Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.5:7.5 Hoe het recht van pandgebruik in vergetelheid raakte
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.5
7.5 Hoe het recht van pandgebruik in vergetelheid raakte
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264488:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eenvoudige antwoord op de vraag waarom het recht van pandgebruik niet is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek van 1838 is, dat het recht van pandgebruik in onbruik was geraakt. Het ligt voor de hand dat dit ten dele is veroorzaakt door de ongelukkige en onduidelijke regeling uit de Code civil. Daarnaast is het mogelijk dat het recht van pandgebruik al in onbruik begon te raken voordat de Code civil werd ingevoerd. De toenemende populariteit van stille zekerheidsrechten maakte het recht van aflossingspandgebruik overbodig. Doordat het verstrekken van rentedragende leningen in Europa algemeen was aanvaard1, nam ook de behoefte aan het recht van rentepandgebruik bovendien af. Vervolgens vormde de invoering van het Franse recht de definitieve nekslag voor het recht van pandgebruik en de zelfstandige antichrese in Nederland.
Toch lijkt het erop dat het recht van pandgebruik ten tijde van de periode 1798-1811 nog altijd voorzag in een behoefte van de financieringspraktijk. In het Rooms-Hollandse recht werd het recht van pandgebruik toegepast. Het WNH week zelfs af van de Code civil om een recht van pandgebruik in het Nederlandse recht te handhaven. Bovendien ontstond in de negentiende en twintigste eeuw vraag naar rechtsfiguren die inhoudelijk sterk leken op het recht van pandgebruik, zoals het oogstverband en de zekerheid op huurvorderingen die verschuldigd waren voor een hypotheekobject.2 Ook in het moderne Zuid-Afrikaanse recht, dat op het Rooms-Hollandse recht voortbouwt, vindt het recht van pandgebruik nog altijd toepassing.
Veel Nederlandse juristen en politici hadden door beoefening van het Franse recht echter de neiging om aansluiting te zoeken bij het hen bekende Franse recht, en niet bij het recht dat in de Nederlanden had gegolden voor de Franse bezetting.3 De Koning4 en de Ontwerpen van 1816 en 1820 stonden een terugkeer naar dit oude recht voor. Het parlement wenste geen terugkeer naar dit oude recht, maar verlangde veeleer aansluiting bij het Franse recht.5 In dit verband citeer ik Voorduin, die de gemoedstoestand in het parlement omschreef:
“Dan ook in Noord-Nederland had de Fransche wetgeving nu sedert het jaar 1811 gegolden. Gedurende dit tijdsverloop, was men van lieverlede aan het denkbeeld gewoon geworden, dat eene uitheemsche wetgeving ons regeerde; men had den afkeer van het Fransche bestuur, leeren afscheiden van den afkeer van de Fransche wetgeving; men had er zich naar leeren voegen, en in de uitvoering op vele punten dezelve minder met onze zeden en begrippen in strijd doen zijn, dan welligt haar geest en bedoelingen medebragten. Bij velen was de achting voor het wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland, aanmerkelijk gedaald, doch ook daarbij welligt de begeerte verminderd, om vele overblijfselen van het Oud-Hollandsch regt, welke daarin voorkwamen, in de aanstaande wetgeving te zien opgenomen. Over het algemeen was men teruggekomen van het, onder vroegere tijdsomstandigheden bestaan hebbend denkbeeld, om de Fransche wetgeving, als eene voorbijgaande wetgeving, te beschouwen; terwijl daarenboven velen in het Oud-Hollandsch regt, vreemdelingen geworden waren, of hetzelve nimmer hadden beoefend, en dus zelfs een gedeeltelijke wederinvoering daarvan, op geenen zoo hoogen prijs stelden, als bij de opstellers van het ontwerp van 1816 het geval was.”6
Het parlement verlangde niet terug naar de vervlogen tijden van het Rooms-Hollandse recht. Liever zocht hij aansluiting bij het Franse recht. Dit kan verklaren waarom hij het Rooms-Hollandse recht van pandgebruik niet in ere herstelde. Het Franse recht kende geen recht van pandgebruik, maar alleen een recht van zelfstandige antichrese. De zelfstandige antichrese was evenwel slecht geregeld in de Code civil, zodat zij in onbruik raakte. Eenmaal in onbruik geraakt, zag de Nederlandse wetgever geen noodzaak een zelfstandige antichrese of een recht van pandgebruik op te nemen in het BW van 1838.
Voor deze verklaring pleit ten slotte dat de ontwikkeling van het recht van pandgebruik in de codificatieperiode parallel loopt aan de ontwikkeling van het generale zekerheidsrecht, zoals beschreven door Van Hoof. Het generale zekerheidsrecht werd door de Fransen afgeschaft, maar keerde terug in de Ontwerpen van 1816 en 1820. Net als het recht van pandgebruik heeft het generale zekerheidsrecht het BW van 1838 niet gehaald.7