Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/2.5.2
2.5.2 Procedurele omstandigheden bij de oneerlijkheidstoets
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS493653:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Micklitz 2006, p. 479.
Het eerste deel van ov. 16 bevat een inhoudelijk gezichtspunt: het bepaalt dat een belangenafweging noodzakelijk is bij de vaststelling van de inhoudelijke verstoring, m.n. in geval van een contract betreffende collectieve diensten. Hieruit blijkt dat 'the particular needs of the relevant sector or business' een belangrijke rol spelen: Grondman 2006, p. 145.
De Commissie had oorspronkelijk een toets voorgesteld die zich niet beperkte tot niet-onderhandelde bedingen.
In het Richtlijnvoorstel consumentenrechten is in art. 32 lid 2 aan de huidige gezichtspunten uit art. 4 lid 1 een procedureel gezichtspunt toegevoegd: de wijze van opstelling en bekendmaking van bedingen in het licht van de transparantie- en informatieplicht. De DCFR legt naar verhouding nog sterker de nadruk op procedurele omstandigheden door deze in art. 11.-9:408 voorop te stellen: (1) When assessing the unfairness of a contractual term for the purposes of this Section, regard is to be had to the duty of transparency under H9:402 (Duty of transparency in ferms not individually negotiated), to the nature of the goods or services to be provided under the contract, to the circumstances prevailing during the conclusion of the contract, to the other term of the contract and to the ferms of any other contract on which the contract depends. (2) For the purposes of11-9:404 (Meaning of 'unfair' in contraces between a business and a consumer) the circumstances prevailing during the conclusion of the contract include the eetent to which the consumer was given a real opportunity to become acquainted with the term before the conclusion of the contract.' Onduidelijk is of de toevoeging van het gezichtspunt aan art. 32 lid 2 door de DCFR is beïnvloed. De DCFR heeft, hoewel zij is bedoeld als een hulpmiddel bij de opstelling van richtlijnen, nauwelijks tot geen invloed gehad op het richtlijnvoorstel.
'Overwegende dat de overeenkomsten in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen moeten worden opgesteld; dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen en dat in geval van twijfel de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleert.'
Hetzelfde geldt voor art. 32 lid 2 en ov. 48 considerans Richtlijnvoorstel consumentenrechten.
De hierna (bij hypothese 2a' en 2b') te bespreken procedurele invulling van het verstoringscriterium daargelaten.
Ebers 2006, p. 328 en 335.
Wanneer sprake is van een onduidelijk opgesteld beding is het nadeel in potentie zowel procedureel — de consument kan geen kennisnemen van zijn rechten en verkeert in onzekerheid — als inhoudelijk — het beding geeft de gebruiker bijv. buitenproportioneel veel manoeuvreerruimte binnen het contract: Commissie 2000, p. 26. Dit wordt bevestigd in CommissielSpanje, r.o. 12: 1...) een onduidelijk beding dat als een oneerlijk beding kan worden uitgelegd' en r.o. 16: 'Een objectieve uitlegging leven vaker de nodige grond op om een onduidelijk of dubbelzinnig beding te verbieden'. Ook het laatste deel van art. 4 lid 2, dat onduidelijk en onbegrijpelijk geformuleerde kernbedingen aan de toets van art. 3 lid 1 onderwerpt, duidt erop dat onduidelijkheid vaak tot inhoudelijke oneerlijkheid leidt.
Het Duitse § 307 BGB inhoudende dat een onduidelijk of onbegrijpelijk beding het evenwicht verstoort is niet in de richtlijn overgenomen. Ook lid 2 van art. 11.-9:402 DCFR bepaalt dat in een contract tussen een handelaar en een consument een bepaling die door de handelaar aan de consument is opgelegd i.s.m. de transparantie-plicht alleen al om die reden als 'unfair' zal worden beschouwd. In art. 32 lid 2 Richtlijnvoorstel consumentenrechten blijkt slechts dat het wel of niet naleven van de transparantieplicht bij de oneerlijkheidstoets kan worden betrokken.
Beale 1995, p. 247; Ebers 2006, p. 329-330: 'The Directive is silent (with the exception of the contra proferentem rule) on the consequences of Jack of transparency. This gap leads to considerable legai uncertainty and at the same time jeopardises the effectiveness of transposition of the Directive' en verder p. 332: 'The consequences of intransparency should be expressly regulated' . Het voorstel van het ESC om de schending van het transparantiebeginsel als oneerlijkheidscriterium in de richtlijn op te nemen is t.t.v. de totstandkoming van de richtlijn genegeerd.
Anders dan in Duitsland is de voorkeur in ieder geval niet aan de oneerlijkheidstoets gegeven: Loos 2001, nr. 148, met verwijzing naar concl. A-G Tizzano voor HvJ EG 10 mei 2001, nr. C-144/99, Jur. 2001, p. 1-3541, r.o. 25(Commissie/Nederland).
37. De eerste vraag luidt of de toets uit art. 3 lid 1 richtlijn ruimte biedt voor procedurele omstandigheden. De oneerlijkheidstoets ziet op het eerste oog niet toe op de mogelijkheid van een `informed consent' en de kenbaarheid van de algemene voorwaarden. Uit art. 3 lid 1 blijkt dat het beding, en dus niet de kennisneming en aanvaarding ervan, het vertrekpunt vormt van de oneerlijkheidstoets.1 Op grond van de bewoordingen van dit artikel mag worden aangenomen dat het contractsinhoudelijke nadeel voor de consument vooropstaat. De nadruk op de (on)evenwichtige contractsinhoud volgt ook uit de lijst in de eerste bijlage bij de richtlijn.
De richtlijn, de considerans en de lijst hebben niettemin aandacht voor beide dimensies van de procedurele (on)eerlijkheid (par. 2.5.1). Dat de rechter in het kader van de toetsing aan art. 3 lid 1 oog mag hebben voor de mate waarin de consument de inhoud van de overeenkomst heeft kunnen beïnvloeden (de eerste dimensie) blijkt uit ov. 16 considerans, waarin procedurele gezichtspunten ter invulling van de goede trouw worden opgesomd. Dit zijn de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen, de vraag of de consument is aangezet zijn instemming met het beding te betuigen, de vraag of de goederen of diensten op speciale bestelling van de consument zijn verkocht of geleverd en de vraag of eerlijk en billijk met de consument is onderhandeld.2 De vraag of sprake is geweest van onderhandelingen over de voorwaarden is in de definitieve versie van de richtlijn een aparte, preliminaire toets geworden, teneinde vast te stellen of de richtlijntoets van toepassing is (par. 2.3.4).3 De oneerlijkheidstoets is voorbehouden aan niet-onderhandelde bedingen (art. 3 lid 1 en 2). De rol van de eerste dimensie van de procedurele (on)eerlijkheid binnen de oneerlijkheidstoets wordt beknot door die preliminaire toets.
Het gezichtspunt 'alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst' uit art. 4 lid 1 richtlijn betreft gelet op art. 3 lid 1 en 2 voornamelijk de tweede dimensie van de procedurele (on)eerlijkheid: de (on)mogelijkheid om kennis te nemen van het beding.4 Deze dimensie komt uitgebreid aan de orde in de richtlijn, haar considerans en de lijst. Ov. 20 considerans is gewijd aan de transparantie- en informatieplicht.5 In art. 5 wordt de transparantieplicht herhaald en op grond van art. 4 lid 2 kunnen onduidelijke en onbegrijpelijke kernbedingen aan de oneerlijkheidstoets worden onderworpen. Onder i van de lijst tot slot, merkt die bedingen aan als oneerlijk die tot doel of gevolg hebben 'op onweerlegbare wijze de instemming vast te stellen van de consument met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst'.
38.Het gezichtspunt 'alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst' duidt op procedurele omstandigheden in brede zin, ongeacht of deze in het voor-of nadeel zijn van de consument. Ook ov. 16 considerans bevat gezichtspunten die zowel de procedurele eerlijkheid als de procedurele oneerlijkheid helpen vaststellen. Hoewel het gezichtspunt 'dat de verkoper aan de eis van de goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument' het accent legt op procedurele eerlijkheid, kan het ook dienen ter vaststelling van een oneerlijke gang van zaken rond de totstandkoming van de overeenkomst. 'De vraag of de consument op enigerlei wijze is aangezet zijn instemming met het beding te betuigen' kan zowel positief als negatief worden beantwoord.
39.Rest mij te onderzoeken welke rol procedurele omstandigheden precies spelen bij de vaststelling van de oneerlijkheid van een beding. De richtlijn geeft de al dan niet beslissende rol van dit type gezichtspunten niet prijs.6 Er zijn twee mogelijkheden:
in hypothese 1 speelt de inhoudelijke (on)eerlijkheid een beslissende rol bij de toets;
in hypothese 2 speelt de procedurele (on)eerlijkheid een beslissende rol bij de toets;
in hypothese 3 spelen beide typen oneerlijkheid een beslissende rol bij de toets.
Deze hypothesen zullen nader worden uitgewerkt en getoetst aan de richtlijn en de rechtspraak van het HvJ. Waar, in grote lijnen, het verstoringscriterium de inhoudelijke (on)eerlijkheid bepaalt, wordt de procedurele (on)eerlijkheid vastgesteld aan de hand van het goede trouw-criterium uit art. 3 lid 1 richtlijn. De rol van het goede trouw-criterium en de rol van procedurele omstandigheden bij de toetsing aan dit criterium, bepalen in grote mate welke hypothese opgaat.7 Zowel de tekst van art. 3 lid 1 als die van ov. 16 geeft echter aanleiding tot verschillende interpretaties van de rol van de goede trouw (par. 2.8).8 Hoewel onduidelijkheid en inhoudelijke benadeling vaak hand in hand gaan,9 hoeft niet iedere schending van het transparantiebeginsel een inhoudelijk nadeel op te leveren (te denken valt aan verstopte, in een klein lettertype opgestelde bedingen). De richtlijn besteedt veel aandacht aan de transparantieplicht (art. 5 en ov. 20 considerans). Helaas maakt zij niet duidelijk in hoeverre een schending dan wel eerbiediging van deze plicht bij de oneerlijkheidstoets kan worden betrokken en de geldigheid van het beding kan beïnvloeden.10 Hierop is veel kritiek geuit.11 De richtlijn stelt in geval van onduidelijkheid de uitleg contra proferentem als 'sanctie' voorop (art. 5). Denkbaar is dat volgens de richtlijngever deze uitleg een betere bescherming biedt dan de systematische uitschakeling van onduidelijke bedingen.12