Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.4.9
IV.3.4.9 Tussenconclusie
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460428:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voetnoot 7. Zie met name de lezenswaardige en kritische proefschriften van Westenbroek en Karapetian.
Bleeker 2020.
Hammerstein 2021, p. 365. Hammerstein stelt dat ook zonder het argument van bange bestuurders de omstreden maatstaf nog steeds goed bruikbaar is. Hiervoor doet hij een beroep op het toerekeningsargument. In par. IV.3.3 beargumenteer ik dat ook dit argument de toepassing van de ernstig verwijt-doctrine niet kan dragen.
Van Schilfgaarde 2017, p. 490-493, en opnieuw in zijn annotatie bij HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330 (X/TMF).
Het bange bestuurders-argument vormt de hoeksteen voor een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime voor bestuurders. De aannames die aan dit argument ten grondslag liggen, blijken echter ongefundeerd. In deze paragraaf kwam achtereenvolgens aan bod dat A) niet gebleken is dat de ‘gewone onrechtmatige daad’ een te streng keurslijf zou zijn voor bestuurders; B) dat eventuele angst van bestuurders voor persoonlijke aansprakelijkheid niet correspondeert met de werkelijke aansprakelijkheidsrisico’s; C) dat er geen bewijs is dat bestuurders zich daadwerkelijk anders gedragen vanwege angst voor persoonlijke aansprakelijkheid; D) dat het niet altijd onwenselijk (soms zelfs de bedoeling) is dat bestuurders defensief handelen; E) dat het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel het gepercipieerde probleem van bange bestuurders niet verhelpt; en F) dat voor de bescherming van bestuurders tegen aansprakelijkheid (als die ondanks de onjuistheid van de andere aannames toch wenselijk wordt geacht) geen afwijkend aansprakelijkheidsregime nodig is.
Omdat de aannames van elkaar afhankelijk zijn voor hun juistheid, komt het bange bestuurders-argument al onder druk te staan wanneer één van de schakels in de ketenargumentatie onjuist is. Ik heb betoogd dat er niet slechts sprake is van één zwakke schakel, maar dat het bange bestuurders-argument bestaat uit een hele reeks van rammelende aannames. De wankele onderbouwing van het argument is problematisch, want mede vanwege de angst voor bange bestuurders wordt de ernstig verwijt-maatstaf in de onrechtmatige daad gehandhaafd; die maatstaf maakt bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad nodeloos ingewikkeld, en geeft bestuurders meer bescherming tegen aansprakelijkheid dan hun toekomt.
Ik ben niet de eerste die zijn pijlen richt op het bange bestuurders-argument en de ernstig verwijt-doctrine, vele andere auteurs gingen mij voor.1 Zelfs voorstanders van de ernstig verwijt-maatstaf, zoals oud-raadsheer Hammerstein, erkennen dat het bange bestuurders-argument niet dragend is. In reactie op mijn publicatie die is verschenen in het NJB over Bange Bestuurders2 schreef hij het volgende:
“In 2020 deed Tim Bleeker weer een poging de gedachte van bange bestuurders om zeep te helpen. Hij schrijft terecht dat dit beeld verkeerd is. Uit onderzoek blijkt niet dat bestuurders zich laten leiden door angst voor persoonlijke aansprakelijkheid. Zij lopen toch al geen groot risico omdat de schade meestal betaald wordt door anderen, zoals de verzekeraar.”3
Ook Van Schilfgaarde omarmde weliswaar de ernstig verwijt-maatstaf, maar plaatste kritische kanttekeningen bij het bange bestuurdersargument. Hij kwam tot de conclusie dat “het bange bestuurders argument (inclusief de verwijzing naar het voorkomen van defensief gedrag) maar beter geschrapt [kan] worden”.4 Daar ben ik het roerend mee eens. Ik hoop dan ook dat het bestuurdersaansprakelijkheidsdebat niet langer zal worden vertroebeld door de misverstanden ten aanzien van bange bestuurders.