Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/2.2.0
2.2.0 Inleiding
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS446015:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tijdens de Bataafse Revolutie was er in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden sprake van een door de Fransen gesteunde opstand tegen Willem V. Uiteindelijk leidde dit tot de vlucht van Willem V naar Engeland en werd de republiek omgedoopt tot de Bataafse republiek.
Artikel 210 acte van staatsregeling: “Het Uitvoerend Bewind levert, binnen één Jaar na de eerste Zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam, aan Hetzelve een nieuw stelsel van algemeene belastingen, zoo ter goedmaakinge der Staatsbehoeften, als in 't bijzonder tot het betaalen der jaarlijksche interessen en aflossingen voor de geheele Republiek. (…)”.
Door de Franse bevelhebber Pierre François Charles Augereau en drie leden van het Uitvoerend Bewind: Gerrit Jan Pijman, Anthony Frederik Robbert Evert van Haersolte en Augustinus Gerherd Besier.
Fritschy, 1988, p. 127.
Ydema, 2006, p. 113.
Het belastingstelsel had, naast het doel om tot een meer evenredige lastenverdeling te komen (rekening houdend met draagkracht), tot doel om meer opbrengsten te genereren dan de op dat moment bestaande belastingen. Daarnaast moest het leiden tot een verlaging van de perceptie- en handhavingskosten (hieronder worden kosten verstaan die zijn gemoeid met de heffing en invordering van belastingen) en moest het de handel in consumptiegoederen minder belemmeren.
Het voorgedragen ‘Plan van Algemeene Belastingen‘ligt vast bij “missive van den 20 Junij 1805, n°. 17/3, van De Raadpensionaris aan Hun Hoog Mogenden, Vertegenwoordigende het Bataafsche Gemeenebest. Dit is ook bekend onder de term ‘Generale Voordragt’.
Pfeil, 1998, p. 413.
Generale Voordragt, p. 27.
Mogelijk dat met behulp van historisch archiefonderzoek nog verder terug in de tijd kan worden gegaan om een antwoord te vinden op de vraag wanneer en waarom dat onderscheid is ontstaan. Dit valt echter buiten mijn expertise op het gebied van fiscaal-juridisch onderzoek en tegelijkertijd ook buiten de scope van dit onderzoek.
Sinninghe Damsté, 1937, p. 342.
Een kohier is een administratief stuk waarin per belastingplichtige de gegevens (zoals de waarde van het belastbaar bezit) werden vastgelegd die de grondslag vormden voor het heffen van een belasting. Zie: Postma, 2015, p. 28.
Ydema, 2006, p. 115 e.v.
Het belastingstelsel van Gogel dat uiteindelijk in 1805 werd ingevoerd, kent een lange aanloop. Na de Bataafse omwenteling in 1795 kwam op 23 januari 1798 een staatsregeling tot stand.1 Deze staatsregeling wordt ook wel als de eerste Nederlandse grondwet beschouwd. Eenheid van het land stond daarin voorop. De staatsregeling bevatte daartoe onder andere bepalingen over de samenvoeging en omzetting van de gewestelijke staatsschulden, over een systeem van jaarlijkse begrotingen en over de komst van een landelijk uniform belastingstelsel.2 Onder de leiding van het Uitvoerend Bewind – dat bestond uit vijf mannen die het dagelijks bestuur uitoefenden – functioneerden acht agenten, waaronder een agent van Financiën. Het Uitvoerend Bewind benoemde op 21 februari 1798 Gogel op die post. Gogel beschouwde de invoering van een stelsel van nationale belastingen als zijn belangrijkste taak. Ruim een jaar na zijn benoeming, op 30 juni 1799, diende hij daarvoor een ontwerp voor een belastingplan in bij het Vertegenwoordigend Lichaam. Het belastingstelsel van de voormalige provincie Holland had daarvoor model gestaan. Gogels ontwerp werd op 3 maart 1801 aangenomen door het Vertegenwoordigend Lichaam. Door de staatsgreep op 18 september 1801 kwam3 het echter niet tot uitvoering daarvan.4 Het Uitvoerend Bewind werd vervangen door het Staatsbewind en de naam van de republiek werd gewijzigd in Bataafs Gemenebest. Dit alles leidde tot een terugkeer naar oude gewestelijke grenzen. De gewesten kregen opnieuw bevoegdheden toegekend op onder andere het terrein van de financiën, wat leidde tot een terugkeer naar de oude belastingen van vóór de omwenteling. Dit was een van de redenen waarom Gogel vervolgens aftrad als agent van Financiën.5
In 1805 bewerkstelligde Napoleon dat het toenmalige Staatsbewind van het Bataafs Gemenebest werd vervangen door een eenhoofdig bewind. Rutger Jan Schimmelpenninck werd benoemd op deze post, met de titel raadpensionaris. Onder Schimmelpenninck werd Gogel aangesteld als Secretaris van Staat van Financiën. Op basis van de grondslagen van zijn eerdere ontwerp uit 1801 stelde Gogel al snel het “Plan van Algemeene Belastingen” op.6 Dit plan diende Schimmelpenninck op 20 juni 1805 in bij het Wetgevend Lichaam.7 Het werd op 12 juli 1805 bij staatsbesluit bekrachtigd en met ingang van 1 januari 1806 algemeen van toepassing verklaard. Het plan bevatte de algemene kaders voor de invoering van 21 soorten belastingen. De invoering van de afzonderlijke belastingen gebeurde door middel van speciale ‘ordonnanties’ waarin de uitvoeringsbepalingen werden geregeld.8 Gogel maakte in het plan onderscheid tussen zogenoemde ‘beschreven middelen’ en ‘onbeschreven middelen’. Hij lichtte dit onderscheid als volgt toe:
“Vrij algemeen is men gewoon, de Belastingen te onderscheiden in twee soorten: Beschrevene of Directe Belastingen, en Onbeschrevene of Indirecte Belastingen.
De Beschrevene of Directe zijn de zoodanige, welke, het zij Reëel het zij Personeel, naar bepaalde en vaste Aan- of Omslagen, volgens Quotisatie daar van te formeeren, worden ingevorderd.
De Onbeschrevene of Indirecte zijn die, welke dadelijk bij het gebruik, den inslag, uitslag, opslag, het vertier, en wat dies meer is, der belastte onderwerpen gevorderd, of bij het inkomen of uitgaan derzelve in of buiten de Republiek, worden ingevorderd.”9
Uit dit citaat blijkt dat Gogel met het gemaakte onderscheid tussen beschreven en onbeschreven middelen – mogelijk vanuit een soort pragmatisme – aansloot bij een onderscheid dat op dat moment al bestond. Waarom dat onderscheid er was en waarom Gogel van mening was dat dit onderscheid moest blijven bestaan, heb ik echter niet kunnen achterhalen.10 De termen ‘beschreven’ en ‘onbeschreven’ zijn door Gogel verder niet gedefinieerd. Sinninghe Damsté schreef later in het kader van de inkomstenbelasting dat onder de term beschrijving wordt verstaan: het bepalen aan wie wel of niet een aangifte moet worden uitgereikt.11 Deze omschrijving kan in mijn ogen goed worden toegepast op wat beschreven middelen zijn. Bij beschreven middelen werd namelijk vooraf bepaald wie belastingplichtig was en aangifte moest doen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van registers waarin de in het verleden door belastingplichtigen aangegeven grondslagen waarover ze belasting waren verschuldigd, waren vastgelegd. Dit was mogelijk omdat het vrij constante grondslagen betrof zoals vermogen en bezit (onder andere grond, gebouwde eigendommen, meubilair, paarden, dienstboden). Deze registers werden aangeduid als kohieren.12 De onbeschreven middelen kenden daarentegen grondslagen die aangrepen bij de handel en het gebruik van consumptiegoederen (onder andere op zout, zeep, wijn, gemalen graan en geslacht vee). Deze grondslagen zijn veel minder stabiel, zodat daar geen registers van konden worden aangelegd.13