Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/2.2.1
2.2.1 Wel of geen eigen aangifte?
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443538:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De grondbelasting en de zogenoemde personele belasting (contribution personnelle) waren oorspronkelijk opgezet als repartitiebelastingen. De Visschere, 1935, p. 74-77.
Een zogenoemde quotisatiebelasting, houdt in dat de totale opbrengst ervan onzeker is, omdat de wet het bedrag bepaalt dat, de belastingplichtige, onder zekere voorwaarden, verschuldigd is. De totale opbrengst kan daarom slechts als ‘verwachting’ in de begroting worden geraamd. Een repartitiebelasting vormt hier de tegenhanger van. Hierbij bepaalt de wetgever bij voorbaat welk totaalbedrag wordt geheven, waarna het wordt omgeslagen over de belastingplichtigen. Van Houtte en Claeys Bouuaert, 1979, p. 63. Vrij algemeen wordt aangenomen dat het repartitiestelsel in onbruik is geraakt, maar in België komt het bijvoorbeeld nog voor in de vorm van een heffing ten laste van elektriciteitsproducenten. Grondwettelijk Hof, 20 februari 2014, rolnummer 5603, nr. 30/2014 en Grondwettelijk Hof,10 juli 2014, rolnummer 5675, nr. 104/2014.
Zie in dit verband ook Van den Berge die stelt dat de aan de belastingheffing verbonden kosten zo gering mogelijk moeten zijn. Als eis geldt “dat de belastingheffing op zo eenvoudige en efficiënte wijze als mogelijk is, geschiedt”. Van den Berge, 1949, p. 112; zie in dit verband ook Adam Smith: “Every tax ought to be levied at the time, or in the manner, in which it is most likely to be convenient for the contributor to pay it.”, The Wealth of Nations, 1776, Book V, Chapter II Part II, p. 893.
Bijlagen, behorende tot de besluiten der Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam, van 10 februari 1800.
Eveneens over zelftaxatie, maar dan in het kader van de heffing van de buitengewone inkomsten- en de vermogensbelasting in de Bataafs-Franse schrijft Pfeil dat het idee achter deze heffingsmethode is dat belastingbetalers meer geneigd zijn om de schatkist te spekken. Het risico op frauduleuze en te lage opgaven wordt op de koop toegenomen. Dit mede omdat de aanslagregeling te veel tijd in beslag zou nemen (terwijl er dringend behoefte was aan belastinginkomsten) en teveel kosten met zich mee zou brengen. Zie: Pfeil, 2009, p. 219-221.
Een bedrag van 500.000 gulden in 1800 vertegenwoordigt een bedrag van ongeveer € 3.500.000 anno 2018. Zie Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG); http://www.iisg.nl/hpw/calculate-nl.php.
Ydema, 2006, p. 109.
Pfeil, 1998, p. 207.
Pfeil, 1998, p. 411.
In deze paragraaf maak ik een korte uitstap naar een onderwerp dat weliswaar niet direct betrekking heeft op het ontstaan van het onderscheid tussen de heffingsmethoden, maar dat wel laat zien dat binnen een bepaalde heffingsmethode verschillende subvormen kunnen bestaan. Dit betreft de vraag of bij het vaststellen van de aanslag wel of geen gebruik moet worden gemaakt van een aangifte van de belastingplichtige (een zogenoemde eigen aangifte). De discussie die hierover is gevoerd, levert bovendien interessante informatie op die ik kan gebruiken om daar uiteindelijk factoren uit af te leiden die relevant zij bij keuzes op het vlak van de heffingsmethoden. In paragraaf 2.3.1 komt dit onderwerp nogmaals aan bod in het kader van de Stelselwet van 1821.
Ten tijde van het ontwerp van Gogels belastingstelsel was voor de personele belasting en het patentrecht nog sprake van een zogenoemd repartitiestelsel. Dit hield in dat de hoofdsom van de te heffen belastingen van te voren door de wetgever werd vastgesteld, vervolgens werd verdeeld over de provinciën en gemeenten, die het ten slotte omsloegen over de belastingplichtigen.1 De belastingschuld werd daarmee door de toenmalige belastingadministratie vastgesteld, of beter: geschat (de zogenoemde ‘quotisatie’ van overheidswege).2 Gogel zag zich voor de belastingheffing over private vermogens voor de vraag gesteld of deze wijze van belastingheffing niet zou moeten worden vervangen door een techniek waarbij de belastingplichtige zichzelf moest ‘taxeren’ (‘zelftaxatie’). Gogel was geen voorstander van ‘zelftaxatie’, omdat hij daarbij vreesde voor fraude en daardoor te lage belastingopbrengsten. Verder vormden de kosten die waren gemoeid met zelftaxatie (in de vorm van verificatie (toezicht) achteraf door de Belastingdienst) voor Gogel een belangrijke reden om te pleiten voor quotisatie van overheidswege.3 Gogel raamde de kosten van de werkwijze met toezicht achteraf op fl. 500.000 terwijl die kosten in het geval van het opleggen van aanslagen van overheidswege op fl. 100.000 werden geschat.4, 5, 6 Het beoordelen van de ingediende aangiften stelde ook bepaalde eisen aan de kwaliteit van de ambtenaren van de belastingadministratie. Zij waren destijds nog onvoldoende deskundig, waardoor er bij de bevolking weerstand bestond tegen de zware (‘inquisitoire’) controles die nodig zouden zijn om het vermogen juist vast te stellen.7 In handelskringen vreesde men bovendien voor het schenden van de geheimhouding door belastingambtenaren, met als gevolg dat gevoelige informatie uit de aangiften terecht zou kunnen komen bij de concurrentie.8 Uiteindelijk koos Gogel ervoor om alleen bij de directe belastingen op verteringen uit te gaan van de eigen aangifte. Van overheidswege werd hierbij echter wel een definitieve aanslag vastgesteld.9 Dit laatste komt neer op een combinatie van twee ‘zuivere’ heffingstechnieken: zelftaxatie en het opleggen van aanslagen van overheidswege.