die op grond van art. 81 Grondwet is vastgesteld door regering en Staten-Generaal gezamenlijk. Ik verwijs naar regelgeving indien er sprake is wetgeving in materiële zin, dat wil zeggen indien er sprake is van een besluit van een daartoe bevoegd orgaan dat algemeen verbindende voorschriften bevat. Zo verwijs ik naar de voorschriften die de NBA vaststelt als regelgeving. Indien ik spreek van kwaliteitsbevorderende maatregelen doel ik op zowel wet- als regelgeving die is opgesteld met het oogmerk de kwaliteit van wettelijke controle te verbeteren.
De accountantsverklaring is de resultante van de controle van de financiële overzichten door de accountant en maakt onderdeel uit de jaarlijkse financiële verslaggeving. Hoewel de kwaliteit van de jaarlijkse financiële verslaggeving en de perceptie ervan mede wordt bepaald door verslaggevingsvoorschriften en accountantscontrolestandaarden zullen deze in dit proefschrift niet of nauwelijks aan de orde komen.
De juridische aansprakelijkheid van accountants bij tekortschietende kwaliteit van de controle en de rol die de externe accountant vervult binnen het bestuur en toezicht van de vennootschappen die onderhevig zijn aan de wettelijke controle zijn voorbeelden van onderwerpen die, ondanks hun nauwe verwantschap met het in dit onderzoek centraal staande onderwerp, buiten de reikwijdte van dit promotieonderzoek vallen. Een summiere verwijzing doet geen recht aan onderwerpen waarover een proefschrift kan worden geschreven.2