Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.1.1
6.3.1.1 Wettelijke omschrijving
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609027:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. A, p. 9.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. A, p. 11.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 75.
Volgens het besluit van 12 december 2007, nr. CPP2007/2793M, V-N 2008/3.7, geldt een eenvoudige regel: indien is gekozen voor het partnerschap, wordt men na de beëindiging van de relatie altijd een ‘gewezen partner’; indien niet is gekozen voor het partnerschap, zal er geen sprake zijn van een ‘gewezen partner’.
Het begrip ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001 is ruimer dan het partnerbegrip van de AWR. In art. 2 lid 6 AWR wordt het geregistreerde partnerschap gelijkgesteld met het huwelijk, maar dat geldt niet voor andere, lossere samenlevingsvormen. Voor de Wet IB 2001 kunnen ongehuwde samenwoners wel ‘partner’ zijn.
Als ‘partner’ wordt in de eerste plaats aangemerkt de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot, zo bepaalt art. 1.2 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001. Op basis van art. 2 lid 6 AWR worden hiertoe ook geregistreerde partners gerekend. Om te kwalificeren als ‘partner’ hoeven de echtgenoten of geregistreerde partners niet aan nadere voorwaarden te voldoen. In dit verband is in de parlementaire geschiedenis de vraag aan de orde geweest of de echtgenoten ook een gezamenlijke huishouding moeten voeren en of zij moeten zijn ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie. Volgens de Staatssecretaris van Financiën hoeft dit niet, omdat gehuwden en geregistreerde partners ten opzichte van elkaar een juridisch afdwingbare zorgverplichting hebben op grond van Boek 1 BW.1 In feite is er zonder dergelijke voorwaarden al sprake van een maatschappelijke en economische eenheid. Overigens acht ik het vanuit de vereenzelvigingsfunctie begrijpelijk dat geen nadere voorwaarden worden gesteld: indien er voorwaarden zouden gelden, zouden gehuwden en geregistreerde partners kunnen trachten hieraan niet te voldoen met het oogmerk om belastingheffing zou kunnen worden ontgaan.
In art. 1.2 lid 4 Wet IB 2001 is benadrukt dat een persoon die duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot of geregistreerd partner, niet als ‘partner’ wordt beschouwd, maar als een ongehuwde.
Ongehuwde samenwoners kunnen als ‘partner’ worden aangemerkt, indien zij daarvoor op grond van art. 1.2 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 kiezen. Er moet dan wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. De samenwoners moeten meerderjarig zijn en gedurende ten minste zes maanden in het kalenderjaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Gedurende die tijd moeten zij ook in de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Naar mijn mening zijn deze voorwaarden wel verklaarbaar vanuit de facilitaire functie van het begrip ‘partner’, maar niet vanuit de vereenzelvigingsfunctie. Hetzelfde geldt voor het keuzerecht: dit past wel bij een faciliteit maar niet in situaties waarin handelingen of bezittingen in het kader van een antiontgaansbepaling moeten worden toegerekend van de ene partner aan de andere.
Volgens de parlementaire geschiedenis is het begrip ‘gezamenlijke huishouding’ in art. 1.2 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 bewust niet nader omschreven.2 De term is wel ingevuld in de jurisprudentie. In dit verband is in HR 11 maart 1998, nr. 33 086, BNB 1998/121, beslist dat het voeren van een gezamenlijke huishouding alleen kan worden bewezen aan de hand van de inschrijving in het bevolkingsregister. Ik vind dit wel een heel beperkte invulling. In art. 26, paragraaf 2 lid 3 Leidraad INV 1990 is bijvoorbeeld een veel ruimere omschrijving opgenomen van hetzelfde begrip:
‘Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
– zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
– uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
– zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend samenlevingscontract, of
– zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding als hiervoor bedoeld.’
Gelet op de vereenzelvigingsfunctie en de facilitaire functie van het partnerbegrip zou het naar mijn mening niet bezwaarlijk zijn om deze ruimere omschrijving van de ‘gezamenlijke huishouding’ ook te hanteren voor de Wet IB 2001. Dit zou leiden tot verduidelijking en meer uniformiteit.
Ten aanzien van het keuzerecht bevat art. 1.2 lid 2 Wet IB 2001 nog een bijzondere regeling op grond waarvan in het jaar van overlijden toch voor het fiscaal partnerschap kan worden gekozen, indien de ongehuwde samenwoners als gevolg van het overlijden niet gedurende ten minste zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben kunnen voeren. Die keuze is echter alleen mogelijk, indien zij in het voorafgaande jaar ook al de keuze voor het fiscaal partnerschap hadden gemaakt. Indien samenwonenden gedurende het kalenderjaar trouwen of zich als partner laten registreren, kan de keuze voor het fiscaal partnerschap eveneens voor het gehele jaar worden gemaakt.3
De kwalificatie als ‘partner’ werkt bij wijze van fictie door in het aanverwantschap, zo bepaalt art. 1.2 lid 5 Wet IB 2001. De bloedverwanten van de ongehuwde partner worden als aanverwanten van de belastingplichtige beschouwd.4 Ook de ongehuwde partner van een bloedverwant van de belastingplichtige is een aanverwant.
Indien eenmaal is gekozen voor het fiscaal partnerschap van art. 1.2 Wet IB 2001, blijft de betrokken persoon ook na de beëindiging van de relatie de ‘gewezen partner’ van de belastingplichtige.5 Dit is bijvoorbeeld van belang voor de toepassing van de eigenwoningregeling nadat het partnerschap is geëindigd, zo blijkt uit art. 3.111 lid 4 Wet IB 2001.
Hoewel art. 1:33 BW voorschrijft dat een persoon slechts met één andere persoon tegelijkertijd gehuwd kan zijn, is in art. 1.2 lid 6 Wet IB 2001 ten aanzien van de partnerregeling voor de inkomstenbelasting toch een maatregel getroffen voor het geval een persoon meer dan één echtgenoot heeft. In dergelijke gevallen wordt alleen de echtgenoot uit de oudste huwelijksverbintenis als fiscale ‘partner’ beschouwd. Stevens (2001) licht deze bepaling toe vanuit de toenemende culturele en etnische pluriformiteit met bijbehorende diversiteit in de samenlevingsvormen. In verband met de hiervoor genoemde facilitaire functie van het partnerbegrip is deze beperking op zich begrijpelijk, hoewel het naar mijn mening ook niet bezwaarlijk zou zijn indien op dit punt zou worden aangesloten bij de realiteit. Als gevolg hiervan zouden bijvoorbeeld inkomens- en vermogensbestanddelen kunnen worden toegerekend aan alle echtgenoten. Met het oog op de vereenzelvigingsfunctie en de antiontgaansfunctie lijkt het mij zelfs noodzakelijk dat de echtgenoten uit alle huwelijksverbintenissen worden meegeteld: dit verkleint de mogelijkheden om belastingheffing te ontgaan.