Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/1.2
1.2 Inleiding tot het onderwerp
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS198032:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie 3.3 en verder.
Zie 2.7.
Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat ‘de rechtspersoon’ mannelijk is, terwijl de meeste verschijningsvormen van de rechtspersoon, zoals vennootschappen en de vereniging, vrouwelijk zijn. Daarom staat hier “zijn contractuele verplichtingen”.
De onmiddellijke voorziening in de zaak ABN Amro bleek zo’n voorziening te zijn. De Hoge Raad oordeelde dat die voorziening niet getroffen mocht worden.
Deze drie scenario's sluiten elkaar uit.
In hfdst. 5 en 6.
Met een zorgvuldige afweging en een adequate beslissing zijn overigens ook andere belangen, waaronder dat van het gezag van de Ondernemingskamer, gediend.
[8] Een onmiddellijke voorziening is een maatregel die wordt getroffen in het kader van een enquêteprocedure. Zo’n maatregel kan worden genomen als de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek dat vergt. Het doel van de onmiddellijke voorziening is orde te scheppen in chaos bij de rechtspersoon, verslechtering van de toestand te voorkomen of het onderzoek te faciliteren.1 Een onmiddellijke voorziening heeft effecten voor de rechtspersoon. De som van die effecten moet positief zijn. Anders is de maatregel niet in het belang van de rechtspersoon. Een onmiddellijke voorziening waarvan de lasten voor de rechtspersoon groter zijn dan de baten, valt niet goed te verenigen met de aard van de enquêteprocedure, waarin het belang van de rechtspersoon centraal staat.2 Een onmiddellijke voorziening die ‘netto’ negatief uitpakt voor de rechtspersoon is dan ook niet goed verdedigbaar.
Daarom dient de Ondernemingskamer zich, voordat zij over een onmiddellijke voorziening beslist, een voorstelling te maken van die effecten voor de rechtspersoon en de verwachte positieve en negatieve uitwerkingen van de voorziening af te wegen.
Dat de onmiddellijke voorziening per saldo een positief effect moet hebben, geldt ook als de voorziening een rechtsplicht voor de rechtspersoon vestigt, die conflicteert met een van zijn contractuele verplichtingen.3 Als de Ondernemingskamer overweegt zo’n conflicterende onmiddellijke voorziening te treffen, heeft zij daarom inzicht nodig in de uitwerking van dat conflict op de rechtspersoon. De effecten kan ze dan betrekken in haar afweging.
[9] Bij onverenigbaarheid van een onmiddellijke voorziening en een contractuele verplichting van de rechtspersoon zijn in theorie drie scenario’s voor de rechtstoestand denkbaar. In het eerste scenario prevaleert de contractuele verplichting. Dat wil zeggen dat de contractuele verplichting niet door een onmiddellijke voorziening wordt aangetast en moet worden nagekomen.4 Een onmiddellijke voorziening waarmee nu juist niet-nakoming wordt beoogd, kan dat nagestreefde resultaat dus niet hebben. Zo’n onmiddellijke voorziening is dan zinloos. In het tweede scenario heeft de onmiddellijke voorziening voorrang en wijkt de contractuele verplichting. De rechtspersoon hóeft die contractuele verplichting gedurende de looptijd van de voorziening niet na te komen. Zijn wederpartij heeft dan geen acties op grond van het niet-nakomen, zodat nadelige consequenties voor de rechtspersoon van zulke acties niet op de loer liggen. In het derde scenario heeft noch de contractuele verplichting, noch de onmiddellijke voorziening prioriteit. In dat geval is de voorziening effectief en kan de rechtspersoon de contractuele verplichting niet of maar ten dele nakomen.5 Het derde scenario zal geldend recht blijken te zijn.6 Het onderzoek concentreert zich daarom op dit derde scenario. De wederpartij reageert wellicht op de door de onmiddellijke voorziening veroorzaakte tekortkoming in de nakoming. De reactie van de wederpartij zou nadeel voor de rechtspersoon kunnen oproepen. De Ondernemingskamer heeft inzicht nodig in die reactie en in de aard en omvang van het nadeel dat de rechtspersoon mogelijk ondervindt door die reactie. Indien er nadeel te verwachten valt, is dat een negatief effect van de onmiddellijke voorziening.
[10] Het is in het belang van de rechtspersoon dat de Ondernemingskamer doorgrondt welke consequenties de samenloop van een onmiddellijke voorziening met een verplichting van de rechtspersoon uit overeenkomst heeft. Hoe beter het inzicht, des te zorgvuldiger de voor- en nadelen van die voorziening kunnen worden betrokken in de beslissing, en hoe adequater de uiteindelijk getroffen maatregel zal zijn.7