Zie Pleitnotitie Hof Amsterdam 23 januari 2024 p. 4
HR, 26-09-2025, nr. 24/02647
24/02647
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-09-2025
- Zaaknummer
24/02647
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑09‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1389, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:303
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1494
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑09‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:303, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1389
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025092601
FutD 2025-1892
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/1028
NTFR 2025/1503 met annotatie van mr. E.I. Brouwer
V-N 2025/42.4 met annotatie van Redactie
NLF 2025/2044 met annotatie van Theo Hoogwout
FED 2025/100 met annotatie van A.E. de Leeuw
BNB 2026/8 met annotatie van J.P. Boer
NDFR Nieuws 2025/533
Viditax (FutD) 2025032105
FutD 2025-0606
NDFR Nieuws 2025/537
NLF 2025/0678 met annotatie van Jelle Kanters
V-N 2025/16.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2025/731 met annotatie van mr. E.I. Brouwer
Beroepschrift 26‑09‑2025
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Datum: 19 oktober 2024
INCIDENTEEL BEROEP IN CASSATIE
Inzake:
Tegen:
De Staatssecretaris van Financiën
[X] (hierna: belanghebbende) stelt harerzijds incidenteel cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2024 met kenmerken 23/294 & 23/295 inzake de aan haar opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2018 en 2019, met het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof heeft overwogen en beslist als vermeld in de uitspraak waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onder1ing verband en samenhang te beschouwen redenen.
Feitelijk kader:
In cassatie kan worden uitgegaan van de door het Hof in de rov. 2.1. tot en met 2.5 vastgestelde feiten. Tot het feitelijk kader behoren ook de volgende feiten en omstandigheden die door het Hof niet expliciet zijn betrokken in zijn uitspraak, maar die wel tot de (hypothetisch) feitelijke grondslag van deze zaak behoren en van belang zijn voor de beoordeling van het onderhavige cassatiemiddel:
- (i)
De statuten van de [A] Stichting (hierna ook: de stichting) kennen de volgende specifieke bepalingen:
Financiële ondersteuning als bedoeld in de statuten van de [A] Stichting geschiedt uit de revenuen van het stichtingskapitaal (artikel 3 lid 3).
Jaarlijks wordt vijfenzeventig procent van het resultaat toegevoegd aan de algemene reserve ten behoeve van de doelstelling van de stichting. De rest komt ten gunste van het kapitaal van de stichting. In geval van een negatief resultaat wordt vijfenzeventig procent ten laste van de algemene reserve gebracht en komt de rest ten laste van het kapitaal (artikel 4 lid 3).
Tot de onveranderlijke artikelen van de statuten behoren de artikelen 2, 3, 13 lid 1, 13 lid 2 en de artikelen met betrekking tot statutenwijziging, fusie, splitsing en ontbinding (artikel 16 lid 2).
Bij ontbinding wordt het batig saldo toegekend aan een rechtspersoon in de zin van artikel Sb (ANBI) en/of artikel Se (SBBI) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 17 lid 5).
- (ii)
Door de onveranderlijke bepalingen in de statuten kan het vermogen nimmer aan de familie worden uitgekeerd. Financieel ondersteunen van de familie kan uitsluitend plaatsvinden aan jonge familieleden om hen in staat te stellen een honorabel bestaan te vinden, of aan hen die aantoonbaar aangewezen zijn op de financiële hulp van anderen (artikel 13 lid 4 statuten). Artikel 13 lid 5 juncto artikel 6 lid 5 sub t statuten bepaalt dat een besluit om een uitkering te doen onderworpen is aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen. Voorbeelden van uitkeringen aan mensen die aantoonbaar aangewezen zijn op de financiële hulp van anderen uit de afgelopen tien jaar zijn op de vingers van één hand te tellen. Waar van ‘ondersteuning behoevende’ familieleden in de huidige tijd van welvaart en welvaartstaat geen sprake meer is en er slechts heel sporadisch aanvragen zijn door familieleden, zag de stichting zich voor de uitdaging om een zinvolle besteding aan haar groeiende vermogen te geven en tegelijk om de uitdijende familie vanuit de tweede doelstelling van een ‘honorabel bestaan’ te verbinden. Daarbij zag zij het als een wezenlijke functie om de cohesie en waardigheid van de omvangrijke familie te borgen, met de 2-jaarlijkse familiedag waarvoor eenieder behorende tot de ‘stamboom-familie’ van ca. 300 mensen wereldwijd wordt uitgenodigd. De steeds grotere participatie van familieleden aan de familiedag kan worden gezien als blijk van deze succesvolle strategie; de participatie in die familiedagen van wetenschappers die gesteund worden door de stichting dragen bij aan de toenemende cohesie en identiteit van waardigheid en maatschappelijk bewustzijn dat door de stichting wordt uitgedragen1..
- (iii)
Sinds 2018 heeft de stichting een tweeledige doelstelling:
- (a)
het bevorderen en behouden van de familiale cohesie en waardigheid binnen de familie [A] met oog voor de sociale noden bij de diverse familieleden en
- (b)
het bestrijden van gehoor (zoals tinnitus-), zicht- of spraakstoornissen.
De stichting tracht haar doel te bereiken door een integratie van activiteiten, waarbij de resultaten van het medisch onderzoek worden gedeeld op een familiedag waar de ruim 300 familieleden uit de gehele wereld voor zijn uitgenodigd. De groep die potentieel gerechtigd is om een financiële bijdrage van de stichting te genieten is op grond van artikel 13 van de statuten beperkt tot slechts 140 mensen, dit vanwege het feit dat de afstammelingen in de vrouwelijke lijn immers na de vierde graad niet langer ingesloten worden op de voet van artikel 13 lid 1 sub b statuten2. en op de voet van artikel 13 lid 1 sub a slechts één generatie kinderen van vrouwelijke erfgenamen wordt meegenomen. Met de verdere uitbreiding van de familie wordt de groep die genoemd wordt in artikel 13 relatief minder groot ten opzichte van de totale familie volgens de stamboom.
- (iv)
De inkomsten van de stichting zijn over de jaren heen hoofdzakelijk gedoteerd aan de reserves en het kapitaal (periode 2010 tot en met 2019: 59%) vanwege een gebrek aan sociale behoeftigheid van familieleden. Na verbreding met een maatschappelijke doelstelling in 2018 zijn de maatschappelijke bijdragen aan wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van het bestrijden van tinnitus vanaf 2019 substantieel verhoogd, maar niet ten koste van de dotatie aan reserves en kapitaal. In 2019 is 75% van de inkomsten gedoteerd aan het vermogen van de stichting. In het jaar 2020 is verlies geleden door de stichting, terwijl in het jaar 2021 opnieuw 78% van de inkomsten zijn gedoteerd aan reserves en kapitaal. Vanaf 2018 wordt ca. 20% van de inkomsten van de stichting uitgekeerd aan de sociale doelstelling3..
- (v)
Het staat vast tussen partijen dat geen sprake is van een belastingconstructie of een fiscaal motief.4.
- (vi)
Via een vaststellingsovereenkomst is het belang van belanghebbende bepalend voor de toerekening van het gehele vermogen van de [A] Stichting aan andere personen zowel voor de inkomstenbelasting als de erfbelasting, voor de jaren vanaf 2014 en doorlopend. Voor de andere ‘toegerekenden’ geldt dat zij niet op de hoogte zijn van het vermogen van de stichting en ook geen recht op informatie hebben jegens de stichting. Het opleggen van aanslagen inkomstenbelasting aan die toegerekenden zou tot chaos en opwinding in de familie leiden. De inspecteur hanteert als informeel beleid om via artikel 64 AWR de stichting het door haar vermogen opgeroepen probleem voor een hele uitgebreide familie te helpen oplossen door deze een ‘fictieve’ aanslag vennootschapsbelasting te laten betalen voor de berekende inkomsten- en erfbelasting van alle toegerekenden, waartegen echter geen bezwaar en beroep openstaat. Door een uitzondering te maken voor belanghebbende, is het mogelijk gemaakt om op een ordentelijke wijze de kwestie uit te procederen, waarbij belanghebbende dus rolmodel is voor alle ‘toegerekenden’. Het belang van deze zaak is dan ook aanzienlijk groter dan het strikte belang van belanghebbende, nu de [A] Stichting over de jaren 2018 en 2019 blijkens de resp. vaststellingsovereenkomsten voor die jaren in totaal een bedrag van € 740.105 resp. € 264.304 heeft voldaan en ook voor de jaren daarna vergelijkbare overeenkomsten zijn afgesloten, waarvan de verschuldigdheid afhankelijk is van de uitkomst van onderhavige procedure. Deze betalingen staan op gespannen voet met de doelstelling van de stichting en kunnen uitsluitend gedurende de looptijd van de procedure worden voldaan en zover het doel van de procedure dat rechtvaardigt, teneinde hierover duidelijkheid te verkrijgen in hoogste instantie5..
Het feitelijk kader zoals weergegeven door de staatssecretaris in het cassatieberoepschrift mist op meerdere fronten feitelijke grondslag en is tendentieus. Dit om de volgende redenen:
- (a)
De staatssecretaris stelt op pagina 2 sub (1) dat ‘een broer van de opa van belanghebbende (…) in 1907 een stichting [heeft] opgericht met als het doel het ondersteunen van alle nakomelingen van de ouders van de oprichter’. Feitelijk staat echter het volgende vast:
- i.
Belanghebbende is de 94-jarige weduwe van [C], die kleinzoon was van een broer van de oprichter van de [A] Stichting;
- ii.
De doelstelling van de stichting is vanaf haar oprichting gericht geweest op het ondersteunen van familieleden, die aangewezen zijn op de hulp van anderen (‘ondersteuning behoevende’) en op het vinden van een honorabel bestaan voor jongere mensen. Dat blijkt ook uit artikel 19 en 21 van de oorspronkelijke statuten6..
- (b)
De staatssecretaris stelt op pagina 2 sub (2) dat tot 2018 de stichting ‘steeds’ aan de hiervoor genoemde nakomelingen jaarlijkse uitkeringen heeft gedaan. Feitelijk staat echter vast dat er slechts gedurende enkele jaren voor de statutenwijziging een bescheiden lief en leed uitkering werd gedaan aan de oudere familieleden, om de cohesie in de familie te behouden. Het bestuur zag in dat dit op gespannen voet staat met de statuten van de stichting en heeft dat beleid gestaakt met ingang van het jaar 2018.
- (c)
De staatssecretaris stelt op pagina 2 sub (3) dat door een statutenwijziging in 2018 het uitkeringsbeleid is aangepast en suggereert dat nadien familiedagen werden georganiseerd. Feitelijk staat echter vast dat met de statutenwijziging onder meer de wetenschappelijke onderzoeksdoelstelling nevengeschikt aan de sociale doelstelling van de stichting is gemaakt en dat de statuten zijn gemoderniseerd binnen de grenzen van de onveranderlijke bepalingen van de statuten. Sindsdien zijn de uitgaven aan die onderzoeksdoelstelling sterk gegroeid Oaarlijks ca. € 85.000). Dit had veel meer kunnen zijn als de stichting niet was geconfronteerd met de onderhavige procedure7.. Ook vóór de statutenwijziging konden behoeftige familieleden een verzoek tot ondersteuning doen en werden er familiedagen georganiseerd.
- (d)
De staatssecretaris stelt op pagina 2 sub (5) dat belanghebbende geen uitkering meer krijgt omdat zij ‘thans niet behoeftig is’. Ook dat mist feitelijke grondslag in cassatie en miskent het feitelijk kader, zoals vastgesteld in eerste aanleg en in hoger beroep.. Voor zover er in het verleden een lief en leed uitkering is gedaan aan belanghebbende, had dit geen grond in behoeftigheid van belanghebbende.
Onderdeel 1. Is de stichting een APV?
In rov. 5.3. oordeelt het hof dat de vraag (of de stichting een APV is) zich ertoe beperkt of de stichting een SBBI is en, indien zij dat niet is, of met het afgezonderde vermogen meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd. In rov. 5.4 oordeelt het hof vervolgens (met de rechtbank) dat de stichting geen SBBI is omdat het vereiste sociaal belang ontbreekt, en heeft te gelden als een APV omdat meer dan bijkomstig een particulier belang is beoogd. In rov. 5.5 voegt het hof daaraan toe dat de stichting heeft te gelden als een APV omdat zij aan de wettelijke definitie daarvan voldoet, waarbij het hof voorts het volgende overweegt:
‘Uit de wetsgeschiedenis leidt het Hof af dat met het overig doelvermogen wordt gedoeld op een categorie naast de ANBI, de SBBI en het APV, waarbij uit de daarmee verrichte activiteiten volgt dat het bedoelde vermogen niet meer dan bijkomstig een particulier belang dient (…). Een dergelijk doelvermogen heeft niet te gelden als een APV omdat het niet voldoet aan de wettelijke definitie daarvan. Zoals in 5.4 overwogen is daarvan in het onderhavige geschil geen sprake.’
In rov. 5.11 tenslotte oordeelt het hof dat het feit dat de oprichter met het oprichten van de stichting en het afscheiden van het vermogen nimmer een anti-fiscaal doel heeft gehad, niet afdoet aan al het voorgaande. Aan de intentie van degene die het vermogen afzondert, wordt immers onder de APVregeling geen eisen gesteld.
1.1
's Hofs oordeel in rov. 5.4 dat de stichting geen SBBI is, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting, omdat het financieel ondersteunen van ondersteuning behoevende leden van een familie en het bevorderen van familiale cohesie ieder afzonderlijk althans tezamen, moeten worden aangemerkt als een sociaal belang als bedoeld in artikel 5c Algemene Wet Rijksbelastingen, ook danwel althans in combinatie met de financiële ondersteuning van medisch onderzoek naar tinnitus8.. Als het hof niet is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, heeft het zijn oordeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
Uitbreiding en toelichting
Een SBBI is een instelling die primair de particuliere belangen van een beperkte doelgroep behartigt met een sociale opdracht.9. Om als SBBI te worden gekwalificeerd gaat het erom dat het oogmerk niet particulier is, maar sociaal. De [A] Stichting heeft naar voren gebracht dat zij is opgericht teneinde haar vermogen aan een krachtige autonome sociale doelstelling te verbinden.10.
Anders dan het hof met de rechtbank (rov. 28) aanneemt, valt het begrip ‘sociaal’ in art 2:285 BW samen met het begrip ‘sociaal’ in artikel Se AWR. Dat er stichtingen zijn met andere doelstellingen dan sociale en/of ideële, en dat die stichtingen in verband met die doelen in strijd handelen met de tekst van het uitkeringenverbod, betekent niet dat het begrip ‘sociaal’ in de twee genoemde wetten verschillend moet worden uitgelegd. Uitkeringen van een stichting als de [A] Stichting, gedaan aan familieleden voor noodzakelijk levensonderhoud of studie, zijn dus zowel in de zin van het BW als in de zin van de AWR sociaal van aard.11.
Niet valt in te zien waarom het dienen van belangen van een familie van 140 mensen (waar het gaat om een noodvoorziening dan wel het vinden van een honorabel bestaan) resp. 300 mensen (waar het de cohesie betreft van een aanzienlijk grotere groep dan de groep bedoeld in artikel 13 statuten), en het actief bevorderen van een medische onderzoeksinstelling die past bij de waarden van die familie, niet een sociaal belang zou zijn in de zin van art. Se AWR, terwijl bijvoorbeeld een personeelsvereniging, een sportvereniging of een toneelvereniging wel als zodanig kan worden gekwalificeerd.12. Net zomin dus als van dergelijke verenigingen gezegd kan worden dat de maatschappij op geen enkele wijze is gebaat met de activiteiten van die verenigingen, kan dat worden gezegd van een stichting als de [A] Stichting.
Verder oordeelt het hof met de rechtbank (rov. 28) ten onrechte dat de door de stichting gesteunde maatschappelijke doelstelling (medisch onderzoek naar tinnitus) niet bijdraagt aan het sociale karakter van de stichting. Daarmee diskwalificeert het hof algemeen nuttige doelen per definitie als sociaal binnen de context van een SBBI, 13. terwijl deze activiteiten juist bijdragen aan de familiale cohesie, waardigheid en maatschappelijke betrokkenheid van de familieleden (artikel 3 lid 2 statuten).
Onbegrijpelijk is 's hots oordeel dat de donaties ten behoeve van onderzoek naar tinnitus in vergelijking met de verrichte uitkeringen aan familieleden beperkt zijn, nu de rechtbank in rov. 9 van haar uitspraak heeft vastgesteld dat in 2019 een bedrag van € 85.000 is gedoneerd aan medisch onderzoek nadat de statutenwijziging daar juridisch ruimte voor had gecreëerd. Dat bedrag vormt ca. 43% van het totaal aan uitkeringen in het jaar 2019, zodat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de donaties ten behoeve van onderzoek naar tinnitus in vergelijking met de verrichte uitkeringen aan familieleden niet beperkt zijn.
Onbegrijpelijk is voorts 's hots oordeel dat de stichting zich hoofdzakelijk richt op de familie, terwijl de stichting onweersproken heeft aangevoerd dat zij de revenuen van haar vermogen voorrnamelijk en op bestendige wijze accumuleert in plaats van uitkeert (omdat zij binnen de oorspronkelijke sociale doelstellingen onvoldoende bestedingsmogelijkheden had, reden waarom de doelomschrijving in 2018 is uitgebreid); alsmede dat de stichting steeds, zowel voor als na statutenwijziging, ruim minder dan 50% van haar inkomsten heeft uitgekeerd aan familieleden. Het hof had die omstandigheden (kenbaar) in zijn beoordeling moeten betrekken.
1.2
's Hofs oordeel in rov. 5.3 en 5.5 in samenhang met rov. 5.11 dat sprake is van een APV, omdat de stichting aan de wettelijke definitie daarvan voldoet, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk gemotiveerd om de navolgende, ook in hun onderlinge samenhang, in aanmerking te nemen redenen:
- (a)
Onder het ‘beogen van een particulier belang’ wordt door de wetgever een intentie op individuele belangen begrepen, waarbij doelbewust een spagaatpositie wordt gecreëerd des dat het vermogen niet meer bij de inbrenger in de heffing kan worden betrokken, en dat vermogen evenmin bij de begunstigde in aanmerking kan worden genomen omdat die geen of onvoldoende rechten ten aanzien van dat vermogen heeft (‘discretionair vermogen’), terwijl de ‘beheerder’ van het APV weet dat het vermogen wel degelijk bedoeld is voor die begunstigden, nu de beheerder het vertrouwen heeft gegeven aan de insteller dat hij doet wat de inbrenger wil 14.. Van dit alles is eenvoudigwe g geen sprake bij (een stichting als) de [A] Stichting (en dat i s ook niet door d e inspecteur aangevoerd). Het is dan ook onjuist dat de APV-regeling geen eisen stelt aan de intentie van degene die het vermogen afzondert (rov. 5.11).
Door het hof wordt in rov. 5.14.2 onderkend dat ‘de belangen die de wetgever heeft willen dienen met de APV-regeling liggen op het terrein van het tegengaan van een heffingslek (het via constructies creëren van een heffingsvacuüm en zo het uithollen van de heffingsgrondslag in Nederland bewerkstelligen)’. Niettemin heeft het hof daaraan ten onrechte geen gevolgen verbonden voor de kwalificatie van de stichting bij toepassing van artikel 2.14a Wet 18 2001, zulks in weerwil van de wettekst (‘waarmee (…) een particulier belang wordt beoogd’) en de bedoeling van de wetgever. Het hof heeft althans niet gemotiveerd welk heffingslek in het onderhavige geval dan gedicht zou moeten worden, ook al staat vast dat met de afzondering van het vermogen in de stichting niet het bedoelde oogmerk heeft bestaan noch bestaat.
De constatering in de Memorie van Toelichting15. dat ook ‘Nederlandse stichtingen worden gebruikt om belastingheffing te ontgaan’, dient op een concreet aanwijsbaar heffingslek te worden betrokken. Bedoeld wordt dat in het hedendaagse juridische landschap stichtingen worden gebruikt als middel om een zuiver private verdeling na te streven van vermogen, waarvoor stichtingen in het burger1ijk wetboek niet zijn bedoeld. Indien immers de beschikkingsmacht over een stichting blijft bij degene die vennogen heeft afgezonderd, handelt een stichting in strijd met het uitkeringenverbod omdat het verboden is een stichting op te richten die functioneert als een duplicatie van de insteller ervan.16. De aangewezen sanctie is dat een dergelijke stichting vatbaar is voor ontbinding door het OM wegens strijd met de wet17. en een uitkering door de stichting in strijd met het uitkeringenverbod bovendien vernietigbaar is18./19.. De [A] Stichting is echter een onafhankelijke en volledig autonome stichting, met een betekenisvolle governance, die niet transparant functioneert ten opzichte van haar stakeholders. Zij heeft een volledig sociaal-ideële doelstelling, die dient voor onbepaalde tijd.
Als, zoals in casu, geen sprake is van een dergelijk motief om belasting te ontgaan danwel misbruik te maken van de rechtsfiguur ‘stichting’ kán geen sprake zijn van een heffingsvacuüm. Het heffingsvacuüm wordt ten onrechte verondersteld aanwezig te zijn, terwijl daar geen (behoorlijke) wettelijke grondslag voor bestaat, waardoor in strijd met het legaliteitsbeginsel vermogen fictief wordt toegerekend aan (personen als) belanghebbende. Dat levert détoumement de pouvoir op, en dát is wat de overheid bij de burger terecht de reputatie van volstrekte onbetrouwbaarheid bezorgt. Dat gebeurt bovendien willens en wetens, tegen beter weten in20..
- (b)
Bovendien verlangt de wetgever voormelde intentie van de insteller van het APV, hetgeen ook blijkt uit de wettekst zelf: ‘een afgezonderd vermogen waarmee (…) een particulier belang wordt beoogd’21.. Het begrip afzonderen veronderstelt ook een handeling en intentie van degene die afzondert, zo blijkt helder uit de parlementaire geschiedenis van de APV-wetgeving. De Memorie van Toelichting begint het hoofdstuk over Afgezonderd Particulier Vermogen als volgt:22.:
‘Signalen uit de belastingdienst, maar ook uit andere EU-landen en daarbuiten maken duidelijk dat particuliere vermogens in toenemende mate worden afgezonderd om belastingheffing te ontgaan. Vooral bij de heffing van inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting ontstaat bij gebruikmaking van afgezonderde particuliere vermogens een ongewenst heffingsvacuüm. Het bekendste voorbeeld van een afgezonderd particulier vermogen is de Anglo-Amerikaanse trust. Maar onder afgezonderde particuliere vermogens dienen ook te worden begrepen allerlei buitenlandse Stiftungen, Anstalts, Antilliaanse stichtingen particulier fonds, foundations, Treuhands, enzovoorts. Ook Nederlandse stichtingen die geen of slechts incidenteel een algemeen nut beogen, en ook geen of slechts incidenteel een sociaal belang behartigen, worden gebruikt om belastingheffing te ontgaan. Het onderscheidend criterium om te spreken van het ontgaan van belasting is de vaststelling of met het afgezonderde vermogen meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd. ‘(…)
Zo creëert de inbrenger doelbewust een spagaatpositie: het geld is niet van hem en nog niet van de begunstigden, maar het is wel voor hen bedoeld, zo weet ook de beheerder. Geen inbrenger draagt immers vermogen over aan een beheerder over zonder zeker te weten dat het vermogen toekomt aan de begunstigden die hij aanwijst. De inbrenger koopt zogezegd met een afgezonderd particulier vermogen ‘vertrouwen’ (‘trust’) dat de beheerder of bestuurder van het afgezonderd particulier vermogen doet wat de inbrenger wil.’
Nu partijen het erover eens zijn dat de afzondering door [C] niet heeft plaatsgevonden om fiscale redenen of ter vermijding van belastingen, kan niet worden geoordeeld dat er een particulier belang is beoogd met [C's] afzondering van zijn vermogen in 1907. Alleen hierdoor vallen stichtingen en verenigingen die meer dan 100 jaar geleden in het leven zijn geroepen al buiten de werkingssfeer van het APV-regime, nu in die tijd familiestichtingen (en -verenigingen) niet om fiscale redenen werden gebruikt23..
Dit alles wordt ook door de wetgever bevestigd in de parlementaire geschiedenis van de APV wetgeving24.:
‘Omdat het instellen van onduidelijke (buitenlandse) APV's een fenomeen is van de laatste decennia zal vanaf 2010 in de meeste situaties toerekening plaatsvinden aan de inbrenger omdat deze persoon veelal nog niet zal zijn overleden.’25.
Ook wordt uit de toelichting duidelijk dat het ‘particuliere belang’ dat dient te worden beoogd om in aanmerking te komen voor een kwalificatie als APV gericht is op een belang, dat volgens de wetgever leidt tot een ongewenst heffingsvacuüm voor zowel inkomstenbelasting als schenk- en erfbelasting en de feitelijke draagkracht van de inbrenger respectievelijk erfgenamen niet vermindert.
- (c)
Het Hof leidt met de Rechtbank het beogen van een particulier belang ten onrechte af uit het dienen van een particulier belang door de stichting26., wat in strijd is met de wettekst en bedoeling van de wetgever. Juist vanwege het anti-misbruik karakter van de regeling dient precies te worden voldaan aan de voorwaarden om te kunnen spreken van een APV, waarbij de bewijslast bovendien op de inspecteur rust.
Het eenvoudige feit dat sommige belangen van bepaalde familieleden worden gediend door prestaties van de stichting, maakt niet dat met het afgezonderde vermogen een particulier belang wordt beoogd. Ook mensen in nood die worden geholpen door het Rode Kruis, een algemeen nut beogende instelling, hebben baat bij die prestaties en hun belangen worden dan ook gediend. Dat maakt niet dat het Rode Kruis hun particuliere belangen beoogt, maar dat zij onderwerp zijn van een andere, abstractere doelstelling van het Rode Kruis, te weten het oogmerk om mensen in nood te helpen.
Het begrip ‘beogen’ dient dan ook juridisch te worden gewogen vanuit de intentie die daaraan ten grondslag ligt en kan niet worden gemeten aan de hand van bepaalde cijfermatige uitkeringen.
In de parlementaire geschiedenis27. blijkt helder wat is bedoeld, waar wordt ingegaan op de vraag een toelichting te geven op de stelling (in de MvT) dat geen enkele inbrenger ‘immers’ vermogen overdraagt aan een beheerder zonder zeker te weten dat het vermogen toekomt aan de begunstigden die hij aanwijst. De Staatssecretaris maakt in antwoord op deze vraag een vergelijking tussen een ANBI en een APV:
‘Bij een ANBI doet de schenker definitief afstand van het vermogen en kan er niet meer over beschikken. Het bestuur van de ANBI krijgt de beschikkingsbevoegdheid om het geschonken gekregen vermogen conform haar doe/stellingen aan te wenden. Bij een APV ligt het anders: het bestuur van het APV moet het ontvangen vermogen conform de wensen van de inbrenger aanwenden ten behoeve van het particuliere belang. In bepaalde APV's wordt op papier de beheerder vrije beschikkingsbevoegdheid toegekend, maar in de praktijk wordt aan de veelal onbekende beheerder in een belastingparadijs maar weinig discretionaire ruimte overgelaten. Via — voor de inspecteur onzichtbare — instructies wordt de beheerder geïnstrueerd hoe te handelen. Dit kan ik me ook goed voorstellen: als je de bedoeling hebt vermogen af te zonderen voor bijvoorbeeld familieleden dan wilje ook zeker weten dat dit vermogen bij hen terechtkomt op een manier zoals jij het wilt.’
Het verweerschrift in hoger beroep betoogt in lijn hiermee dat de APV-wetgeving ten doel heeft om vermogen en inkomen te belasten bij personen/ families dat anders buiten de belastingheffing blijft terwijl dit vermogen en inkomen ter beschikking staat van deze personen/ families28..
Volgens de parlementaire geschiedenis gaat het om een situatie waarbij de economische werkelijkheid afwijkt van de juridische vormgeving29. en wordt juist ‘uitgegaan van de feitelijke verdeling’ door per erfgenaam de wettelijke verdeling te volgen30..
Rechtbank en hof maken echter niet duidelijk op basis waarvan het vermogen van de [A] Stichting, in weerwil van haar statuten en rechtspersoonlijkheid, in de ‘economische werkelijkheid’ en ‘feitelijk’ ter beschikking staat van belanghebbende en andere familieleden.
Vast staat dat het bestuur van de [A] Stichting het vermogen uitsluitend conform haar doelstellingen mag aanwenden en dat individuele familieleden op geen enkele wijze enige beschikkingsmacht over het vermogen hebben. En voorts dat het vermogen en het inkomen niet ter beschikking staan van enige persoon, maar zijn gebonden aan de doelstellingen van de stichting die beperkt zijn tot ‘behoeftigheid’, ‘honorabel bestaan vinden’ en sinds 2018 een maatschappelijke doelstelling. Het vermogen kan niet worden uitgekeerd buiten haar strikte doelstellingen en bij ontbinding gaat het vermogen naar een ANBI en/of SBBI. Ook dat staat vast.
Ook de wetgever zelf legt het beogen van een particulier belang veel beperkter uit dan rechtbank en hof uit de feiten afleiden, en geeft aan dat van een APV sprake is als het gaat om een instelling die zich niet begeeft op het terrein van het algemene nut of een sociaal belang en dat dit bovendien kwalitatieve criteria zijn:
‘De vraag of kwantitatieve criteria zijn te geven voor een APV beantwoord ik (…) ontkennend. De vermelde rechtsfiguren kennen geen eigendomstitels of economische dee/gerechtigdheden, hetgeen een kwantitatiefcriterium in de weg staat. (…) De vraag of kwalitatieve criteria zijn te geven beantwoord ik bevestigend. Het gaat om een instelling die meer dan bijkomstig een particulier belang dient en zich dus niet begeeft op het terrein van het algemene nut of het sociale belang.’31.
De [A] Stichting zelf beoogt louter sociale (binnen de diverse familiale verbanden)32. en ideële doelen en daarmee geen louter particuliere belangen oftewel individuele belangen. De [A] Stichting dient particuliere belangen, die een sociale of ideële doelstelling hebben. Daarmee voldoet zij niet aan de definitie van een APV.
- (d)
Het hof miskent met de rechtbank dat onder de zinsnede:
‘waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd’
in de zin van artikel 2.14a lid 2 Wet 1B 2001 wordt verstaan dat het gebruik van een APV dienstig is aan de eigen private doelstellingen van de insteller en daar ondergeschikt aan is, door middel van een samenstel van afspraken met ‘de beheerder’. Door gebruik van het woord ‘waarmee’ blijkt duidelijk dat het vermogen dienstig is aan het oogmerk van de insteller.
Het APV-regime is van toepassing op onduidelijke rechtsfiguren waarbij geen volledige autonomie en beschikkingsbevoegdheid bestaat bij ‘de beheerder’, nu deze via een samenstel van afspraken en overeenkomsten, side-letters, letters of wishes of andere wijzen van materiële zeggenschap of beschikkingsmacht33. van de insteller zich gebonden acht aan het door de insteller resp. diens erfgenamen bedongen vertrouwen. Een APV is daarmee als middel ondergeschikt aan de wil van de insteller, resp. diens erfgenamen. Het gaat daarom om een (op papier) discretionaire bevoegdheid, die echter ten behoeve van de werkelijke belanghebbenden wordt uitgeoefend. pe insteller beoogt met 0uridisch niet bindende) instructies het vertrouwen te bedingen bij de beheerder om ervoor te zorgen dat het beoogde particuliere belang wordt bereikt34.. In die situaties kan ook inderdaad worden gesproken van een heffingslek, omdat in feite het afgezonderde vermogen nog steeds onder controle staat van de insteller maar daar niet langer belastbaar is.
Het beogen in de zin van de APV-wetgeving ziet dan ook op de doelstelling waarmee een APV met (juridisch niet bindende) instructies wordt opgezadeld. In zoverre de instructies wel juridisch bindend zijn, is er geen sprake van een onduidelijke rechtsfiguur en kan het fiscale recht daar wel mee uit de voeten. Daarom ziet de APV-wetgeving alleen op het z.g. discretionaire deel van het vermogen.
Hoewel het APV dus wel ‘discretionair is’, is het tegelijk niet volledig autonoom door de (niet juridisch bindende) instructies van de insteller en juist dit vormt de rechtvaardiging voor het fiscaal toerekenen aan particulieren in strijd met de civielrechtelijke werkelijkheid. In de casuïstiek zoals tot op heden berecht, was steeds sprake van een APV die in feite een verlengstuk was van de insteller (door middel van een Wunschbrief, letter of wishes of andere informele aanwijzingsbevoegdheid). De inbrenger heeft bij ‘de beheerder’ van het APV vertrouwen bedongen ter uitvoering van zijn zuiver vermogensrechtelijke intenties. In zoverre is de beheerder niet autonoom, maar gebonden aan zijn principaal, in een onduidelijke juridische configuratie.
Ook Nederlandse stichtingen kunnen worden ingezet voor zuiver private doeleinden van de insteller, hoewel daarvan kan worden gezegd dat deze stichtingen niet voldoen aan artikel 2:285 lid 3 BW en/of dat misbruik wordt gemaakt van rechtspersoonlijkheid en daarmee ook een onduidelijke rechtsfiguur zijn in ons recht35..
Ten onrechte heeft het hof zich geen rekenschap gegeven van de tekst en bedoeling van artikel 2.14a Wet IB 2001, door volledig voorbij te gaan aan het feit dat de [A] Stichting volledig autonoom en beschikkingsbevoegd is, zonder dat er enige (niet juridisch bindende) instructies bestaan van enige andere persoon. De stichting heeft louter sociale en ideële doelstellingen in de zin van artikel 2:285 lid 3 BW (het uitkeringenverbod). Haar doelstellingen en activiteiten accorderen volledig met het dynamische Nederlandse stichtingenrecht: onbaatzuchtig, niemand heeft enig recht, noch op informatie, noch op verantwoording. De stichting heeft juridisch, feitelijk, direct en indirect uitsluitend verplichtingen jegens de rechtspersoon zelf en niet jegens de insteller of diens wettelijke erfgenamen.
- (e)
Het Hof oordeelt ten onrechte dat met het vermogen van de [A] Stichting meer dan Incidenteel een particulier belang wordt beoogd. Uit de feiten blijkt dat van de inkomsten niet meer dan ca. 20% aan de sociale doelstelling wordt uitgekeerd, terwijl de familie geen recht heeft op geaccumuleerde inkomsten en het vermogen van de stichting36. In het totaal van de doelstellingen en activiteiten van de stichting ligt het daarom voor de hand dat, voor zover al sprake is van het beogen van een particulier belang, dit niet kwalificeert als ‘meer dan incidenteel’37..
1.3
's Hofs oordeel in rov. 5.5 dat geen sprake is van een overig doelvermogen, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk gemotiveerd om de navolgende, ook in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen redenen38.:
- (a)
Het Hof gaat uit van een verkeerde maatstaf waar het overweegt dat het bedoelde vermogen niet meer dan bijkomstig een particulier belang dient, wil sprake zijn van ‘overig doelvermogen’, nu de wet eist dat met de afzondering van het vermogen een meer dan bijkomstig particulier vermogen wordt beoogd (zie hiervoor onderdeel 1.2, specifiek sub (c) en sub (d)).
- (b)
Het hof miskent dat de APV-regeling een lex specialis is, als gevolg waarvan een stichting als ‘overig doelvermogen’ moet worden aangemerkt, tenzij de feiten geen andere conclusie toelaten dan dat met het afgezonderde vermogen meer dan incidenteel een particulier belang wordt beoogd. Het hof doet ten onrechte het omgekeerde, door eerst te stellen dat de stichting voldoet aan de wettelijke definitie van een APV en vervolgens te oordelen dat het daarom geen overig doelvermogen kan zijn zonder het onderscheid tussen die twee verschillende regimes onder ogen te zien. Het hof stelt in rov. 5.14.2 dat de APV wetgeving is ingevoerd om het belang van het tegengaan van constructies die de Nederlandse heffingsgrondslag uithollen, te bestrijden, maar trekt daar ten onrechte niet de conclusie uit dat dit een uitzondering vormt op de reguliere fiscale kwalificatie van een stichting, een ‘overig doelvermogen’ (niet zijnde een speciale vorm zoals ANBI, SBBI, APV). De staatssecretaris doet het voorkomen alsof elke stichting de verwezenlijking vormt van de subjectieve, private intenties van degene die vermogen overdraagt aan die stichting, en gaat aldus in wezen uit van een fictie. Dat is echter niet de bedoeling van de wetgever. De kwalificatie ‘APV’ dient gedragen te worden door de feiten. De groep ‘overige doelvermogens’ is dan ook aanzienlijk groter dan het hof met de rechtbank voor ogen heeft.
Om legitiem te zijn, dient een op misbruik gerichte fiscale rechtsfictie te beschikken over waarborgen die haar bereik beperken tot het daadwerkelijke misbruik. Voor zover dat niet het geval is, dient de rechtsfictie restrictief te worden uitgelegd39.. Een fiscale rechtsfictie dient waarachtig te zijn, wat betekent dat zij oprecht moet zijn in haar bedoeling, eerlijk in haar communicatie en rechtvaardig in haar gevolgen40..
De Coördinatiegroep Constructiebestrijding heeft vanaf de invoering van de APV-wetgeving betoogd dat er geen plaats is voor een overig doelvermogen naast de kwalificaties ANSI, SBBI en APV. In het kwalificatieschema Nederlandse stichtingen dat zij opstelde komt een overig doelvermogen in het geheel niet voor41.. In de parlementaire geschiedenis is alleen in antwoord op een vraag ingegaan op de mogelijkheid van een overig doelvermogen, waarbij blijkt dat de staatssecretaris meent dat de APV de grondvorm is en het overig doelvermogen een uitzondering:
‘Het antwoord of sprake is van een overig doe/vermogen hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van ieder APV’ 42..
Deze fictieve ‘natrekkingsgregel’ is niet verenigbaar met de redenen waarmee de APV-wetgeving is gemotiveerd. De APV-regeling ziet volgens de wetgever immers op onduidelijke juridische rechtsfiguren waarbij het fiscale recht niet langer uit de voeten kan met een naar Nederlandse begrippen onduidelijke civielrechtelijke duiding en waarmee een heffingslek dient te worden gedicht. De staatssecretaris licht toe:
‘Daarom is voor het discretionaire gedeelte van onduidelijke (buitenlandse) rechtsfiguren gekozen voor een robuust stelsel waarin de economische werkelijkheid prevaleert boven de juridische vormgeving’43..
Het onduidelijke van de bedoelde rechtsfiguren wordt toegelicht met de omstandigheid dat het APV in feite een verlengstuk is van de oprichter die door middel van een samenstel van afspraken, side-letters, letters of wishes en dergelijke de materiële zeggenschap of beschikkingsmacht houdt44.. Ook wordt benoemd dat een APV zelf niet onderworpen is aan belastingheffing omdat de beheerder geen economisch belang heeft bij het vermogen, terwijl de begunstigden (hoewel zonder concrete rechten) dat juist wel zijn.
Dit alles is geldt niet voor (een stichting als) de [A] Stichting, waarvan vaststaat dat die een volledig autonome en beschikkingsbevoegde rechtspersoon is, die subjectief is onderworpen aan de vennootschapsbelasting. De statuten van de stichting zijn haar constitutie en haar organen zijn volledig bevoegd om daar uitdrukking aan te geven. De governance van de stichting is niet democratisch en niet transparant. De familieleden hebben geen enkele aanspraak op het vermogen van de stichting en kunnen alleen onder duidelijk omschreven omstandigheden een aanvraag doen voor een uitkering. Er is geen enkele onduidelijke relatie tussen de respectievelijke familieleden in de uitgebreide stamboom en de stichting. Belanghebbende is uitgekozen voor deze proefprocedure omdat haar zoon de directeur is van de stichting en het ondenkbaar is om uit te leggen aan andere toegerekenden dat aan hen een aanslag wordt opgelegd terzake van het vermogen van de stichting.
Onderdeel 2. Is de toerekening aan belanghebbende terecht?
In rov. 5.8.1 (i.v.m. de rov. 33 en 34 van het vonnis van de rechtbank) en rov. 5.8.2 oordeelt het hof dat belanghebbende fictief erfgenaam is op grond van artikel 2.14a lid 4 Wet IB 2001, en dat de broers en zusters van de in 1907 overleden [B] door hem zijn onterfd artikel 2.14a lid 4 Wet IB 2001, waarbij het hof voorts het volgende overweegt: (rov. 5.8.2) :
‘Indien uitsluitend expliciete onterving onder de APV-regeling gebracht zou kunnen worden, zou de term ‘onterven’ juist eng worden uitgelegd en waarschijnlijk al snel tot een dode letter verworden.’
In rov. 5.9 oordeelt het hof voorts dat belanghebbende is aan te merken als begunstigde van de stichting omdat zij valt onder het bereik van artikel 13, waarmee belanghebbende volgens het hof ook erfgenaam is als bedoeld in de tweede volzin van lid 1 van artikel 2.14a Wet IB 2001.
In rov. 5.10 oordeelt het hof dat belanghebbende geen baat heeft bij de tegenbewijsregeling van artikel 2.14a lid 6 Wet IB 2001 en dat de tweede en derde volzin van het eerste lid van artikel 2.14a Wet IB 2001 op haar van toepassing zijn.
In rov. 5.11 oordeelt het hof tenslotte dat aan dit alles niet afdoet, dat de oprichter met het oprichten van de stichting en het afscheiden van het vermogen nimmer een anti-fiscaal doel heeft gehad.
2.1
's Hofs oordeel in rov. 5.8.1 en rov. 5.8.2 in samenhang met rov. 5.9 en rov. 5.11 dat het vermogen van de stichting aan belanghebbende dient te wordt toegerekend op basis van de APV-wetgeving geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk gemotiveerd om de navolgende, ook in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen redenen:
- (a)
De oprichter heeft de stichting als enig erfgenaam benoemd, als gevolg waarvan belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een afstammeling van een persoon die is onterfd (in de zin van artikel 2.14a lid 4 Wet IB 2001) door [B]45..
Het hof onderkent dat het begrip onterving in civielrechtelijke zin uitsluitend de negatieve wilsbeschikking omvat (‘ik onterf mijn broers en zussen’), maar meent niettemin dat de APVregelgeving van toepassing is in elke situatie waarin met de benoeming van een erfgenaam wordt afgeweken van het wettelijk versterferfrecht (dus in gevallen van ‘impliciete onterving’). De wettekst noch de parlementaire geschiedenis geeft aanleiding tot een dergelijk oordeel. Volgens de memorie van toelichting dient het begrip ‘erfgenaam’ voor toepassing van het APV-regime in beginsel overeenkomstig het burgerlijk wetboek te worden uitgelegd. Dat betekent bijv. dat iemand die onwaardig is om te erven (4:3 BW) en degene die uit de uiterste wilsbeschikking geen voordeel kan genieten (art. 4:57 e.v. BW) voor fiscale doeleinden ook geen erfgenaam is46.. Het Handboek Erfrecht47. stelt dat het benoemen van een enig erfgenaam ‘vanzelfsprekend’ geen echte onterving is. Dat is alleen al niet het geval omdat die personen die worden overgeslagen in een testament wel in aanmerking komen voor plaatsvervulling in tegenstelling tot expliciet onterfde personen. Er zijn substantiële civielrechtelijke verschillen in rechtsgevolg tussen een negatieve wilsbeschikking (‘expliciete onterving’) en het eenvoudigweg negeren van een wettelijk erfgenaam in een testament of de wettelijke erfgenamen te benoemen in een andere dan de wettelijke verhouding48.. De wetgever heeft nergens aangegeven dat het begrip ‘onterfd’ ruimer dient te worden opgevat dan het civielrechtelijke begrip, maar integendeel duidelijk gemaakt dat alleen de expliciete onterving wordt bedoeld. Dat blijkt ook uit het antwoord van de staatssecretaris op de Kamervraag hoe de heffing verloopt ter zake van trustvermogen ingeval de erflater de Staat tot enig erfgenaam benoemt. De staatssecretaris antwoordde:
‘Ik begrijp de vraag van de VVD-fractie als aan de vraag wordt toegevoegd dat de wettelijke erfgenamen van de inbrenger weliswaar de begunstigden zijn van de trust maar dat zij zijn onterfd. Er zou dan een heffingslek ontstaan.’ 49.
Hieruit blijkt evident dat de wetgever het louter benoemen van een andere erfgenaam niet gelijk stelt met een onterving, en dat het begrip onterving derhalve conform Boek 4 van het BW dient te worden geduid. Dit volgt ook logisch uit het systeem van de wet. Door elke afwijking van het versterferfrecht te zien als impliciete onterving bestaat ten aanzien van een persoon met een afgezonderd vermogen niet langer enige testeervrijheid. Dat is een dramatische afwijking van het civiele recht, dat in artikel 4:4 lid 1 BW juist de testeervrijheid als een dwingendrechtelijk en hoogstpersoonlijk recht kwalificeert; elke (contractuele) inbreuk op de testeervrijheid is dan ook nietig.
Daarmee gaat het APV-regime aanzienlijk verder dan noodzakelijk is voor het beoogde doel en is sprake van overkill. Het afgezonderde vermogen wordt dan immers niet op gelijke wijze behandeld als vermogen dat niet is afgezonderd; er ontstaat een ongelijkheid tussen particulieren wier voorouders wel een vermogen hebben afgezonderd en particulieren die dat niet hebben gedaan wat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.50.
De motivering die het Hof gebruikt in rov. 5.8, te weten dat met de gekozen terminologie een ruim toepassingsbereik is beoogd om allerhande constructies binnen de familie onder de werking van het artikel te kunnen brengen is bovendien onjuist nu de wetgever hiermee refereert aan de antimisbruik terminologie ten aanzien van het begrip begunstigde in 2.14a lid 4 Wet IB 2001:
‘… die rechtens, dan wel in feite, direct of indirect begunstigde is’51..
- (b)
Het hof miskent (rov. 5.8 en 5.11) met de rechtbank (rov. 34) dat de toegevoegde fictie in artikel 2.14a lid 4 Wet IB 2001 een zuivere misbruikbepaling is ten opzichte van de toepassing van de hoofdregel van de APV wetgeving52..
Het vierde en zesde lid van artikel 2.14a Wet IB 2001 zijn toegevoegd bij Nota van Wijziging om te voorkómen dat de APV-wetgeving ‘al snel een dode letter zou worden’ en is gericht op manipulatie van de fictieve toerekening op basis van de APV-wetgeving zelf.
Hoewel door hof en rechtbank wordt erkend dat het gaat om een additionele fictie die ertoe strekt te voorkómen dat de toerekening op basis van de APV-wetgeving wordt ontgaan door bloed- of aanverwanten te onterven maar hen wel als begunstigde van het APV aan te merken wordt miskend dat dit zich naar zijn aard nimmer voor heeft kunnen doen in situaties waar testamenten ver vóór inwerkingtreding van de APV-wetgeving zijn opgesteld, zoals in de onderhavige casus. Daarmee wordt de APV-wetgeving met een terugwerkende kracht ingevoerd, wat leidt tot een substantiële overkill die geen enkel gerechtvaardigd doel dient. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met de fictie van artikel 2.14a lid 4 Wet IB 2001 wordt gedoeld op ‘bijzondere gevallen’, de zogeheten ‘ontervingsconstructies’, waarvan de staatssecretaris verwacht dat zij — juist door deze maatregel — ‘niet veel zullen voorkomen’53. of maar ‘beter kan vermijden’54..
Het is bij die stand van zaken in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om belanghebbende tegen te werpen dat geen overgangsrecht van toepassing is, zoals hof en rechtbank (rov. 34) doen. Weliswaar heeft de wetgever het APV-regime van toepassing willen laten zijn op vrijwel alle bestaande APV's, maar dat laat onverlet dat (het ontbreken van) een misbruikoogmerk ten aanzien van de toerekening van vermogensbestanddelen op de voet van de werking van de APV-wetgeving zelf in artikel 2.14a lid 4 en lid 6 Wet IB 2001 zich uitsluitend kan voordoen bij testamenten die zijn opgesteld vanaf 2010. Door de bepalingen van het vierde en zesde lid van artikel 2.14a Wet IB ook uit te doen strekken tot testamentaire makingen die dateren van ver vóór inwerkingtreding van de APV-wetgeving, ontstaat een overkill die niet gerechtvaardigd is. Bij een juiste uitleg van de wettelijke bepalingen bestaat bovendien geen behoefte aan overgangsrecht55..
- (c)
Het hof miskent in rov. 5.9 dat, hoewel belanghebbende als erfgenaam wordt aangemerkt als bedoeld in de tweede volzin van artikel 2.14a lid 1 Wet IB 2001, dit niet meebrengt zoals het Hof impliciet veronderstelt, dat de toerekening van het vermogen van de stichting aan de hand van de stamboom van de erflater kan geschieden. De broers en zussen van [B] zijn niet als erfgenaam benoemd en hebben dus een verkrijging krachtens erfrecht van nihil, zodat toepassing van artikel 2.14a lid 1 Wet IB 2001 nog steeds tot gevolg heeft dat aan belanghebbende niets wordt toegerekend. De techniek van de APV-wetgeving impliceert niet dat met terugwerkende kracht vermogen fictief wordt toegerekend aan (al dan niet onterfde) versterf erfgenamen over verschillende generaties, voordat de APV-wetgeving in werking is getreden. Het ‘terugbrengen’ van fictieve erfgenamen binnen de groep van erfgenamen heeft met andere woorden nog niet tot gevolg dat ook het vermogen van de stichting via een stamboom van verervingen wordt toegerekend. Dat zou niet alleen betekenen dat [B] geen testeervrijheid heeft, maar de familieleden door de generaties voor inwerkingtreding van het APV-regime evenmin. De wetgever heeft dit onderkend en hierover het volgende gezegd in reactie op een aantekening in Vakstudie Nieuws56.:
‘De onterfde begunstigden verkrijgen niets krachtens erfrecht, hun erfgenaamschap is immers een fiscale fictie. De toerekening zou dan nihil bedragen. Dat kan volgens de redactie — terecht — niet de bedoeling zijn. We moeten in een dergelijk geval namelijk toerekenen mede op basis van de omvang van de begunstiging. Probeert men via gehele of gedeeltelijke onterving aan de ene kant en (grotere) begunstiging aan de andere een situatie te creëren die materieel overeenkomt met een gebruikelijke erfrechtelijke verdeling, dan komt de onderhavige bepaling in beeld. Het gaat hier derhalve om uitzonderlijke situaties (…) waarvan ik op voorhand al aangeefdat men deze beter kan vermijden’.
De opmerking van de staatssecretaris dat toerekening ‘mede’ op basis van de omvang van de begunstiging zou moeten plaatsvinden, heeft overigens geen grond in tekst of strekking van de wet. Afgezien van de uitzonderingsbepaling van artikel 2.14a lid 5 Wet IB 2001, die hier niet aan de orde is, wordt immers juist gekozen voor toerekening aan de erfgenamen in de verhouding waarin zij verkrijger krachtens erfrecht zijn en juist niet op basis van potentiële begunstiging. Een toerekening aan de hand van ieders procentuele erfdeel bij versterf (‘de stamboom’) is in deze casus echter arbitrair57..
- (d)
Het hof negeert voorts ten onrechte de samenhang tussen artikel 2.14a lid 4 en lid 6 laatste volzin Wet IB 2001, inhoudende dat het fictieve erfgenaamschap ingeval van de onterving bedoeld in lid 4 slechts gevolg heeft indien uit de feiten kan worden vastgesteld dat (artikel 2.14a lid 6 laatste volzin Wet IB 2001) de erfopvolging in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen van de toerekening op de voet van de APV-wetgeving58..
In de parlementaire geschiedenis worden de toepasselijkheid van lid 4 en lid 6, laatste volzin in samenhang gemotiveerd en alleen dan kan zij als consistent worden gekwalificeerd.
Dat blijkt ten eerste uit de wettekst van artikel 2.14a lid 6 laatste volzin zelf. Het feit dat hier wordt gerefereerd aan ‘het geheel of gedeelte/ijk ontgaan of uitstellen van de in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening’ geeft eenduidig aan dat dit artikellid ook van toepassing is op de situatie als bedoeld in lid 4 (het onterven van een versterf erfgenaam). Indien de tekst van lid 6 laatste volzin alleen van toepassing zou zijn op een verdeling tussen erfgenamen en derhalve niet van toepassing zou zijn op onterfde erfgenamen, dan zou het woord ‘geheel’ in de zin van ‘het geheel ontgaan’ zinledig zijn in deze wettekst. Immers, indien bijv. een in het buitenland woonachtige erfgenaam voor 99% wordt benoemd als erfgenaam en een in Nederland woonachtige erfgenaam voor 1%, dan is geen sprake van ‘geheel’ ontgaan van de toerekening als bedoeld volgens de hoofdregel van de APV-wetgeving.
Ook blijkt dit helder uit de parlementaire toelichting bij de Nota van Wijziging59., de Nota naar aanleiding van het Nader Verslag60. en expliciet in de brief van de staatssecretaris aan de voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 29 oktober 200961.:
‘Bij een onterfde persoon wordt in de praktijk vooral gedoeld op (klein-)kinderen, (groot)ouders, broers, zusters van de erflater die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap zouden kunnen worden geroepen maar krachtens uiterste wilsbeschikking zijn uitgesloten. De gekozen terminologie beoogt een ruim toepassingsbereik om allerhande constructies binnen de familie onder het toepassingsbereik van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 te laten vallen. Bedacht dient wel te worden dat het ook hier om uitzonderingssituaties gaat en de inspecteur een tegenbewijsmogelijk(heid) krijgt. De inspecteur dient wel te beschikken over zeer zwaarwegende bewijzen om af te wijken van het testament en toe te rekenen op een wijze die in wezen aansluit bij de echte bedoelingen van partijen.’
Daarmee is de onjuistheid aangetoond van de redenering die hof (rov. 5.8.2) en rechtbank (rov. 34) beide hanteren met betrekking tot het vierde lid. De erfgenamen bij versterf kunnen immers wel degelijk in de plaats treden van de testamentaire erfgenaam in geval van een impliciete onterving, mits wordt aangetoond dat deze wijze van testeren is ingegeven door de wens om de toerekening aan de wettelijke versterf-erfgenamen te frustreren (lid 6, laatste volzin).
Ten derde blijkt dit uit het feit dat zonder deze samenhang van het vierde en zesde lid, de wettekst in de laatste volzin van lid 6 zinledig is. In de parlementaire geschiedenis is toegelicht dat ook gedeeltelijk onterfde personen onder de reikwijdte van het vierde en impliciet het zesde lid vallen62.. Elke beïnvloeding van een testamentaire beschikking die erop gericht is de APV-regeling te frustreren brengt ook een partiële impliciete onterving van een of meer erfgenamen bij versterf mee. In de uitleg van Rechtbank en Hof is kan dus in alle gevallen het vierde lid worden ingeroepen, waarmee de oogmerktoets van het zesde lid kan worden ontlopen. Omdat ook een gedeeltelijke onterving onder lid 4 valt, zou de inspecteur geen enkele bewijslast hebben ten aanzien van de intentie van de erflater om de toerekening op de voet van de APV-regeling te frustreren63.. Dan is het resultaat dat, in weerwil van de tekst en toelichting van deze bepalingen, geen enkele waarborg bestaat voor belanghebbenden dat de heffing overeenstemt met de echte bedoelingen van partijen. Dan stapelt men fictie op fictie, wordt de constructie die de wetgever hier gebruikt een instrument voor willekeur, en komt de regeling systematisch gezien met zichzelf in tegenspraak of komt men uit op een petitio principii64..
2.2
's Hofs oordeel in rov. 5.9 in samenhang met rov. 5.10 en rov. 5.11 dat de vooroverleden echtgenoot van belanghebbende en daarmee belanghebbende voldoet aan de begunstigingseis van het vierde lid, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk gemotiveerd om de navolgende, ook in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen redenen:
- (a)
Het hof gaat volledig voorbij gaat aan de realiteit van deze casus, waarbij b elanghebbende geen begunstigde van een APV is zoals bedoeld door de wetgever in het vierde lid65..
Immers, vaststaat dat de oprichter van de stichting juist niet de bedoeling had om het vermogen via de stichting en daarbij uiteindelijk, via een ‘beheerder’ ten goede te laten komen aan zijn versterferfgenamen. De oprichter heeft juist een stichting met een sociale doelstelling in het leven geroepen, teneinde niemand van de versterfnakomelingen enig vermogensrechtelijk feitelijk of informeel recht te doen toekomen. Het vermogen is beklemd in een maatschappelijke en sociale doelstelling (zie artikel 17 statuten) en de inkomsten kunnen eveneens uitsluitend ten goede komen aan haar sociale en ideële doelen.
Juist vanwege de verstrekkende consequenties van de APV-wetgeving, waarbij het gehele vermogen pro rata wordt toegerekend aan particulieren via gestapelde wetsficties, dient er een gerechtvaardigd verband te bestaan met degenen aan wie wordt toegerekend. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met het begrip begunstigde wordt gedoeld op een belanghebbende, die weliswaar geen juridisch afdwingbaar recht heeft, maar wel informele c.q. juridisch onduidelijke aanspraken heeft, die de tegenhanger vormen van de fiduciaire verplichtingen van de ‘beheerder’ jegens de begunstigden. Ook is het helder dat de parlementaire geschiedenis het oog heeft gehad op de discretionary trust en vergelijkbare ‘onduidelijke’ fiduciaire rechtsfiguren zoals trust-achtige stichtingen in Liechtenstein, Jersey, Guersney, etc.66. In al deze rechtsfiguren is volgens de wetgever sprake van een ‘feitelijke verdeling’67. ten behoeve van de begunstigden, en de APV-wetgeving strekt ertoe aan te sluiten bij ‘de economische werkelijkheid’68..
Hiermee is niet in overeenstemming te brengen dat artikel 13 van de statuten van de stichting de groep van mensen beperkt die gerechtigd is tot het genieten van een financiële bijdrage in overeenstemming met de doelstelling, in aanmerking nemende de overige kenmerken van de stichting, waaruit blijkt dat er geen relatie is tussen het vermogen van de stichting en de familieleden volgens de stamboom als ‘begunstigden’:
- (i)
het vermogen van de stichting kan niet worden uitgekeerd aan de mensen die zijn genoemd in artikel 13;
- (ii)
Inkomsten kunnen alleen voor strikt omschreven doeleinden worden besteed. Inkomsten worden hoofdzakelijk toegevoegd aan het kapitaal en daarmee blijvend buiten het bereik van de familie gebracht;
- (iii)
de maatschappelijke doelstelling van de stichting;
- (iv)
het feit dat de definitie van familie in artikel 13 sterk afwijkt van de ‘stamboom’ van de familie volgens het versterferfrecht, door de beperkte formulering in de vrouwelijke lijn. In feite vormt de groep familieleden uit de stamboom die niet onder artikel 13 statuten valt inmiddels een meerderheid van de totale groep uit de stamboom69..
Zelfs als al gesproken zou kunnen worden van een ‘begunstigde’, is dat slechts voor een klein gedeelte het geval. Het hof geen ten onrechte geen aandacht besteed aan de gevolgtrekking dat het eerder voor de hand ligt de familieleden ex artikel 13 statuten slechts voor minder dan 10% als begunstigde aan te merken van de [A] Stichting70..
- (b)
Het hof meent dat belanghebbende niet geslaagd is in de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren dat zij geen begunstigde is en ook nimmer kan worden (artikel 2.14a lid 6,e eerste volzin Wet IB 2001), waarbij het ten onrechte geen aandacht besteedt aan het feit dat belanghebbende op geen enkele wijze zich kan distantiëren van haar positie in de versterf lijn van wettige erfgenamen. Daarbij stelt het hof dat belanghebbende kennelijk meent dat voor de bedoelde uitzondering voldoende is dat zij in het desbetreffende belastingjaar geen daadwerkelijke uitkering kreeg, wat onbegrijpelijk is.
Anders dan bij trusts en fiduciaire rechtsfiguren, bestaat er geen mogelijkheid voor belanghebbende om zich als een z.g. excluded person te laten uitschrijven uit het bereik van de stichting waardoor er evenmin sprake is van enige mogelijkheid van tegenbewijs. Aangezien geen van de familieleden enig recht heeft jegens de stichting, bestaat er evenmin een recht om zich uit de stamboom te laten verwijderen als bedoeld in artikel 13 statuten. In de uitleg van het hof is de mogelijkheid van tegenbewijs volkomen illusoir bij Nederlandse sociaal-ideële stichtingen. Belanghebbende heeft voorts betoogd dat zij geen begunstigde is omdat de mogelijkheid om een financiële uitkering te ontvangen van de stichting zeer voorwaardelijk en hypothetisch is, anders dan bij een afgezonderd privaat vermogen het geval is en dat ook als er wél een uitkering wordt ontvangen vanwege ‘behoeftigheid’, dat een familielid daarmee niet kwalificeert als begunstigde71..
Belanghebbende heeft naar voren gebracht dat de inspecteur zich in dit geval aan grens verkennende toepassing van de regelgeving vergrijpt, in strijd met doel en strekking van de wet (in fraudem /egis). De APV-wetgeving is evident vormgegeven ter bestrijding van misbruik, en kent ruimschoots voldoende mogelijkheden om hiermee rekening te houden bij de uitleg van de wet. Het collectief aanmerken van een familie als ‘onterfd’ en ‘begunstigde’ terwijl wordt erkend dat er geen motief van enige belastingontwijking bestaat, stipuleert een willekeurige of onredelijke heffing die de wetgever niet voor ogen kan hebben gestaan
Onderdeel 3. Artikel 1 EP EVRM: toepassing APV-wetgeving is niet ‘lawful’
In rov. 5.19 oordeelt het hof dat het niet toe komt aan het standpunt van belanghebbende dat enig algemene beginsel aan de toepassing van de APV-regeling bij het opleggen van de aanslagen in de weg staat, omdat het de APV regeling in strijd met artikel 1 EP en 14 EVRM heeft geoordeeld (rov. 5.12 tot en met rov. 5.18) op basis van, kort gezegd, willekeur. Daarbij oordeelt het hof dat het tussen partijen niet in geschil is dat de APV-regeling ‘lawful ‘is (rov. 5.14.1) in de zin van artikel 1 EP bij het EVRM.
's Hofs oordeel dat (tussen partijen niet in geschil is dat) de regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 lawful is, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk gemotiveerd om de navolgende, ook in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen redenen:
- (a)
De regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 en de wijze waarop de inspecteur deze regeling inzet is niet ‘lawful’, omdat de (toepassing van de) APV-wetgeving onvoldoende consistent en onvoldoende nauwkeurig (precise) is, en omdat de gevolgen ervan onvoldoende voorzienbaar (foreseeable) zijn. De mate van nauwkeurigheid die van de nationale wetgever wordt verlangd is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM afhankelijk van ‘the content of the instrument in question, the field it is designed to cover and the number and status of those to whom it is addressed72.’.
Wetgeving is niet voorzienbaar als het onvoldoende bescherming biedt tegen willekeurige inbreuken op het eigendomsrecht door de overheid73.. Door de reikwijdte van de APV-wetgeving niet te begrenzen tot die situaties die het beoogt te adresseren (zie de hieraan voorafgaande klachten), en gaandeweg meer ruimte in te nemen voor wetgeving die al jaren geleden in werking is getreden buiten het doel waarvoor dit is gemotiveerd, is (de toepassing van) de APV-regeling onvoldoende nauwkeurig, consistent en daarmee onvoldoende voorzienbaar. Ook is de tekst en toelichting van diverse onderdelen van de APVwetgeving onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig, waardoor burgers niet weten waar ze aan toe zijn.
Het feit dat de APV-wetgeving wordt gemotiveerd als het ‘bestrijden van een heffingslek’, terwijl deze tegelijkertijd wordt verondersteld, is een ongeldige cirkelredenering die bepaald niet kwalificeert als ‘lawful’. De onduidelijkheid van het kemvereiste van een APV, te weten een afgezonderd vermogen waarmee meer dan incidenteel een particulier belang wordt beoogd levert willekeur op en al meer dan een decennium rechtsonzekerheid bij families met oude familiestichtingen en verenigingen. Ook maakt de wetgeving volstrekt niet helder wat de relatie is tussen een APV en een overig doelvermogen — de fiscale basiskwalificatie van een stichting — en de bewijslast dienaangaande. De inspecteur stuurt bewust aan op een zo ruim mogelijke interpretatie van het begrip APV waardoor het overig doelvermogen wordt gemarginaliseerd. Het is dan ook totaal onvoorzienbaar of belanghebbende en andere afstammelingen van de oprichter van de stichting de APV-wetgeving moeten vrezen en wat de gevolgen hiervan zullen zijn voor de stichting.
De inconsistentie van de wetgeving geldt in het bijzonder voor de relatie tussen het vierde en zesde lid alsook in relatie tot het eerste lid van artikel 2.14a Wet 18 2001. De onduidelijkheid zowel in wettekst als in parlementaire toelichting levert in relatie tot een oude familiestichting een absolute willekeur op. Het is onduidelijk wat een onterfde erfgenaam is, waarom er geen bewijs zou moeten worden geleverd om aan te tonen dat de intentie bestaat om toerekening van de APV wetgeving te omzeilen, over de mate van terugwerkende kracht van de hele regeling, alsook hoe aan generaties van particulieren vóór invoering van de APV-wetgeving dient te worden toegerekend (’mede’ op basis van begunstiging?). Over het ongedefinieerde begrip begunstiging bestaat ook onzekerheid. De chaos die hierdoor dreigt te ontstaan in een familie, wordt door de inspecteur bezworen door de stichting in strijd met de wet (op basis van ‘doelmatigheid’ ex artikel 64 AWR) de aanslag op te laten pakken, verpakt als een aanslag vennootschapsbelasting. Daarmee wordt de APV-wetgeving ingezet bij wijze van knevelarij, wat evenmin ‘lawful’ is.
- (b)
De regeling van artikel 2.14a Wet 1B 2001 is voorts niet ‘lawful’ omdat de APV-wetgeving onvoldoende procedurele waarborgen kent. Het EHRM heeft in het kader van het vereiste van lawfulness geoordeeld dat een wet ‘must provide minimum procedural safeguards commensurate with the importance of the principle at stake’74.. Het niveau van rechtsbescherming dient in overeenstemming te zijn met het gewicht van het aan de orde zijnde belang voor de betrokken normadressaat75.. Het ontbreken van een reële tegenbewijsmogelijkheid voor particulieren die zich niet kunnen distantiëren van een statutaire doelomschrijving in een stichting, terwijl zij daar geen vermogensrechtelijk belang aan ontlenen, is in strijd met het vereiste van voldoende procedurele waarborgen. De afwezigheid van enige mogelijkheid van tegenbewijs, indien geen sprake is van een fiscaal ontwijkingsmotief noch heffingslek of zwevend vermogen, waardoor deze ook toegepast kan worden o p belanghebbende, maakt dat de APVregeling niet consistent is, willekeurig is en onvoldoende procedurele waarborgen omvat.
Zoals hierboven in onderdeel 2.1 (sub d) toegelicht, kan in de uitleg van Rechtbank en Hof in alle gevallen het vierde lid worden ingeroepen, waarmee de oogmerktoets van het zesde lid geheel kan worden ontlopen. Omdat ook een gedeeltelijke onterving onder lid 4 valt, zou de inspecteur geen enkele bewijslast hebben ten aanzien van de intentie van de erflater om de toerekening op de voet van de APVregeling te frustreren76.. Tegelijkertijd is er geen enkele mogelijkheid voor belanghebbenden om daar tegenover te zetten dat geen sprake is van een intentie om toerekening op basis van de APV-wetgeving te frustreren en baat het belanghebbende zelfs niet, als vaststaat dat dit niet aan de orde is. Dan stapelt men fictie op fictie, wordt de constructie die de wetgever hier gebruikt een instrument voor willekeur, en komt de regeling systematisch gezien met zichzelf in tegenspraak of komt men uit op een petitio principit77..
Ook laat de feitelijke gang van zaken in deze casus zien dat er realiter geen mogelijkheid is om in bezwaar en beroep te gaan zonder voorafgaand mensen die geen enkele financiële relatie met d e stichting hebben bloot t e stellen aan aanslagen die worden opgeroepen door het vermogen van die stichting. De bijzondere manier van procederen die hier is gekozen, met een vaststellingsovereenkomst waarvan de uitkomst afhankelijk is van een procedure ten aanzien van één familielid kan uitsluitend plaatsvinden omdat belanghebbende in een directe relatie staat met de directeur van de stichting, wat in dit geval garandeert dat hierdoor geen paniek in de familie uitbreekt. De stichting staat intussen met de rug tegen de muur: zij moet kiezen tussen het voorkómen van onrust, spanningen en weerstand in de familie door een vaststellingsovereenkomst aan te gaan met de inspecteur en op basis van het z.g. doelmatigheidsartikel (artikel 64 AWR) een aanslag vennootschapsbelasting te voldoen, terwijl daar vervolgens geen bezwaar en beroep tegen mogelijk is omdat deze aanslag in strijd met de wet is.
Redenen waarom:
belanghebbende de Hoge Raad verzoekt de bestreden uitspraak op grond van het incidentele cassatieberoep te vernietigen, met veroordeling van de staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑09‑2025
Zie 2.4 hoger beroepschrift.
Zie 2.7 en bijlage 6 hoger beroepschrift en 2.8 bezwaarschrift.
Zie ook pagina 6, vierde alinea van het cassatieberoepschrift ‘Het doel van de APV-regeling is het dichten van een heffingsvacuüm door een belastingconstructie maar dat ook kan zijn ontstaan door andere omstandigheden, zoals in casu het geval is.’
Zie Pleitnota bij Hof Amsterdam, pagina 2.
Zie 2.4 hoger beroepschrift.
Zie proces-verbaal Hof Amsterdam 23 januari 2024, pagina 4 onderaan, het laatste woord van [X]
Zie 6.1 hoger beroepschrift.
Kamerstukken 31930, D (Memorie van Antwoord), p. 41. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank rov. 27.
Zie 4.11 bezwaarschriften.
Vgl. voor het BW: J.M. Polak, De Wet op de Stichtingen, Wet van 31 mei 1956. Tekst en commentaar, IJmuiden: Vermande 1956, p. 78–79. Zie ook 4.13 bezwaarschriften.
Zie 6.1 hoger beroepschrift.
Zie 6.2 hoger beroepschrift.
31930, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 9. Zie 5.1 hoger beroepschrift en HR 26 maart 2011, BNB 2021/111.
31930, nr. 3, p. 9.
Zie Asser-Rensen, 2-111 Overige rechtspersonen, Deventer 2012, p. 313 en verder.
Artikel 2:21 lid 1 onder b resp. lid 3 BW.
Zie hierover uitgebreid I.A. Koele, De ongelegitimeerde aanval op sociale familiestichtingen — the beauliful art of dislinguishing, Fiscaal Tijdschrift Vermogen, september 2023, p. 11–12.
R.H. Happé, Belastingrecht en de geest van de wet, 2011, p. 39: ‘Zowel belastingplichtigen als de overheid hebben een ethische nakomingsplicht. Dat betekent dat men zich onthoudt van constructies, waarvan men behoort te weten dat de wetgever, ware hij bij het opstellen van de wet van die constructie op de hoogte geweest, tot aanpassing van de zou zijn overgegaan.’ Zie ook J. P. Boer, Asymmetrische wetgeving, WFR 2021/101, p. 22.
Zie 5.2 hoger beroepschrift
31930, nr. 3, p. 9 en 10.
Zie 4.1 tot en met 4.3 bezwaarschriften.
31930, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 48
Daarmee is in strijd de redenering van de staatssecretaris op pagina 4 van zijn cassatieberoepschrift, die met een omdraaiing van argumenten meent dat het oogmerk van het ontgaan van belasting wordt ingelezen in het ‘beogen van een meer dan bijkomstig particulier belang’. De staatssecretaris probeert daarmee het bereik van de APV wetgeving veel ruimer te maken dan het doel waarvoor de wetgeving is gemaakt. Het toevoegen van veronderstelde feiten in een zuivere fictie is echter ongeoorloofd. Zie Asser/Scholten, Algemeen Deel * 1974/13. Zie ook 9.2 hoger beroepschrift.
Zie 5.3 hoger beroepschrift.
31930, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 47.
Verweerschrift hoger beroep, p. 17, 24.
31930, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 54.
31930, nr. 9 p. 48.
31930, nr. D, p. 28–29.
Zie par 4.13 bezwaarschriften.
Zie 31930, D, p. 28.
Zie ook noot 29.
Zie uitgebreider I.A. Koele, a.w., p. 14 e.v…
En dit ook niet kan verkrijgen, op basis van artikel 16 lid 2 statuten; wijziging van de relevante bepalingen is onmogelijk. Alleen op de voet van 2:294 BW kan door de Rechtbank een wijziging in de statuten worden aangebracht, indien ongewijzigde handhaving daarvan tot oorspronkelijk ongewilde gevolgen zou leiden. Daarbij dient dan ook zo weinig mogelijk van de statuten te worden afgeweken door de rechtbank.
Zie ook 8.2 hoger beroepschrift.
Zie ook 5.4 en 5.5 hoger beroepschrift.
S. Dusarduijn, Rechtsficties in de inkomstenbelasting: de fiscale kleur van het alsof, diss, p. 489–495.
Asser/Scholten Algemeen deel * 1974/13.
W.J. van der Avoird, Doelvermogens in het fiscale recht, Licent Academy 2012, p. 216 e.v..
31930, nr. D, p.20.
31930, nr. 9, p. 54.
31930 nr. D p. 28.
Zie 5.2 tot en met 5.3 bezwaarschriften en 7.1 hoger beroepschrift.
31930, nr. D, p. 30.
M.J.A. van Maurik (red)., Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2020, nr. Vl.1.2.
Zie 7.1 hoger beroepschrift.
Zie ook J.P. Boer en X.G.R. Auerbach, Het APV-regime na het overlijden van de inbrenger en de toerekening aan (fictieve) erfgenamen, Weekblad voor Fiscaal Recht 14 augustus 2023. Zie ook A.E. de Leeuw, Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer, Wolters Kluwer, 2020, p. 357 met betrekking tot de verwerpende erfgenaam, dat een afwijking van het civiele recht uitdrukkelijk in de wet had moeten worden opgenomen.
Zie ook Boer/ Auerbach, a.w., noot 62.
Zie 7.2 hoger beroepschrift.
31930, nr. 76, p.11–12.
Zie noot 56.
Zie Boer/Auerbach, a.w., par. 3.5.
31930, nr. 13, p. 31.
Zie ook A.E. de Leeuw, a.w., p. 358; Boer/Auerbach, a.w., p. 11.
7.2 hoger beroepschrift.
31930, nr. 10 onderdeel 2, onderdeel a.
31930, nr. 12, p. 31 en heel expliciet in een brief
31930, nr. 76, p. 12
62 31930, nr. 12, p. 31.
A.E. de Leeuw, a.w., p. 359. Boer/Auerbach, a.w., p. 10.
Zie voor de grenzen die gesteld moeten worden aan constructies gehanteerd door de wetgever en de rechter al Asser/Schotten Algemeen deel * 1974/12-14.
8.1 hoger beroepschrift.
Zie 6.2 bezwaarschriften.
Zie noot 30.
Zie noot 29.
8.3 hoger beroepschrift.
8.2 hoger beroepschrift.
6.2 tot en met 6.5 bezwaarschriften.
EHRM 20 mei 1999,nr. 25390/94 (Rekvênyi v. Hungary), par. 34.
EHRM 14 mei 2013, nr. 665219/11 (N.K.M. v. Hungary), par. 48.
EHRM 25 oktober 2012, nr. 71243/01 (Vistins and Perepjolkins v. Letland), par. 97.
T.C. Gerverdinck, Eigefldomsgrondrecht en belastingen, Wolters Kluwer 2020, p 25.
A.E. de Leeuw, a.w., p. 359. Boer/Auerbach, a.w., p. 10.
Zie voor de grenzen die gesteld moeten worden aan constructies gehanteerd door de wetgever en de rechter al Asser/Schoften Algemeen deel * 1974/12-14.
Uitspraak 26‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Schending artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP?; familiestichting; APV-regeling; erfgenamen; niet evident van redelijke grond ontbloot.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02647
Datum 26 september 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2024, nrs. 23/294 en 23/2951., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/6303 en HAA 21/163) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2018 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelastingbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente en de aan belanghebbende voor het jaar 2019 opgelegde aanslag in de inkomstenbelastingbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.A. Koele, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 7 maart 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.2.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Op 2 januari 1907 heeft [B] (hierna: de oprichter) de [A] Stichting (hierna: de stichting) opgericht. Het doel van de stichting was het verstrekken van financiële middelen aan ondersteuning behoevende leden van de familie [A] (hierna: de familie), vooral om jonge familieleden in staat te stellen een honorabel bestaan te vinden. Volgens de statuten zijn uitsluitend de daarin aangewezen leden van de familie gerechtigd voordelen te genieten uit de stichting. Voor de situatie dat er geen gerechtigden meer zijn, bepalen de statuten dat de fondsen en goederen van de stichting worden overgedragen aan het Instituut [D] te [Q], of een maatschappelijk doel dat hier dicht bij komt of de Gemeente [Q].
2.2
De oprichter is kort na de oprichting zonder echtgenote en nakomelingen overleden. Hij heeft de stichting tot enig erfgenaam benoemd.
2.3
Bij beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland is een verzoek van de stichting tot wijziging van de statuten toegewezen. De statutenwijziging is op 11 oktober 2018 van kracht geworden. Bij de statutenwijziging is het doel gewijzigd in (i) het bevorderen en behouden van de familiale cohesie en waardigheid binnen de familie met oog voor sociale noden bij de diverse familieleden, in het bijzonder door het financieel ondersteunen van leden van de familie die zijn aangewezen op financiële hulp van anderen en het financieel ondersteunen van jonge leden van de familie om hen in staat te stellen een honorabel bestaan te vinden en (ii) het bestrijden van gehoorstoornissen (zoals tinnitus), en zicht- en spraakstoornissen.
2.4
Tot aan de hiervoor in 2.3 bedoelde statutenwijziging werd aan de statuten uitvoering gegeven door het jaarlijks uitkeren van een bedrag van € 2.000 aan familieleden in de leeftijd van 18 tot 40 jaar en een bedrag van € 1.000 aan familieleden van 40 jaar en ouder, ongeacht hun behoeftigheid. Behoevende familieleden konden daarnaast een aanvraag indienen voor extra financiële ondersteuning. Om de cohesie binnen de familie te bevorderen werden familiebijeenkomsten gehouden en werd een website in stand gehouden. Na de statutenwijziging ontvangen de oudere familieleden niet langer een jaarlijkse uitkering ongeacht hun behoeftigheid. Familieleden in de leeftijd van 18 tot 38 jaar ontvangen een jaarlijkse uitkering van € 2.000. Onveranderd is dat behoevende familieleden een aanvraag kunnen indienen voor extra financiële ondersteuning.
2.5
Belanghebbende is de weduwe van de kleinzoon van een van de broers van de oprichter. Zij behoort tot de in de statuten bedoelde kring van personen die een aanvraag kunnen indienen voor extra financiële ondersteuning. Tot 2017 heeft zij gedurende een aantal jaren de hiervoor in 2.4 bedoelde uitkering van € 1.000 per jaar ontvangen.
2.6
De stichting heeft geen publicatieplicht en publiceert haar financiële gegevens niet. Behoudens de directeur en de commissarissen is geen van de leden van de familie gerechtigd tot het verkrijgen van informatie over de financiële gegevens van de stichting.
2.7
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de stichting is aan te merken als een afgezonderd particulier vermogen (hierna: APV) als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001 en dat daarom een evenredig deel (1,926 procent) van het vermogen van de stichting moet worden toegerekend aan belanghebbende.
2.8
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2018 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en voor het jaar 2019 een aanslag in de IB/PVV. Hierbij is het hiervoor in 2.7 bedoelde evenredige deel van het stichtingsvermogen tot de rendementsgrondslag voor box 3 gerekend.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht het hiervoor in 2.7 vermelde standpunt heeft ingenomen.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de stichting terecht als APV heeft aangemerkt en dat op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 een evenredig deel van het stichtingsvermogen tot de rendementsgrondslag voor box 3 dient te worden gerekend.
3.3
Vervolgens heeft het Hof het betoog van belanghebbende beoordeeld dat erop neerkomt dat de APV-regeling zich niet verdraagt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) en artikel 14 van het EVRM, omdat belanghebbende in de onderhavige jaren geen enkel financieel voordeel heeft genoten maar wel uit andere middelen belasting moet betalen, terwijl een begunstigde die wel voordeel krijgt uit een APV de verschuldigde belasting uit dat voordeel kan voldoen.
3.4
Volgens het Hof is de APV-regeling ‘lawful’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM over artikel 1 EP. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de belangen die de wetgever met de APV-regeling heeft willen dienen, liggen op het terrein van het tegengaan van een heffingslek (het via constructies creëren van een heffingsvacuüm en zo bewerkstelligen dat de heffingsgrondslag in Nederland wordt uitgehold) en de uitvoerbaarheid van de wet (het verschaffen van toereikende middelen aan de Belastingdienst om dergelijke constructies te bestrijden) en tegelijkertijd het goed regelen van de fiscale behandeling van APV’s. Op grond van deze belangen en in het licht van de Wet IB 2001 is het Hof van oordeel dat de APV-regeling een ‘legitimate aim’ nastreeft.
3.5
Dit roept volgens het Hof de vervolgvraag op of de APV-regeling proportioneel is (is een ‘fair balance’ in acht genomen?). Volgens het Hof dient die vraag ontkennend te worden beantwoord in gevallen als dit, dat wil zeggen in een puur binnenlandse situatie, waarbij in een ver verleden zonder fiscaal motief vermogen is afgezonderd, zonder daarbij het zicht op de feiten te belemmeren. Indien onder die omstandigheden een deel van de groep begunstigden geen uitkering ontvangt noch enig recht daarop kan doen gelden, worden zij toch voor de inkomsten over het fictief aan hen toegerekende vermogensaandeel belast. Andersom worden begunstigden die geldbedragen groter dan hun fictieve aandeel ontvangen, juist te licht belast. Dit betekent naar het oordeel van het Hof dat de APV-regeling ook een relatieve ongelijkheid creëert op grond van een omstandigheid waarop de betrokkenen zelf geen invloed hebben. In gevallen als dit leidt toepassing van die regeling volgens het Hof daardoor tot een heffing die zo ruw is dat zij zeer ver is komen af te staan van de werkelijkheid (een heffing gebaseerd op een werkelijk aandeel, een werkelijk recht of werkelijk ontvangen uitkeringen), en dat deze ongelijkheid niet kan worden gerechtvaardigd door de hiervoor in 3.4 vermelde, op zich legitieme belangen, hoe begrijpelijk ook, die de wetgever met deze regeling heeft willen dienen. Voor degene die in een geval als dit wordt geconfronteerd met een heffing als de onderhavige, terwijl deze geen daadwerkelijke uitkering toekomt noch enig recht daarop kan doen gelden, leidt het stelsel van de APV-regeling dan ook tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten, aldus het Hof.
3.6
Op grond daarvan heeft het Hof de heffing op basis van de APV-regeling voor belanghebbende beperkt tot het daadwerkelijk door haar ontvangen voordeel uit het afgezonderde vermogen. Het Hof heeft dat voordeel voor beide jaren op nihil gesteld.
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof in het incidentele beroep in cassatie beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beoordeling van het middel in het principale beroep in cassatie
5.1
Het middel keert zich tegen het hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel van het Hof dat de APV-regeling de ‘fair-balancetoets’ in de zin van artikel 1 EP, gelezen in samenhang met artikel 14 EVRM, niet kan doorstaan. Het middel betoogt onder meer dat het Hof daarmee heeft miskend dat de wetgever het bestaan van zwevende vermogens, waarover geen inkomstenbelastingheffing kan plaatsvinden, heeft willen voorkomen en dat daardoor toerekening ook in gevallen als dit is gerechtvaardigd. De wetgever heeft met de APV-regeling zijn ruime beoordelingsbevoegdheid niet overschreden, aldus het middel.
5.2
Bij de beoordeling van de vraag of de APV-regeling voldoet aan het uit artikel 1 EP voortvloeiende vereiste van ‘fair balance’, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met die regeling beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken, heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Hetzelfde geldt met betrekking tot de vraag of de wetgever gevallen die door de APV-regeling verschillend worden behandeld, voor de toepassing van artikel 14 EVRM als gelijke gevallen dient aan te merken en, zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om ze niettemin verschillend te behandelen. Als regel dient het oordeel van de wetgever daarom te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot.3.
5.3
De wetgever heeft met de APV-regeling, zoals neergelegd in artikel 2.14a Wet IB 2001, beoogd te voorkomen dat vermogen als gevolg van de inbreng in een APV bij geen enkele persoon in de belastingheffing zou worden betrokken en als gevolg daarvan fiscaal zou gaan ‘zweven’. Met de APV-regeling is aldus bedoeld een heffingsvacuüm te vermijden.4.Het Hof heeft terecht aangenomen dat dit een gerechtvaardigd doel is.
5.4
Artikel 2.14a Wet IB 2001 regelt daartoe dat het afgezonderde vermogen wordt toegerekend aan degene die dat vermogen in het APV heeft ondergebracht, en dat dat vermogen na zijn overlijden wordt toegerekend aan zijn erfgenamen (en vervolgens aan hun erfgenamen, enzovoorts), behalve voor zover er begunstigden zijn die jegens dat vermogen een concreet juridisch afdwingbaar recht hebben. In dat laatste geval is er in zoverre geen sprake van zwevend vermogen, omdat die begunstigden al ter zake van hun concrete juridisch afdwingbare rechten in de belastingheffing kunnen worden betrokken.5.
5.5
Daarbij heeft de wetgever ervoor gekozen om de APV-regeling dusdanig ruim en “robuust” op te zetten dat die regeling geldt voor uiteenlopende soorten doelvermogens, waaronder binnenlandse en buitenlandse familiestichtingen.6.Als gevolg daarvan is voor toepassing van deze regeling niet van belang of het vermogen met een fiscaal motief is afgezonderd, en evenmin of daarbij het zicht op de feiten is belemmerd. Deze ruime opzet van de regeling sluit aan bij het – legitieme – doel van de wetgever om een heffingsvacuüm zoveel mogelijk te vermijden. Van de keuze van de wetgever voor een dergelijke opzet van de regeling, kan in dat licht niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot.
5.6
Wat betreft de toerekening van het vermogen van een APV na overlijden van de inbrenger, heeft de wetgever ervoor gekozen om aan te knopen bij erfgenaamschap, omdat deze categorie personen helder is afgebakend en niet of moeilijk valt te manipuleren.7.Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de erfgenamen in de praktijk eigenlijk nagenoeg altijd ook de begunstigden zijn van het APV.8.De toerekening geschiedt per erfgenaam in dezelfde verhouding als waarin de betrokkene verkrijger krachtens erfrecht is van de overleden inbrenger. De wetgever heeft bij zijn keuze voor deze regeling onder ogen gezien dat het belastbare inkomen uit het toegerekende vermogen daardoor kan afwijken van wat de erfgenaam daadwerkelijk van het APV ontvangt.9.Een noodzakelijk gevolg daarvan is dat een verschil in behandeling tussen erfgenamen optreedt, in die zin dat erfgenamen die een in verhouding tot hun erfdeel hoog bedrag aan uitkeringen uit het APV ontvangen, daarvoor relatief laag worden belast in box 3, terwijl erfgenamen die geen of een in verhouding tot hun erfdeel laag bedrag aan uitkeringen uit het APV ontvangen, daarvoor relatief zwaar worden belast in box 3.10.
5.7
Van deze wettelijke regeling over de toerekening van het vermogen van een APV aan erfgenamen als geheel bezien, dus op stelselniveau, kan niet worden gezegd dat zij evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft met deze regeling dus niet de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid overschreden. Daarbij is van belang (i) dat bij het – legitieme – doel van de APV-regeling om een heffingsvacuüm bij zwevende vermogens tegen te gaan, aansluit dat dergelijke vermogens aan een ander dan het APV worden toegerekend, (ii) dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsmarge niet heeft overschreden door op de hiervoor in 5.6 vermelde gronden te kiezen voor toerekening van dat vermogen aan de erfgenamen, na het overlijden van de inbrenger, en (iii) dat de wetgever die marge evenmin heeft overschreden door in gevallen waarin er verschillende erfgenamen zijn, voor de mate van toerekening aan te sluiten bij hun erfdeel, in aanmerking nemende dat het vaststellen van het werkelijke financiële belang van erfgenamen in een APV niet goed mogelijk is vanwege het discretionaire karakter van het daarin afgezonderde vermogen, in die zin dat de begunstigden jegens dat vermogen geen concreet juridisch afdwingbaar recht hebben.11.Verder is van belang dat, zoals is opgemerkt in de parlementaire toelichting, het alternatief om aan te knopen bij de uiteindelijke verkrijgingen door een begunstigde, tot gevolg zou hebben dat situaties van fiscaal zwevend vermogen in stand worden gelaten zolang geen vermogen wordt uitgekeerd.12.Dat zou onverenigbaar zijn met het legitieme doel van de APV-regeling. Opmerking verdient nog dat artikel 2.14a, lid 6, Wet IB 2001 voorziet in een tegenbewijsregeling voor het geval een erfgenaam en diens partner geen begunstigde zijn van het APV en dit ook niet kunnen worden.
5.8.1
Het voorgaande brengt mee dat de heffing op basis van de APV-regeling op stelselniveau voldoet aan het uit artikel 1 EP voortvloeiende vereiste van een ‘fair balance’, en als gevolg daarvan geen inbreuk maakt op deze verdragsbepaling.
5.8.2
Een inbreuk op artikel 1 EP zou zich wel voordoen indien de belastingplichtige als gevolg van de APV-regeling wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Belanghebbende heeft niet gesteld dat daarvan in haar geval sprake is.
5.9
Het voorgaande brengt eveneens mee dat de door het Hof bedoelde relatieve ongelijkheid die uit de APV-regeling voortvloeit, gerechtvaardigd is en daarom niet leidt tot een door artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP verboden discriminatie.
5.10
Met zijn hiervoor in 3.5 weergegeven oordelen over de ‘fair balance’ en het verbod van discriminatie heeft het Hof miskend wat hiervoor in 5.7 tot en met 5.9 is overwogen. Het middel slaagt daarom.
6. Slotsom
Gelet op wat hiervoor in 5.10 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van de door het Hof onbehandeld gelaten standpunten van belanghebbende.
7. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het principale beroep van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
Vgl. HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:416, rechtsoverweging 4.3.2.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 9-11.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 11-12, en nr. 9, blz. 48-49.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 9-11.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 48.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49.
Vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 48-49, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 5-6, 30-31 en 46 en Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 15, blz. 4.
Vgl. voor dit laatste Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 10-11.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49. Vgl. ook punt 7.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Beroepschrift 26‑09‑2025
Den Haag, [26 AUG. 2024]
Kenmerk 2024-0000407367
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 24/02647) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 mei 2024, nrs. 23/00294 en 23/00295, inzake [X] te [Z] betreffende de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2018 en 2019.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 17 juli 2024 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, met name van artikel 2.14a, vierde lid, van de Wet IB 2001, artikel 1 Eerste Protocol en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), doordat het Hof heeft geoordeeld dat het (zwevende) vermogen van de stichting niet aan belanghebbende kan worden toegerekend omdat belanghebbende vanaf 2018 geen inkomsten meer geniet vanuit de stichting (geen fair balance), zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
het Hof hiermee miskent dat de wetgever het bestaan van zwevende vermogens, waarover geen inkomstenbelastingheffing kan plaatsvinden, heeft willen voorkomen, waardoor toerekening ook in gevallen als de onderhavige gerechtvaardigd is;
- b.
belanghebbende ook op basis van de in 2018 aangepaste statuten nog steeds een gerechtigde is tot het vermogen van de stichting.
Feitelijk kader
Voor de vastgestelde feiten verwijs ik naar de uitspraak van het Hof. De voor het geschil in mijn optiek (kort samengevatte) relevante feiten zijn:
- 1.
Een broer van de opa van belanghebbende heeft in 1907 een stichting opgericht met als doel het ondersteunen van alle nakomelingen van de ouders van de oprichter.
- 2.
Tot 2018 heeft de stichting steeds aan de hiervoor genoemde nakomelingen jaarlijkse uitkeringen gedaan. Daarbij werd er aan personen van 18 tot 40 jaar jaarlijks € 2.000 uitgekeerd en aan oudere personen jaarlijks € 1.000 per jaar. Verder werd onderzoek naar oorsuizen ondersteund met giften.
- 3.
Door een statutenwijzing in 2018 is het uitkeringsbeleid aangepast, waardoor personen van 18 tot 38 jaar jaarlijks nog steeds € 2.000 krijgen en andere gerechtigden een verzoek tot ondersteuning kunnen doen als ze behoeftig zijn. Daarnaast organiseert de stichting jaarlijks een familiedag, waaraan de gerechtigden gratis deel kunnen nemen.
- 4.
Belanghebbende is op basis van het gewijzigde artikel 13 van de statuten nog steeds gerechtigd om een uitkering uit de stichting te ontvangen.
- 5.
Omdat belanghebbende ouder is dan 38 jaar en thans niet behoeftig is, heeft zij in 2018 en 2019 geen uitkering meer gehad.
- 6.
Gelet op het aantal levende nakomelingen wordt aan belanghebbende 1,926% van het vermogen van de stichting toegerekend. Dat aandeel in het vermogen bedraagt op 1 januari 2018 € 156.931 en op 1 januari 2019 € 146.458.
Toelichting op het middel
Bij de beoordeling of sprake is van strijdigheid van wetgeving met artikel 1 EP EVRM en artikel 14 EVRM dient achtereenvolgens te worden getoetst of
de regeling lawful is (1);
of de regeling een fair balance kent en proportioneel is (2);
en of sprake is van een individuele buitensporige last (3).
Wat betreft onderdeel (1) zijn partijen het erover eens (net als de A-G en de HR in ECLI:NL:PHR:2020:842 en ECLl:NL:HR:2021:367) dat de APV-wetgeving lawful is (zie onderdeel 3.35 van de conclusie en r.o. 4.2.2 van het arrest)
‘3.35
Daarnaast kunnen belastingplichtigen zich zowel tegen de kwalificatie als begunstigde als de kwalificatie van het vermogen als APV verzetten. Van belde mogelijkheden heeft belangheb bende gebruik gemaakt. Dat het verzet tegen deze kwalificaties niet slaagt, maakt niet dat er onvoldoende procedurele garanties zijn. Derhalve is de regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 ‘lawful’.’
Bij onderdeel (2) oordeelt het Hof dat artikel 2.14a Wet 18 2001 niet proportioneel is (zie r.o. 5.15.1 t/m r.o. 5.17). Op basis daarvan heeft het Hof de aanslagen 18 2018 en 2019 vernietigd (zie r.o. 5.18).
Aan onderdeel (3) komt het Hof vervolgens niet meer toe.
De strijdigheid van artikel 2.14a Wet 18 2001, en dan met name de toerekening aan erfgenamen, met artikel 1 EP EVRM en artikel 14 EVRM ziet volgens het Hof dus op het punt van de proportionaliteit/fair balance.
In een eerdere procedure waren A-G Niessen en het Hof met betrekking tot deze toerekening van mening dat geen sprake is van strijdigheid op regelniveau met artikel 1 EP EVRM (zie de onderdelen 3.36-3.40 in de conclusie ECLI:NL:PHR:2020:842). Ook de Hoge Raad lijkt in het arrest in deze zaak (ECLl:NL:HR:2021:367) mee te gaan in deze opvatting van de A-G, nu de Hoge Raad het middel van belanghebbende verwerpt.
Dat doet het Hof nu niet. Het gaat er om dat de regeling proportioneel moet zijn ten opzichte van het nagestreefde legitieme doel dat in het algemeen belang Is. Het doel Is weliswaar legitiem volgens het Hof maar de vormgeving van de regeling schiet dat doel voorbij. Hier concludeert het Hof tot schending van het recht, in het bijzonder van artikel 1 EP EVRM, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de APV-regeling de uit artikel 1 EP EVRM voortvloeiende ‘fair balance-toets’ niet kan doorstaan, zulks naar mijn mening ten onrechte aangezien de wetgever met de APV-regeling niet de ‘wide margin of appreciation’ die hem toekomt heeft overschreden.
Vooropgesteld moet worden dat het EHRM de wetgever een ‘wide margin of appreciation’ doet toekomen, zoals bijvoorbeeld omschreven in het arrest Cacciato/Italië1.:
- ‘24.
Furthermore, in determining whether this requirement has been met, it is recognized that a Contracting State, not least when framing and implementing policies in the area of taxation, enjoys a wide margin of appreciation and the Court has consistently held that it will respect the legislature's assessment in such matters unless it is devoid of reasonable foundation […]. It is, indeed, primarily for national authorities to decide the type of tax or contributions they wish to levy, since decisions in this area will commonly involve the appreciation of politica!, economie and social questions which the Convention leaves within the competence of the States parties, the domestic authorities being better placed than the Court in this connection […].
- 25.
[…] Moreover, choices as to the type and amount of taxation to be levied, but also the related question as to what may be classified as taxable income, fall within those issues that the domestic legislature is certainly better placed than the Court to assess and determine […].’
De vraag hoe belastbaar inkomen moet worden gekwalificeerd komt toe aan de wetgever en niet aan de rechter. De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis telkens het particuliere belang benadrukt. Daarbij heeft de wetgever ook uitdrukkelijk verwezen naar het zwevende karakter van de (familie)vermogens. De regeling zoals opgenomen in artikel 2.14a Wet 1B 2001 rekent dat soort vermogen toe (fictie) aan degene die het heeft afgezonderd en daarna aan diens erfgenamen krachtens erfrecht (eventueel uitgebreid of beperkt door anti-misbruikbepalingen).
Het Hof heeft de doelstelling van de APV-regeling te eng uitgelegd en ten onrechte delen van de parlementaire behandeling van de APV-regeling niet geciteerd, noch behandeld in de uitspraak. In dat kader wijs ik bijvoorbeeld op Kamerstukken II, 2008–2009, 31 930, nr. 3. P. 9 (onderdeel 5.1 halverwege eerste alinea), waar is opgenomen:
‘Ook Nederlandse stichtingen die geen of slechts incidenteel een algemeen nut beogen, en ook geen of slechts incidenteel een sociaal belang behartigen, worden gebruikt om belastingheffing te ontgaan. Het onderscheidend criterium om te spreken van het ontgaan van belasting is de vaststelling of met het afgezonderde vermogen meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd.’
Het Hof gaat ten onrechte niet in op deze passage, terwijl in deze passage de wetgever nu juist het ‘onderscheidend criterium’ om te spreken van het ontgaan van belasting in de zin van de APV-regeling definieert.
De belangen die de wetgever heeft willen dienen, is het voorkomen van zwevend vermogen door deze afgezonderde vermogens (met een meer dan bijkomstig particulier belang) in de heffing te betrekken door middel van toerekening. Het Hof heeft in r.o. 5.14.2 daarmee een onjuiste maatstaf aangelegd op grond van een onvolledig citaat uit de memorie van toelichting. Daardoor heeft het Hof in de r.o. 5.15.1 tot en met 5.15.3 ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van een fair balance als de heffing niet aansluit bij hetgeen de gerechtigden ontvangen uit het APV.
De wettelijke toerekening sluit namelijk aan bij de gebruikelijke overdracht van vermogens met een particulier belang, namelijk het erfrecht. Het vermogen wordt eerst toegerekend aan degene die daadwerkelijk (ooit) beschikkingsmacht over het vermogen heeft gehad en daarna aan diens erfgenamen krachtens erfrecht. Dit is ook de gebruikelijke situatie zonder APV, waarin de erflater beschikkingsmacht heeft over het vermogen (het is zijn vermogen) en na diens overlijden dit vermogen onder algemene titel overgaat op diens erfgenamen krachtens erfrecht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest HR 28 oktober. 2022, ECLI:NL:HR:2022:1559, de bedoeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 geparafraseerd door in r.o. 2.5. op te nemen:
‘(…) Met artikel 2.14a Wet IB 2001 heeft de wetgever beoogd dat vermogensbestanddelen die in een afgezonderd particulier vermogen worden ingebracht dezelfde fiscale behandeling krijgen als vermogensbestanddelen die niet op zodanige wijze zijn afgezonderd. De inbrenger wordt geacht de afgezonderde vermogensbestanddelen gedurende zijn leven onverkort te blijven bezitten.’
De insteller en zijn erfgenamen ondervinden de gevolgen van afwijkende keuzes die het bestuur van het APV maakt. Ook deze afwijkende keuzes maken niet dat de keuze van de wetgever een redelijke grondslag ontbeert, nu een wezenskenmerk van het doelvermogen nu juist is dat deze het belang van de particulier dient.
In r.o. 5.15.2 gaat het Hof voorts in op het feit dat sommige begunstigden van het APV meer geld ‘werkelijk’ ontvangen en sommige begunstigden minder ontvangen, zonder dat hiermee binnen het APV-regime rekening wordt gehouden.
Dit is een onjuiste uitleg van de wet en de bedoeling van de wetgever. Zoals in de memorie van toelichting is opgenomen (pagina 57) is bij wet een ministeriële regeling ingesteld die erin voorziet hoe de jaarlijkse toerekening wordt vastgesteld en tegen welke waarden. Daarbij komt dat de begunstigde die meer ontvangt dan ‘zijn deel’ daarover op basis van artikel 17 Successiewet 1956 schenkbelasting verschuldigd is (of kan zijn). Deze toepassing benadert ook de situatie als er geen APV zou zijn ingesteld. Als er immers door (in Nederland woonachtige) particulieren geschonken wordt, dan is hier schenkbelasting over verschuldigd.
Van strijdigheid op regelniveau is geen sprake omdat een zekere ruwheid inherent is aan een toerekeningsregeling en dit past ook binnen een ruime beoordelingsmarge van de wetgever.
Het is juist dat de Hoge Raad in het zgn. Kerstarrest2. heeft geoordeeld dat een regeling niet de ‘fair balance’ respecteert als de regeling in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.
Aan de wetgever komt echter een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor toepassing van een wettelijke regeling als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.
Het doel van de APV-regeling is het dichten van een heffingsvacuüm dat bijvoorbeeld is ontstaan door een belastingconstructie maar dat ook kan zijn ontstaan door andere omstandigheden, zoals in casu het geval is. De maatstaf van gelijkheid dient vooral beoordeeld te worden in het licht van de doelstelling van de regeling. In het licht van dat doel heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om erfgenamen die tevens begunstigde van een APV zijn vergelijkbaar te achten, ongeacht de omvang van de uitkeringen die worden ontvangen. In de praktijk kan in de regel een wettelijke erfgenaam die tevens begunstigde is rekenen op een uitkering (aan hem of zijn/haar afstammelingen) die in redelijke verhouding staat tot zijn/haar erfdeel dat hij/zij krijgt toegerekend in het APV.
Het is voorts onmogelijk om bij voorbaat vast te stellen wat ieders financiële belang gaat zijn bij het APV als sprake is van een discretionair bestuur en mogelijke uitkeringen op basis van behoeftigheid. De keuze van de wetgever voor een fictief stelsel van toerekening van dit soort discretionaire afgezonderde vermogens is dan ook niet van iedere redelijke grond ontbloot.
Dat het voorkomen van een heffingslek op een volgens het Hof minder verstrekkende wijze had kunnen plaatsvinden (door middel van vennootschapsbelastingheffing bij de stichting, zie r.o. 5.16) doet niet ter zake en staat haaks op de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever heeft in de vormgeving van het stelsel.
Het bieden van rechtsherstel in deze zaak is bovendien uiterst bijzonder, omdat de rechter daarmee op de stoel van de wetgever gaat zitten. In het eerder aangehaalde Kerstarrest had de Hoge Raad goede argumenten om te voorzien in het rechtstekort en niet langer te volstaan met de constatering van een schending op regelniveau. In ECLI:NL:HR:2019:816 oordeelde de HR ook al dat strijdigheid mogelijk was van het box 3-regiem met artikel 1 EP EVRM op regelniveau maar is hij niet overgegaan tot rechtsherstel.
De vergelijking met box 3 in dit kader is overigens betwistbaar aangezien de doelstelling van box 3 (heffen over genoten inkomsten uit sparen en beleggen) en de APV-regeling (dichten heffingsvacuüm, voorkomen van zwevend vermogen) erg verschillend zijn. Met andere woorden; is de APV-regeling wel bedoeld als een regeling die heft naar draagkracht?
Er dienen bij een regeling waarbij de fiscale- en civiele werkelijkheid (te) ver uit elkaar kunnen lopen wel waarborgen voor de belastingplichtige aanwezig te zijn ingeval de regeling onevenredig zwaar uitpakt. Bij de toepassing van artikel 1 EP EVRM kan dat via de lijn van individuele buitensporige last. In dat soort bijzondere gevallen kan alsnog bescherming worden geboden aan de belastingplichtige. Voor een individuele buitensporige last gaat het om de vraag of de feiten en omstandigheden van het geval een buitensporige last teweegbrengen. Met andere woorden, belanghebbende voelt in zijn/haar individuele geval een beduidend sterkere last dan in het algemeen. Hierbij dient een vergelijking gemaakt te worden tussen belanghebbende als wettelijk erfgenaam c.q. begunstigde en alle andere begunstigden tot een APV. Het Hof had derhalve moeten toetsen of de bijzondere feiten en omstandigheden in dit geval een buitensporige last voor belanghebbende teweegbrengen.
De lat voor het aannemen van een individuele en buitensporige last ligt behoorlijk hoog. Verwijzing dient mijns inziens dan te volgen voor beantwoording van deze vraag.
Het Hof lijkt te concluderen dat er wel een fair balance is voor erfgenamen die uitkeringen ontvangen en/of die invloed hebben op het doen en ontvangen van uitkeringen (bijv. als bestuurder). Dan is er kennelijk geen sprake van toeval. Gevolg van deze opvatting van het Hof is dat een deel van het stichtingsvermogen niet wordt toegerekend. In strijd met de bedoeling van de wetgever blijft dan gedeeltelijk sprake van zwevend vermogen.
Ik ben dan ook van mening dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het kenmerk van een APV is juist dat de begunstigde geen invloed heeft op het ontvangen van uitkeringen. Het APV regime is juist bedoeld voor discretionaire situaties. Dit is het uitgangspunt van de wetgever en daaraan kan de rechter geen van de wet afwijkende gevolgen verbinden. Dit geldt bijvoorbeeld ook als het APV in jaar 1 een inkomst genereert en in dat jaar niets aan degene uitbetaalt aan wie de bezittingen en schulden worden toegerekend, maar dat bijvoorbeeld pas in jaar 5 doet en dan de inkomsten van de jaren 1 tot en met 5 uitkeert.
Het Hof had een tweetrapstoets moeten aanleggen, welke bestaat uit de volgende stappen.
- I.
Is de toerekeningsfictie van artikel 2.14a Wet IB 2001 in strijd met artikel 1 EP EVRM? In wezen de vraag naar de rechtmatigheid van het wettelijke systeem.
- II.
Is de bepaling op grond waarvan het belastbaar inkomen (box 1, box 2 of box 3) wordt vastgesteld in strijd met artikel 1 EP EVRM?
De fair balance-toets (stap I) is een maatstaf die het EHRM bij verschillende verdragsrechten aanlegt om te beoordelen of een inmenging in het verdragsrecht kan worden gerechtvaardigd. Voor artikel 1 EP EVRM geldt op grond van het fair balance-vereiste
- (i)
dat de inbreuk niet mag resulteren in een ‘individual and excessive burden’;
- (ii)
dat er een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd, en
- (iii)
dat moet worden meegewogen in hoeverre aanspraak bestaat op vergoeding voor de inbreuk op het eigendomsrecht.
Artikel 2.14a Wet IB 2001 an sich had aan deze criteria getoetst moeten worden. Ook bij deze toetsing laat het EHRM een ruime margin of appreciation aan de wetgever. In het algemeen geldt voor de mate waarin het EHRM de verdragsstaten een margin of appreciation laat dat, hoe meer de menselijke waardigheid in het geding is (bijv. bij een erkenning van een seksuele geaardheid), hoe strenger het EHRM zal beoordelen of er voldoende gewichtige redenen zijn om een Inmenging in een verdragsrecht te kunnen rechtvaardigen.
Bepalingen in hoofdstuk 2 van de Wet 1B 2001 kunnen geen strijdigheid met het EVRM opleveren. Toerekening tussen partners (artikel 2.14 en 2.17 Wet 1B 2001), tussen ouders en kinderen (artikel 2.15 Wet 1B 2001) en van afgezonderd vermogen aan personen (artikel 2.14a Wet 1B 2001) levert op zich nog geen heffing op.
Die heffing ontstaat pas door de keuzes die in box 1 (hoofdstuk 3), box 2 (hoofdstuk 4) en box 3 (hoofdstuk 5) worden gemaakt door de wetgever. Op dat niveau kan er sprake zijn van strijdigheid met het EVRM. Als in een APV alleen een schilderij zit dan leidt artikel 2.14a Wet 1B 2001 ertoe dat het schilderij wordt aangemerkt als bezitting van de inbrenger of diens erfgenamen. Met deze toerekening is niets mis. De strijdigheid kan pas ontstaan als dat vermogensbestanddeel op grond van de bepalingen van box 3 leidt tot belastingheffing. Bij een schilderij is dat niet het geval; dat is vrijgesteld (roerende zaak in eigen gebruik, niet ter belegging aangehouden).
Ik kan bovendien niet genoeg bedrukken dat een wezenskenmerk van een APV is dat de inbrenger noch zijn erfgenamen invloed hebben. Het zgn. discretionaire karakter van ieder APV. Zou men wel invloed hebben dan zou er eerder sprake zijn van een concreet recht dan wel van beschikken over het vermogen als ware het eigen vermogen; dan wordt niet toegekomen aan de APV-regeling.
Voldoende is dat het Hof vaststelt dat de stichting het particuliere belang van de familie [A] dient. En tekenend is dat het Hof ook meent dat belanghebbende niet in het tegenbewijs van artikel 2.14a, zesde lid, Wet 1B 2001 (r.o. 5.10) slaagt. Dit overziend ben ik van mening dat de rechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de vrije ruimte van de wetgever (de zgn. wide margin of appreciation) dan wel deze ruimte te eng heeft geïnterpreteerd.
De vaststelling van het Hof dat belanghebbende geen recht heeft is ook feitelijk onjuist: na de statutenwijziging blijft belanghebbende gerechtigde (zie het gewijzigde artikel 13 van de statuten) en kan ze nog steeds aanspraak maken op financiële ondersteuning. Zie r.o. 5.10:
‘zij kan ook in de toekomst extra financiële ondersteuning krijgen als het haar financieel minder voorspoedig zou gaan en zij daartoe een aanvraag doet die wordt goedgekeurd, of als het interne beleid van de stichting zou worden gewijzigd’.
Bovendien kan belanghebbende jaarlijks gratis deelnemen aan de familiedag.
Bij de toets (trap II) inzake de individuele buitensporige last moet rekening worden gehouden met het werkelijke rendement op het gehele vermogen van belanghebbende in box 3 (zie Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.3). Daar is nu geen rekening mee gehouden en dat zal alsnog na verwijzing naar een (ander) Hof dienen te gebeuren. Gelet op het resultaat van de stichting in 2018 lijkt het werkelijk rendement van het toegerekende vermogen overigens lager te zijn dan het in aanmerking genomen forfaitaire rendement. Voor 2019 lijkt dat niet het geval. In de verwijzingsprocedure dient dit verder uitgewerkt te worden.
De verwijzing van het Hof (r.o. 5.15.1) naar een arrest uit 1969, ECLl:NL:HR:1968:AX5927:
‘dat toch het enkele feit, dat belanghebbende een winstmogelijkheid onbenut heeft gelaten teneinde zijn schoonvader in de gelegenheid te stellen een geldelijk voordeel te behalen, niet vormt een bijzondere omstandigheid als hierboven bedoeld, welke reden geeft tot afwijking van het beginsel, dat in de belasting slechts worden betrokken opbrengsten en inkomsten, die de belastingplichtige werkelijk heeft genoten’
is in het licht van de box-3-arresten van 6 juni 2024 overigens niet juist, nu daar ook is bepaald dat de waardestijging van de vermogensbestanddelen als werkelijk rendement in aanmerking genomen dient te worden. Daarbij komt dat het EHRM expliciet heeft verwezen naar de wetgever als degene die moet bepalen wat tot het belastbaar inkomen behoort (zie Cacciato / Italië, par. 25).
Het Hof gaat ook ten onrechte op de stoel van de wetgever zitten in r.o. 5.12:
‘het betreft voorts een puur binnenlandse situatie waarbij geen heffingslek hoeft te ontstaan omdat de daadwerkelijke houder van het vermogen (de stichting) eenvoudig als binnenlands belastingplichtige in de heffing kan worden betrokken.’
Het is niet aan de rechter om aan te geven wat een betere wettelijke oplossing is dan bestaande wetgeving. Indien er verschillende oplossingsmogelijkheden zijn, dient de rechter de keuze daartussen aan de wetgever te laten. Bovendien miskent het Hof met de term ‘eenvoudig’ de praktijk. Het tegengaan van het heffingsvacuüm had niet in alle gevallen op deze wijze tegengegaan kunnen worden. De personen aan wie het vermogen wordt toegerekend worden namelijk aan zowel inkomensheffing als schenkbelasting/erfbelasting onderworpen, een combinatie van heffingen die niet (eenvoudig) te simuleren is met een heffingssubject en heffingsgrondslag dat enkel bij de stichting berust.
Verder leidt wetgeving die enkel de binnenlandse stichting aan heffing onderwerpt ertoe dat begunstigden van een in het buitenland gevestigd APV ongelijk worden behandeld ten opzichte van de begunstigden van een Nederlands APV, omdat zij aan een heffing worden onderworpen met een volstrekt ander heffingssubject en andere heffingsgrondslag, terwijl zij overigens gelijke gevallen zijn (inwoners van Nederland en begunstigde van een doelvermogen waar meer dan bijkomstige particuliere belangen bij spelen). Dit zou op grond van de vrijheid van vestiging in EU-verband problematisch kunnen zijn, zodat buitenlandse doelvermogens binnen de EU mogelijk niet toegerekend kunnen worden aan Nederlands ingezetenen. Het kan immers bij een APV-heffing bij gerechtigden voor een doelvermogen in het buitenland, maar een heffing voor het doelvermogen als heffingssubject als deze in Nederland gevestigd is, minder aantrekkelijk zijn om een doelvermogen in het buitenland (EU-land) op te richten dan een Nederlands doelvermogen op te richten en aldaar te vestigen (vergelijk Passenheim-Van der Schoot, C-157/08, overweging 393.). Daarnaast zou deze ‘oplossing’ van het Hof een ongelijke behandeling van gelijke gevallen opleveren (ingezetenen die begunstigden zijn bij een APV), want begunstigden van een Nederlands APV worden niet belast, maar begunstigden van een buitenlands APV wel. Dit zou in het licht van artikel 1 EP EVRM en artikel 14 EVRM mogelijk een heffing opleveren ‘devoid of reasonable foundation’, nu er geen rechtvaardiging is gegeven door het Hof waarom buitenlandse APV's anders behandeld mogen worden en de kwalificatie ‘schimmig’ daarvoor onvoldoende is.
Verder heeft de wetgever deze oplossing expliciet verworpen. Zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 930, nr. 9, pagina 52 en 53.
Het Hof maakt in r.o. 5.12 ten onrechte onderscheid tussen APV's die naar Nederlands recht (niet schimmig) of naar buitenlands recht (wel schimmig) zijn opgericht, hetgeen strijdigheid met het EU-recht kan opleveren.
Het Hof lijkt te concluderen dat de APV-wetgeving niet bedoeld is voor oude familiestichtingen (r.o. 5.17 een puur binnenlandse situatie waarin in een ver verleden is afgezonderd, zonder zicht op de feiten te belemmeren). Het Hof heeft daarmee miskent dat de wetgever expliciet heeft aanvaard dat de APV-regeling ook op dit soort familiestichlingen ziet (zie o.a. de brief van de Staatssecretaris naar de Eerste Kamer inzake de mogelijkheid tot een schottenovereenkomst bij oude familiestichtingen, Eerste Kamer, ve:rgaderjaar 2012–2013, 31 930, nr. 1). Dit heeft het Hof miskend.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
Conclusie 07‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Afgezonderd particulier vermogen; art. 2.14a Wet IB 2001. Kan op grond van het APV-regime vermogen gehouden door een familiestichting worden toegerekend aan belanghebbende? Doel en strekking van het APV-regime; (fictieve) erfgenaam; tegenbewijsregeling; SBBI en overig doelvermogen. APV-regime op stelselniveau niet in strijd met art. 1 EP EVRM in samenhang met art. 14 EVRM. Toetsing Hoge Raad aan art. 1 EP EVRM.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02647
Datum 7 maart 2025
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2018 en 2019
Nrs. Gerechtshof 23/294 en 23/295
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
staatssecretaris van Financiën
tegen
[X]
en vice versa
1. Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de toepassing van het APV-regime bij een familiestichting. Het Hof oordeelde dat op grond van het APV-regime aan belanghebbende haar aandeel in het stichtingsvermogen kan worden toegerekend, maar dat die toerekening toch niet plaats kan vinden omdat het APV-regime op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP EVRM in samenhang met art. 14 EVRM. In deze zaak worden beide oordelen bestreden: belanghebbende meent dat überhaupt niet aan toerekening wordt toegekomen, en de Staatssecretaris stelt dat het APV-regime niet op stelselniveau art. 1 EP EVRM jo. art. 14 EVRM schendt.
1.2
Belanghebbende is lid van de familie [A]. De [A] Stichting (de stichting) beoogt de familie financieel te ondersteunen door het doen van uitkeringen ten behoeve van studie dan wel bij financiële behoeftigheid en beoogt de familiale cohesie te bevorderen. Voorts heeft de stichting ten doel om medisch onderzoek naar tinnitus (oorsuizen) te ondersteunen. Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren geen uitkering van de stichting ontvangen. Haar aandeel in het stichtingsvermogen is op grond van het APV-regime aan haar toegerekend.
1.3
Belanghebbende bestrijdt in het incidenteel cassatieberoep de kwalificatie van de stichting als APV en de toerekening van het stichtingsvermogen aan haar. In hoofdstuk 4 ga ik daarom in op het APV-regime. Nadat ik het wettelijk kader (4.1-4.3), doel en strekking van het APV-regime en de door de wetgever onderzochte alternatieven voor het APV-regime heb besproken (4.4-4.10), sta ik stil bij het begrip ‘erfgenaam’ in de APV-regeling (4.11-4.14). Ook ga ik in op de tegenbewijsregeling (4.15-4.17). Daarna sta ik nog kort stil bij de sociaal belang behartigende instelling (SBBI) (4.18-4.20) en het overig doelvermogen (4.22-4.23).
1.4
In het principaal cassatieberoep komt de Staatssecretaris op tegen het oordeel van het Hof dat het APV-regime op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP EVRM jo. art. 14 EVRM. In hoofdstuk 5 behandel ik het toetsingskader van art. 1 EP EVRM. Eerst geef ik enige achtergrond bij het toetsingskader zoals dat door het EHRM is ontwikkeld (5.2-5.8). Daarna ga ik in op de invulling door de Hoge Raad van dit kader (5.9-5.10), die onderscheid maakt tussen schendingen op stelselniveau (5.11-5.13) en individueel niveau (5.14-5.18). Tot slot sta ik nog stil bij het arrest van 26 maart 2021 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Niessen, omdat in die zaak de verenigbaarheid van het APV-regime met art. 1 EP EVRM aan de orde was (5.19-5.20).
1.5
In hoofdstuk 6 volgt mijn beoordeling van het incidenteel cassatieberoep. Ik meen dat het incidenteel cassatieberoep faalt en zich leent voor afdoening met art. 81 Wet RO. Het Hof is uitgegaan van het juiste rechtskader. De stelling dat aan het APV-regime niet wordt toegekomen als misbruik niet aan de orde is – dat aan veel van de klachten ten grondslag ligt – is te kort door de bocht. De APV-regeling geldt blijkens de tekst en strekking van de bepaling en de wetsgeschiedenis ‘gewoon’ voor alle discretionaire doelvermogens die meer dan bijkomstig een particulier belang bogen, zonder dat daar nog allerlei kwalitatieve eisen aan worden gesteld. Het oordeel van het Hof dat de stichting als APV kwalificeert en belanghebbende als erfgenaam haar aandeel in het stichtingsvermogen toegerekend krijgt, berust op een aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden, welk oordeel voldoende en begrijpelijk is gemotiveerd.
1.6
In hoofdstuk 7 beoordeel ik het principaal cassatieberoep: ik meen dat dit slaagt. De vormgeving van het APV-regime is op zijn minst onhandig te noemen. Het is immers nadrukkelijk niet de bedoeling om het inkomen genoten van het APV door een individuele begunstigde te belasten, maar om te heffen over het zwevende vermogen op zich. Vanuit het doel van de regeling op zich bezien is het niet direct problematisch als er een discrepantie bestaat tussen het aan de erfgenaam toegerekende aandeel in het APV-vermogen en het daadwerkelijke voordeel dat een erfgenaam van dat APV geniet; de APV-regeling heeft een wezenlijk ander karakter dan box 3. Dat neemt niet weg dat de discrepantie in breder verband bezien dusdanig buiten proportie zou kunnen zijn dat deze niet kan worden gerechtvaardigd door het doel van de wetgever om het APV in de heffing te betrekken en daarmee het heffingslek op te heffen. Maar ook dat is mijns inziens niet – althans in ieder geval niet stelselmatig – het geval. Mijns inziens blijft de wetgever met deze inrichting van het APV-regime op stelselniveau binnen de wide margin of appreciation. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat de wetgever andere alternatieven heeft afgewogen en gemotiveerd heeft afgewezen.
1.7
Ik adviseer de Hoge Raad om het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond te verklaren, het incidenteel cassatieberoep van belanghebbende ongegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen.
2. De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
2.1
In deze zaak staat de [A] Stichting (de stichting) centraal. De stichting is door [B] (de oprichter) opgericht op 2 januari 1907. De oprichter is in 1907 overleden, zonder partner, nakomelingen of nog levende ouders. De stichting was zijn enig erfgenaam. Belanghebbende is de weduwe van [C], de kleinzoon van een broer van de oprichter.
2.2
Op 2 januari 1907 zijn de statuten van de stichting vastgesteld. Het statutaire doel van de stichting was het financieel ondersteunen van leden van de familie [A] bij studie en financiële behoeftigheid (art. 2 van de originele statuten). Aan de statuten is door het stichtingsbestuur uitvoering gegeven door jaarlijkse toekenning van een financiële bijdrage van tweeduizend euro (voor familieleden in de leeftijd 18-40 jaar) dan wel duizend euro (leeftijd 40 jaar en ouder). Behoeftige familieleden konden daarnaast een aanvraag indienen voor aanvullende financiële ondersteuning. In totaal is in de periode 2009-2018 € 1.107.685 uitgekeerd aan familieleden. Belanghebbende heeft in die jaren geen uitkering ontvangen. Daarnaast werden familiebijeenkomsten georganiseerd en werd een website in stand gehouden. Voorts heeft de stichting in die periode bijgedragen aan onderzoeken naar tinnitus in de vorm van totaal € 70.000 aan donaties. In 2019 heeft de stichting € 111.474 aan familieleden uitgekeerd en € 85.000 gedoneerd ten behoeve van medisch onderzoek.
2.3
Op 11 oktober 2018 zijn de statuten van de stichting gewijzigd. Sindsdien is aan die gewijzigde statuten uitvoering gegeven door aan familieleden in de leeftijd 18-38 jaar een jaarlijkse uitkering te doen van circa tweeduizend euro. Familieleden ouder dan 38 jaar ontvangen niet langer een jaarlijkse uitkering. Behoeftige familieleden kunnen daarnaast een aanvraag indienen ter aanvullende financiële ondersteuning. Het vermogen van de stichting bedroeg op 1 januari 2018 € 8.148.046 en op 1 januari 2019 € 7.604.305.
2.4
De stichting wordt bestuurd door één directeur, die verantwoording verschuldigd is aan de raad van commissarissen. De directeur maakt jaarlijks de administratie van de stichting op; de raad van commissarissen stelt deze vast. De stichting publiceert niet haar financiële gegevens. De familieleden zijn niet gerechtigd tot het verkrijgen van informatie omtrent de financiële gegevens van de stichting.
2.5
Op 6 juli 2018 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om te bevestigen dat de stichting wordt gekwalificeerd als SBBI en zo niet, te bevestigen dat de familieleden niet worden aangemerkt als fictieve erfgenamen aan wie het vermogen wordt toegerekend. De Inspecteur heeft op basis van een stamboom per erfgenaam bij versterf bepaald hoeveel ib/pvv zij als begunstigde van de stichting verschuldigd zijn en of er erfbelasting verschuldigd is. Op 24 september 2019 heeft het vooroverleg plaatsgevonden. De uitkomst van dit vooroverleg was dat partijen van mening verschillen over de kwalificatie van de stichting.
2.6
De Inspecteur en belanghebbende hebben vaststellingsovereenkomsten gesloten voor de jaren 2014 tot en met 2018 (vso 1) en 2019 (vso 2). Daarin is onder meer overeengekomen dat met toepassing van art. 64 AWR aanslagen vennootschapsbelasting (vpb) 2018 en 2019 aan de stichting worden opgelegd. Deze aanslagen zien op de volgens de Inspecteur door de familieleden verschuldigde ib/pvv en erfbelasting. Afgesproken is om aan belanghebbende wel aanslagen ib/pvv 2018 en 2019 op te leggen teneinde het verschil van mening aan de rechter te kunnen voorleggen. In deze aanslagen zijn bedragen begrepen van € 156.931 (2018) en € 146.458 (2019) aan vermogen van de stichting dat aan belanghebbende is toegerekend in box 3. Belanghebbende heeft (in totaal) een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, gebaseerd op werkelijk rendement, genoten van € 16.566 (2018) respectievelijk € 16.652 (2019).1.
Rechtbank Noord-Holland2.
2.7
Voor de Rechtbank was in geschil of de stichting moet worden aangemerkt als afgezonderd particulier vermogen (APV) in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001 en of belanghebbende is aan te merken als fictief erfgenaam en als begunstigde.
2.8
De Rechtbank heeft overwogen dat de stichting niet kan worden aangemerkt als SBBI. De doelgroep bestaande uit de familieleden is te beperkt om ten aanzien van de financiële ondersteuning van de familieleden te kunnen spreken van een belang voor de maatschappij als geheel. Daarom is volgens de Rechtbank in zoverre geen sprake is van de behartiging van een sociaal belang. De financiële ondersteuning van het onderzoek naar tinnitus is een algemeen belang en kan daarom niet leiden tot de kwalificatie als SBBI (overweging 28). Met het financieel ondersteunen van familieleden en het organiseren van activiteiten ten behoeve van de familie wordt uitsluitend een particulier belang (namelijk het persoonlijk belang van de familieleden) gediend. Gelet op de hoogte van de uitkeringen aan familieleden enerzijds en de hoogte van donaties voor tinnitusonderzoek anderzijds (zie 2.2), is de conclusie van de Rechtbank dat meer dan bijkomstig (meer dan 10%) een particulier belang wordt beoogd (overweging 29 en 30). De stichting moet worden aangemerkt als APV; dat brengt mee dat de stichting niet kan worden aangemerkt als ‘overig doelvermogen’ (overweging 31). De Rechtbank oordeelde verder dat belanghebbende fictief erfgenaam is (art. 2:14a(4) Wet IB 2001). De Rechtbank overwoog dat onder ‘onterving’ in de context van de APV-regeling ook moet worden verstaan impliciete onterving door de benoeming van een ander tot erfgenaam bij uiterste wilsbeschikking. Dat geen sprake was van anti-fiscaal denken leidt niet tot ander oordeel, want de wetgever heeft al het discretionaire vermogen in een APV willen belasten (overweging 34). Voorts overwoog de Rechtbank dat belanghebbende moet worden aangemerkt als begunstigde (overweging 36).
2.9
De Rechtbank heeft de APV-regeling niet in strijd geacht met art. 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb). Het APV-regime is niet beperkt tot anti-misbruiksituaties (overweging 39). De Rechtbank heeft daarbij gewezen op het arrest van 26 maart 2021.3.In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de APV-regeling een effectieve tegenbewijsmogelijkheid kent en daarmee ‘lawful’ is. Niet kan worden gezegd dat de wetgever de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden door opheffing van een heffingsvacuüm met behulp van een heffing over de forfaitair bepaalde opbrengst over een aan een belanghebbende toegerekend vermogensbestanddeel. Dat een belastingplichtige niet (direct) kan beschikken over het aan hem of haar toegerekende vermogensbestanddeel, maakt dit niet anders. Ook het Kerstarrest4.maakt dit niet anders: in dat arrest was een geheel andere vraag aan de orde (overweging 40). Er bestaat ook geen strijd met het evenredigheidsbeginsel. De kwalificatie als APV is geen discretionaire bevoegdheid van de Inspecteur, en er doet zich voorts niet een bijzondere situatie voor waarbij het gevolg van de wetstoepassing dusdanig is dat de wetgever die niet voor ogen kan hebben gehad. Ook doet zich geen strijd voor met het willekeurverbod en het verbod van détournement de pouvoir. Niet kan worden gezegd dat de APV-regeling (materieel) terugwerkende kracht heeft, want het geding ziet op aanslagen 2018 en 2019 (overweging 41). Tot slot heeft de Rechtbank gewezen op de mogelijkheid om ‘maatwerk’ bij de heffing te leveren op grond van art. 64 AWR (overweging 42).
2.10
De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Gerechtshof Amsterdam5.
2.11
Het Hof oordeelde dat de stichting is aan te merken als APV (overweging 5.6). Het Hof heeft daartoe de overwegingen van de Rechtbank omtrent de kwalificatie van de stichting als APV tot de zijne gemaakt (2.8). Het vermogen van de stichting kan op grond van de APV-regeling pro rata parte worden toegerekend aan belanghebbende. Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank (2.8) dat de oprichter hiermee zijn broers en zussen impliciet heeft ‘onterfd’ in de zin van art. 2:14a(4) Wet IB 2001 overgenomen (overweging 5.8.1-5.8.2). Belanghebbende is – nu haar echtgenoot is overleden – ‘fictief’ erfgenaam in de zin van de APV-regeling (overweging 5.9). Naar het oordeel van het Hof kan de tegenbewijsregeling van art. 2.14a(6) Wet IB 2001 niet worden toegepast. Het rechtens zijn van begunstigde met de mogelijkheid tot het verkrijgen van uitkeringen in de toekomst maakt dat er geen reden is om haar niet als fictief erfgenaam aan te merken (overweging 5.10). Dat de oprichter van de stichting geen anti-fiscaal motief had, doet aan al het voorgaande niet af (overweging 5.11).
2.12
Het Hof is tot het oordeel gekomen dat de APV-regeling in strijd is met art. 1 EP EVRM. De APV-regeling is naar het oordeel van het Hof lawful (ovw. 5.14.1). Ook heeft de regeling een legitimate aim (overweging 5.15.1). Het Hof is echter van oordeel dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, in redelijkheid niet kan worden gezegd dat de uit art. 1 EP EVRM voortvloeiende proportionaliteitstoets (fair balance), de met de APV-regeling genomen ruimte biedt. Indien een deel van de groep begunstigden geen uitkering ontvangt, worden zij toch voor de inkomsten over het fictief aan hen toegerekende vermogensaandeel belast. Andersom worden begunstigden die geldbedragen groter dan hun fictieve aandeel ontvangen juist te licht belast. Dit betekent dat de APV-regeling een relatieve ongelijkheid creëert op grond van een omstandigheid waarop de betrokkenen zelf geen invloed hebben (overweging 5.15.1-5.15.3). Een heffing als hiervoor beschreven is zo ruw dat deze zeer ver is komen af te staan van de werkelijkheid. Naar het oordeel van het Hof vormen de op zich legitieme belangen van de wetgever, hoe begrijpelijk ook, daarvoor geen voldoende rechtvaardiging. Het Hof heeft hierbij mede in overweging genomen dat de wetgever in een situatie als de onderhavige zijn doel – het tegengaan van een heffingsvacuüm – ook op een andere, veel minder verstrekkende, wijze had kunnen bereiken, bijvoorbeeld door het onderwerpen van de binnenlandse stichting aan een heffing (overweging 5.16). Voor degene die in gevallen als het onderhavige geconfronteerd wordt met een heffing als de onderhavige terwijl hem of haar geen daadwerkelijke uitkering toekomt en hij of zij daarop ook niet enig recht kan doen gelden, leidt dit stelsel dan ook tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM (het discriminatieverbod), gewaarborgde rechten (overweging 5.17). Het Hof ziet, gelet op de daarbij zich aandienende aan de wetgever voorbehouden keuzes, geen ander aanknopingspunt om de geconstateerde schending op te heffen en in het onderhavige geval rechtsbescherming te bieden, dan met een op rechtsherstel gerichte compensatie. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende dient daarom in beide jaren te worden vastgesteld zonder inachtneming van het toegerekende vermogen van de stichting (overweging 5.19).
3. Het geding in cassatie
3.1
De Staatssecretaris heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep in cassatie schriftelijk beantwoord.
Principaal beroep in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.2
De Staatssecretaris komt in cassatie onder aanvoering van één middel met twee subklachten. Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het stichtingsvermogen niet aan belanghebbende kan worden toegerekend, omdat
a) het Hof hiermee miskent dat de wetgever zwevende vermogens heeft willen tegengaan, waardoor toerekening ook in gevallen als de onderhavige gerechtvaardigd is, en
b) belanghebbende ook na de statutenwijziging in 2018 nog steeds gerechtigde is tot het stichtingsvermogen.
Verweerschrift
3.3
In haar verweerschrift stelt belanghebbende dat de Staatssecretaris met subklacht a) niet duidelijk maakt waarom de toepassing van art. 1 EP EVRM jo. art. 14 EVRM zou moeten wijken voor de wil van de wetgever. Subklacht b) berust volgens belanghebbende op een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof en zou feitelijke grondslag missen.
Incidenteel beroep in cassatie
Beroepschrift in cassatie
3.4
Belanghebbende voert in het incidenteel cassatieberoep één middel aan, bestaande uit drie onderdelen die op hun beurt weer bestaan uit in totaal zes klachten. Die zes klachten zijn veelal ook weer onderverdeeld in subklachten. Om de conclusie behapbaar te houden, houd ik het bij de volgende zakelijke weergave van de zes klachten.
3.5
Het eerste onderdeel is getiteld ‘is de stichting een APV?’. De eerste drie klachten worden in het kader van dit onderdeel aangevoerd. De klacht onder 1.1 houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de stichting geen SBBI is (overweging 5.4). De klacht onder 1.2 houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de stichting een APV is (overweging 5.3 en 5.5, 5.11). De klacht onder 1.3 bestrijdt het oordeel van het Hof dat de stichting niet een ‘overig doelvermogen’ is (overweging 5.5).
3.6
Het tweede onderdeel, genaamd ‘is de toerekening aan belanghebbende terecht?’, bestaat uit twee klachten. De klacht onder 2.1 bestrijdt het oordeel dat het stichtingsvermogen op basis van de APV-wetgeving aan belanghebbende moet worden toegerekend (overweging 5.8.1-5.8.2, 5.9 en 5.11). De klacht onder 2.2 bestrijdt het oordeel dat de overleden echtgenoot en belanghebbende voldoen aan de begunstigingseis van art. 2.14a(4) Wet IB 2001 (overweging 5.9, 5.10 en 5.11).
3.7
De klacht in onderdeel 3 (‘artikel 1 EP EVRM: toepassing APV-wetgeving is niet ‘lawful’) bestrijdt het oordeel van het Hof dat (tussen partijen niet in geschil is dat) de APV-regeling ‘lawful’ is (overweging 5.14.1).
3.8
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Hetgeen belanghebbende aanvoert, wijst er echter eerder op dat zij wil dat de beslissing van het Hof (het dictum van de uitspraak) in stand blijft. Zij voert alleen andere argumenten aan voor die beslissing dan de gronden die het Hof daarvoor heeft gebruikt. Gegrondverklaring van het incidentele cassatieberoep van belanghebbende zou er toe leiden dat de beslissing van het Hof in stand blijft, zij het op andere gronden dan de door het Hof gebruikte overwegingen.
Zienswijze
3.9
De Staatssecretaris stelt in reactie op de klachten in onderdeel 1 dat voor een SBBI de behartiging van een sociaal belang voor het geheel voorop moet staan. Hieruit volgt dat instellingen gericht op familiale belangen niet voldoen aan het criterium van het maatschappelijk belang. Voorts heeft het Hof op basis van de hem toekomende waardering van de bewijsmiddelen kunnen oordelen dat de stichting ook meer dan bijkomstig een particulier belang nastreeft, waardoor terecht is geoordeeld dat de stichting een APV is. Omdat het zijn van een ‘overig doelvermogen’ toepassing van de APV-regeling niet uitsluit, is de kwalificatie overig doelvermogen niet relevant voor de vraag of de stichting een APV is, aldus de Staatssecretaris.
3.10
In verweer op onderdeel 2 stelt de Staatssecretaris dat de wetgever ook impliciete onterving onder de APV-regeling heeft willen begrijpen. Verder merkt hij op dat belanghebbende begunstigde is van de stichting.
3.11
Ten aanzien van onderdeel 3 schrijft de Staatssecretaris dat hij niet in ziet hoe de door belanghebbende onjuist geachte toepassing van de wet zou kunnen leiden tot een oordeel dat de APV-regeling unlawful zou zijn. Dat de regeling onvoldoende processuele waarborgen zou kennen, ontkent hij.
4. Het APV-regime
4.1
In deze zaak staat – zoals de lezer inmiddels wel zal zijn opgevallen – de APV-regeling centraal. Ik zet daarom voor zover relevant voor dit geschil uiteen wat de APV-regeling inhoudt. Hierbij maak ik ook een kort uitstapje naar de SBBI en het overig doelvermogen.
APV-regeling in de wet
4.2
De APV-regeling is tot stand gekomen bij de wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten.6.De regeling is per 1 januari 2010 van kracht geworden. Daarbij zijn doelvermogens in vier categorieën verdeeld, namelijk 1) APV’s, 2) SBBI’s, 3) ANBI’s en 4) overige doelvermogens.7.
4.3
Deze APV-regeling is opgenomen in art. 2.14a Wet IB 2001 (tekst zoals die gold in de onderhavige jaren):8.
“1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening). Na het overlijden van de persoon, bedoeld in de eerste volzin, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, toegerekend aan diens erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. Vanaf het moment dat de in de vorige volzin bedoelde erfgenaam is overleden, treden diens erfgenamen en de daaropvolgende erfgenamen in de plaats van de overleden erfgenaam, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij erfgenaam is van de overleden erfgenaam waarvoor hij in de plaats treedt.
2. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een afgezonderd particulier vermogen, niet zijnde een sociaal belang behartigende instelling: een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering van dit vermogen:
a. een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, of
b. een economische deelgerechtigdheid is ontstaan.
3. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder het afzonderen van vermogen verstaan:
a. het om niet of onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen;
b. het rechtens dan wel in feite, direct of indirect, vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd van de vervreemder, van zijn partner of van een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of tot en met de vierde graad van de zijlijn.
4. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder een erfgenaam mede verstaan een persoon die is onterfd en die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen of wiens partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen. (…)
6. Het eerste lid, tweede en derde volzin, is niet van toepassing met betrekking tot een erfgenaam, ingeval blijkt dat deze persoon en diens partner niet rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde zijn van het afgezonderd particulier vermogen en dit ook niet kunnen worden. Ingeval de eerste volzin toepassing vindt, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan de overige erfgenamen in dezelfde verhouding als zij verkrijgers krachtens erfrecht zouden zijn geweest bij uitsluiting van de in de eerste volzin bedoelde erfgenaam. De in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening is niet van toepassing ingeval blijkt dat de erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen van de in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde toerekening.
7. Onder de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, bedoeld in het eerste lid, worden niet begrepen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven ter zake waarvan blijkt dat die tot het vermogen, onderscheidenlijk de winst, van een onderneming van het afgezonderd particulier vermogen behoren, voor zover blijkt dat de winst uit deze onderneming in de staat of in de staten waarin deze wordt gedreven is onderworpen aan een belasting naar de winst. Onder een onderneming als bedoeld in de eerste volzin wordt mede begrepen een werkzaamheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. (…)”
De strekking van het APV-regime
4.4
In mijn conclusie van 23 augustus 2024 heb ik de strekking van het APV-regime behandeld.9.De achtergrond van het APV-regime is het opheffen van een ‘ongewenst heffingsvacuüm’ bij zwevende particuliere vermogens, omdat die vermogens zich in een (fiscale) ‘spagaatpositie’ bevinden. De kern van het APV-regime bestaat erin dat het afgezonderd particulier vermogen fiscaal wordt genegeerd, of anders gezegd, als fiscaal transparant wordt behandeld. Het vermogen wordt (pro rata parte) toegerekend aan de insteller van het APV of zijn erfgenamen. Vóór de invoering van het APV-regime in 2010 waren zwevende vermogens regelmatig onderdeel van discussies tussen de fiscus en belastingplichtigen. Het kader waarin constructies met zwevende vermogens konden worden bestreden, was over het algemeen niet als zodanig wettelijk vastgelegd, diffuus en soms ook ontoereikend om belastingontwijking te bestrijden. De Inspecteur kon (slechts) op grond van de transparantiejurisprudentie vermogen toerekenen als een belastingplichtige kon beschikken over het stichtingsvermogen als ware het zijn eigen vermogen.
4.5
Er is door de wetgever voor gekozen om de APV-regeling dusdanig ruim – ‘robuust’10.– op te zetten dat die regeling ook geldt ten aanzien van erfgenamen die feitelijk geen of weinig uitkeringen uit het APV ontvangen. Alleen de erfgenaam die kan doen blijken dat hij of zij geen begunstigde is of kan zijn, blijft buiten schot. Er is voorts bewust voor gekozen om niet slechts te heffen over hetgeen daadwerkelijk wordt verkregen, omdat dan vermogen onbelast blijft zweven zolang niets uitgekeerd wordt:11.
“(…) Deze leden stellen voorts de vraag of er niet zou moeten worden gekozen om alleen te heffen van degenen die erfgenaam zijn en ook daadwerkelijk verkrijgen uit de trust. Ik deel dit oordeel niet omdat het vermogen dat voor deze erfgenamen bedoeld is onbelast blijft zweven zolang niets uitgekeerd wordt. Tevens creëert dit een ongelijkheid met personen die niets in een APV hebben ingebracht. Het wetsvoorstel beoogt een dergelijke heffingsvacuüm en een dergelijke ongelijke behandeling tussen economisch vergelijkbare personen te voorkomen.”
4.6
Er is bewust bij de categorie van erfgenamen aangeknoopt, omdat die groep moeilijk te manipuleren is. Een heffing bij het APV zelf stuit volgens de wetgever op grotere bezwaren dan de systematiek onder de APV-regeling:12.
“Er is voor de belastingheffing niet «gemakshalve» aangeknoopt bij het erfgenaamschap. Er is juist bewust bij deze categorie aangeknoopt omdat deze categorie helder is en niet of moeilijk te manipuleren is. Er bestaat ook geen onduidelijkheid of men erfgenaam is of niet. Of men begunstigde is, is vaak niet (direct) duidelijk. Bovendien worden veruit alle situaties in de praktijk bestreken. Een alternatief om na het overlijden van de inbrenger niet te heffen bij de erfgenamen maar bij het APV zelf stuit op grotere bezwaren dan in de voorgestelde systematiek. Erfbelasting en in volgende jaren winstbelasting dient in dat alternatief geheven én geïnd te worden bij het APV: dit is uiterst lastig gelet op de doorgaans feitelijke vestiging in een belastingparadijs. In een dergelijk systeem worden in het buitenland wonende erfgenamen uiteindelijk zwaarder belast dan ingeval rechtstreeks aan hen zou worden toegerekend. Het alternatief om aan te knopen bij uiteindelijke daadwerkelijke verkrijgingen door een begunstigde, laat situaties van zwevend vermogen in stand zolang geen vermogen wordt uitgekeerd: dit vind ik erg bezwaarlijk.”
4.7
Daarbij moet opgemerkt worden dat de wetgever ervan uitging dat de erfgenamen en de begunstigden in de praktijk eigenlijk nagenoeg altijd overlappen. Voor het geval dat toch niet zo is en geen beroep kan worden gedaan op de tegenbewijsregeling, werd er op gewezen dat de inbrenger vooraf (bij instellen APV) of tussentijds (tijdens bestaan APV) rekening kan houden met de toerekening aan erfgenamen.13.
4.8
Er is – naast de mogelijkheid van (vpb-)heffing over het APV zelf – ook aandacht besteed aan de mogelijkheid van het invoeren van een fiscaal regime voor familiestichtingen. Het voorstel van de Commissie Moltmaker om een dergelijk regime in te voeren heeft geen vruchtbare aarde gevonden.14.In het door deze commissie voorgestelde regime zou voor de IB-heffing worden aangeknoopt bij de stichting zelf. Bij de invoering van de APV-regeling is deze optie van de hand gewezen, omdat daarmee niet zou worden beantwoord aan de behoeften van de praktijk en te veel wetstechnische en uitvoeringsproblemen zouden ontstaan.15.
4.9
Vers van de pers is het fiscaal onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen. In het ambtelijk rapport naar aanleiding van dit onderzoek wordt ingegaan op de mogelijkheden om familiestichtingen in de heffing te betrekken.16.In het rapport wordt geconcludeerd dat veruit de meeste familiestichtingen niet als APV zijn aangemerkt en wordt voorgesteld om de APV-regeling nog eens tegen het licht te houden. Er kan dan worden geëvalueerd “of de huidige formulering de Belastingdienst voldoende handvatten biedt om alle vormen van misbruik en oneigenlijk gebruik aan te pakken of dat uitbreiding of aanpassing nodig is”. Daarbij wordt nog genoemd dat de vpb-plicht voor stichtingen “een complex onderwerp is waarbij zorgvuldige afwegingen van belang zijn, en ook moet worden voorkomen dat eventuele maatregelen verder gaan dan nodig is”.
4.10
Tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel dat heeft geleid tot art. 2.14a Wet IB 2001 is een voorbeeld genoemd dat lijkt op de situatie waarin belanghebbende verkeert. Dat voorbeeld zag op een APV dat als begunstigden een aantal ANBI’s en vier neven en nichten van de insteller kent. De insteller heeft de vier neven en nichten en een kerk tot erfgenamen benoemd. De neven en nichten kunnen slechts in geval van nooddruftigheid een uitkering ontvangen, en nooit meer dan € 25.000 per jaar; het vermogen van de APV bedraagt € 30 miljoen. Voor zo’n APV geldt dan dat ieder van de erfgenamen een vijfde deel van die € 30 miljoen krijgt toegerekend. Om deze wettelijke gevolgen te voorkomen, zal ‘de inbrenger een andere juridische structuur dienen te creëren’.17.Bij die parlementaire behandeling is ook de vraag aan de orde gekomen of een ‘Stichting Studiefonds’ ten behoeve van behoeftige nazaten van een insteller aangemerkt zal worden als een APV. Dat is volgens de wetgever doorgaans het geval: “er wordt immers een meer dan bijkomstig particulier belang beoogd, namelijk het vormen van een financiële buffer voor de bekostiging van de studie van individuele leden van een familie”.18.
De ‘erfgenaam’ in de zin van de APV-regeling (lid 4)
4.11
In het vierde lid van art. 2.14a Wet IB 2001 is geregeld dat onder een erfgenaam mede wordt verstaan een persoon die is onterfd en die rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde is van het APV of wiens partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn begunstigde is van het APV.
4.12
In een nota van wijziging is dit vierde lid toegevoegd. Dat is gedaan om te voorkomen dat men aan de werking van de APV-regeling kan komen als de insteller van een APV zijn erfgenamen onterfd, maar hen wel als begunstigde aanwijst.19.De wetgever dacht in de praktijk bij onterfde personen aan eerste- en tweedegraads familieleden 'die door de wet als erfgenamen tot zijn nalatenschap zouden kunnen worden geroepen, maar krachtens uiterste wilsbeschikking zijn uitgesloten’. Bedoeld is om een ruim toepassingsbereik op te zetten om ‘allerhande’ constructies binnen de familie te raken.20.
4.13
De ruime strekking van het begrip ‘erfgenaam’ komt naar voren in het volgende voorbeeld. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is de door Auerbach in WPNR21.geformuleerde vraag aan de orde gekomen of een erfgenaam die de erfenis verwerpt per definitie van de toerekening uitgezonderd is op grond van (het toen nog voorgestelde) art. 2.14a Wet IB 2001. Dat is niet het geval, gelet op het risico dat daarmee een heffingslek zou kunnen ontstaan:22.
“Verder vraagt de auteur te bevestigen dat diegenen die onwaardig zijn om te erven (artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek), degenen die uit een uiterste wilsbeschikking geen voordeel kunnen genieten (artikel 4:57–61 van het Burgerlijk Wetboek) en de erfgenaam die verwerpt (artikel 4:190 van het Burgerlijk Wetboek), van de toerekening zijn uitgezonderd. Bij deze kan ik bevestigen dat de eerste twee groepen personen niet als erfgenaam in de zin van artikel 2.14a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden beschouwd. Dit geldt echter niet voor de derde groep, de erfgenaam die verwerpt, zeker nu deze persoon het in eigen hand heeft om afhankelijk van de aard en inhoud van de nalatenschap, maar ook met het oog op de aanwezigheid van een APV, een ongewenste, fiscaal geïndiceerde weg te bewandelen. Ik wil dit verduidelijken met een voorbeeld.
Voorbeeld 12
De heer A heeft een Liechtensteinse Anstalt ingesteld en daarin een vermogen van € 10 mln afgezonderd. Gedurende zijn leven wordt dit vermogen aan hem toegerekend. De heer A is gescheiden en heeft een meerderjarige zoon (Z) en dochter (D). Het vermogen buiten de Anstalt bedraagt € 100 000. Zowel Z als D zijn daarnaast begunstigden van de Anstalt. Na het overlijden van A zouden Z en D kunnen besluiten om de nalatenschap te verwerpen om zich zodoende actief te manoeuvreren buiten de kring van erfgenamen aan wie het vermogen van de Anstalt wordt toegerekend.
Gelet op het voorbeeld wil ik niet ongeclausuleerd toestaan dat een erfgenaam die verwerpt geen erfgenaam is in de zin van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit zou onbedoeld een heffingslek creëren. Dit komt de robuustheid van de wettelijke bepaling niet ten goede.”
4.14
Uit de parlementaire geschiedenis van art. 2.14a Wet IB 2001 volgt dat ook personen die gedeeltelijk onterfd zijn onder art. 2.14a(4) Wet IB 2001 kunnen vallen, hetgeen eveneens op het ruime toepassingsbereik van het vierde lid duidt.23.
Tegenbewijsregeling (lid 6)
4.15
In het zesde lid van art. 2.14a Wet IB 2001 is een tegenbewijsregeling opgenomen.24.Die regeling houdt in dat een erfgenaam die niet op enige wijze begunstigde is of kan worden van het APV aan toerekening van APV-vermogen kan ontkomen. Maar dat zal de erfgenaam dan wel moeten ‘doen blijken’. Die verzwaarde bewijslast geldt om te voorkomen dat “te lichtvaardig genoegen wordt genomen” met een onwaarachtige verklaring:25.
“Een verzwaarde bewijslast wordt de erfgenaam opgelegd om te voorkomen dat te lichtvaardig genoegen wordt genomen met een verklaring welke niet strookt met de materiële feiten en omstandigheden. Voorts is het niet aannemelijk dat men zomaar als erfgenaam wordt uitgesloten van de kring van begunstigden. In de praktijk kan worden gedacht aan de situatie dat het «zwarte schaap» van de familie uitdrukkelijk buiten het afgezonderd particulier vermogen is gehouden. In een akte is deze persoon aangemerkt als «excluded person», voor nu en voor de toekomst. In een dergelijk geval zou het onredelijk zijn om bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven aan deze erfgenaam toe te rekenen. Ingeval blijkt dat een van de erfgenamen geen begunstigde is en dit ook niet kan worden, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het afgezonderd particulier vermogen toegerekend aan de overige erfgenamen in dezelfde verhouding als zij verkrijgers krachtens erfrecht zouden zijn geweest bij uitsluiting van de in de eerste volzin bedoelde persoon. Dit wettelijk vermoeden is opgenomen omdat het enerzijds aannemelijk is dat uitsluiting van de ene erfgenaam in economische zin leidt tot aanwas van vermogen bij de andere erfgenamen en anderzijds om een heffingslek te voorkomen.”
4.16
In de parlementaire geschiedenis is tot uitdrukking gebracht dat de wetgever het ‘dynamische proces’ van het leveren van tegenbewijs vrij heeft willen laten en daarbij ervan uitging dat dit – in samenspraak met de inspecteur – zal lukken als een erfgenaam inderdaad geen begunstigde is en kan worden, zulks mede gelet op het gegeven dat het te leveren tegenbewijs afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval. Ook is bedoeld om met deze bepaling tot uitdrukking te brengen dat fiscaal gedreven ontervingen maatschappelijk ongewenst zijn.26.
4.17
Er kan in de praktijk behoefte bestaan aan ‘zekerheid vooraf’ over de vraag of een erfgenaam nog begunstigde kan en zal kunnen worden van een APV. Daarom bestaat de mogelijkheid om daarover afspraken te maken met de inspecteur in een zogenoemde ‘schottenovereenkomst’.27.In zo’n overeenkomst worden afspraken gemaakt waarmee wordt gewaarborgd dat er een ‘hermetisch schot’ bestaat tussen het afgezonderde vermogen en de inbrenger(s)/erfgenamen.28.De schottenovereenkomst is onder meer bedoeld voor de situatie waar een erfgenaam geen begunstigde is of kan worden, maar het erg moeilijk is om dat (negatieve) bewijs te leveren. Door dergelijke afspraken – waarbij op schending ervan een sanctie wordt afgesproken – te maken, kan toch worden gewaarborgd dat het vermogen afgezonderd van de erfgenamen blijft.
De SBBI
4.18
In art. 5c AWR is geregeld wat een SBBI is:
“Een sociaal belang behartigende instelling is een instelling:
a. die in overeenstemming met haar regelgeving een sociaal belang behartigt;
b. die niet aan een winstbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
c. die aan de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt ter zake van de door die leden voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning toekent dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;
d. die is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat.”
4.19
De SBBI is een doelvermogen dat zich richt op een particulier belang, maar tegelijkertijd een belangrijke rol in de maatschappij vervult. Het gaat om instellingen die “activiteiten ontplooien voor en met mensen, activiteiten waaraan een grote maatschappelijke waarde kan worden toegekend omdat zij een belangrijke bijdrage leveren aan een gezonde en veerkrachtige samenleving en de sociale cohesie bevorderen.”29.
4.20
Het verschil tussen een SBBI en een ANBI is dat de SBBI een sociaal belang behartigt en de ANBI een (nagenoeg) uitsluitend algemeen belang. Een sociaal belang is weliswaar particulier, maar heeft duidelijk maatschappelijk toegevoegde waarde. Het verschil met een APV – dat tevens een particulier belang behartigt – is dat een APV (nagenoeg) uitsluitend het privébelang behartigt van personen die behoren tot een bepaalde groep mensen, waarbij geen sociaal belang speelt waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het maatschappelijk welzijn in het algemeen:30.
“Het principiële onderscheid tussen het sociale en algemene belang is, dat het sociale belang in feite een particulier belang is waaraan desalniettemin maatschappelijk een grote waarde wordt toegekend. Sociaal belang behartigende instellingen dienen in de eerste plaats – in tegenstelling tot algemeen nut beogende instellingen het privé belang van de leden van de instelling. Het plezier dat die leden ontlenen aan de binnen het verband van de SBBI verrichte activiteiten – sporten, muziek maken, volksdansen of toneelspelen enz. – staat daarbij duidelijk voorop. Maar daarnaast is er sprake van dat die activiteiten een toegevoegde waarde hebben, omdat ze maatschappelijk als wenselijk worden ervaren. Die toegevoegde waarde zit in het feit dat de activiteiten van de instelling uitgevoerd worden door, voor en met mensen en daarmee bijdragen aan het gevoel van saamhorigheid, solidariteit en betrokkenheid. De werkzaamheden van de sociaal belang behartigende instelling dragen bij aan een sterkere en gezondere samenleving waarin iedereen meetelt en dat ook ervaart. Als voorbeelden van de instellingen die in het algemeen in aanmerking zullen kunnen komen voor de vrijstelling van schenk- en erfbelasting, de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en D66 vragen daarnaar, kunnen worden genoemd amateursportinstellingen, niet-commerciële dorpshuizen, lokale scoutinggroepen, muziekkorpsen, amateurtoneelverenigingen, dansgroepen, personeelsverenigingen, buurtverenigingen etc.
De ANBI onderscheidt zich van de SBBI in zoverre dat in haar doelstelling en bij de werkzaamheden het particuliere belang van de direct betrokkenen niet alleen niet in de eerste plaats komt, maar zelfs dat dit particuliere belang in feite geen enkele rol speelt. De activiteiten van de ANBI moeten immers uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten algemene nutte strekken. De fractieleden van de VVD hebben in dit verband ook verzocht het onderscheid tussen SBBI’s en APV’s duidelijker aan te geven. Het onderscheid ligt daarin dat het APV uitsluitend het privé belang van een groep mensen behartigt en dat daarbij geen sociaal belang speelt waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het maatschappelijk welzijn in het algemeen.”
4.21
Voorbeelden die zijn gegeven van SBBI’s zijn muziek- dans-, en theaterverenigingen, sportclubs, buurtinstellingen, personeelsverenigingen, scoutingclubs, etc. APV’s, “zoals familiestichtingen”, kunnen blijkens de parlementaire geschiedenis niet als ANBI of SBBI kwalificeren.31.Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het verschil tussen een APV en een SBBI is dat een SBBI een instelling is die zich richt op de belangen van een groep waartoe individuen in beginsel vrijelijk kunnen toetreden, bijvoorbeeld door lid te worden van een club, in een buurt te gaan wonen of bij een werkgever in dienst te treden. Bij een familiestichting of -vereniging ontbreekt die vrije toetreding. In het verlengde daarvan heb ik de indruk dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de individuen die betrokken zijn bij een SBBI doorgaans van die SBBI zullen profiteren door de sociale activiteiten die de SBBI onderneemt, en niet door uitkeringen die aan hen worden gedaan.
Overig doelvermogen
4.22
Het ‘overig doelvermogen’ is een wat vaag begrip. Het wordt in de parlementaire geschiedenis van art. 2.14a Wet IB 2001 gebruikt ter aanduiding van een restcategorie.32.Het zijn: doelvermogens die geen ANBI, SBBI of APV zijn, maar toch een algemeen, sociaal of maatschappelijk belang dienen. In de parlementaire geschiedenis komt naar voren dat een stichting niet een APV – en kennelijk wel een overig doelvermogen – als er ‘hermetische’ schotten zijn aangebracht tussen het vermogen van de APV en de insteller(s)/erfgenamen:33.
“De leden van de CDA-fractie vragen of ik de opvatting deel dat geen sprake is van een APV, maar van een zogenoemd «overig doelvermogen» ingeval een stichting met een onafhankelijk bestuur opereert als aandeelhouder van een vennootschap en deze stichting de daaruit vrijkomende middelen reserveert en investeert voor respectievelijk in de onderneming en participeert in andere ondernemingen ter bevordering van de bedrijvigheid en de daaraan verbonden werkgelegenheid. Daarbij is gegeven dat de (erven van de) vroegere aandeelhouders – thans, in het verleden en in de toekomst – noch statutair noch feitelijk gerechtigd zijn tot het vermogen van de Stichting. Het antwoord op de vraag van de CDA-fractie of er sprake is van een overig doelvermogen hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van ieder APV. Mogelijk zal inderdaad geen sprake zijn van een APV indien, feitelijk en juridisch, «hermetische» schotten zijn aangebracht tussen het APV en de oorspronkelijke aandeelhouders en hun erfopvolgers. Dat wil zeggen dat het statutair noch feitelijk mogelijk is dat er (financiële) belangen zijn tussen deze partijen. De aandeelhouders en hun erfopvolgers hebben definitief afstand gedaan van hun belang bij de vennootschap en kunnen onder geen enkele voorwaarde (hun oorspronkelijke) belang bij de vennootschap en het APV verwerven. Onder dergelijke omstandigheden is het mogelijk dat mede door deze «schotten» en door het aanstellen van een onafhankelijk bestuur de bedoelde stichting niet meer dan bijkomstig een particulier belang dient, maar juist een maatschappelijk belang zoals het behoud van werkgelegenheid of van bedrijvigheid in een bepaalde bedrijfstak. Uit het feitelijk handelen van de genoemde stichting moeten deze activiteiten onomstotelijk naar voren komen.”
4.23
Uit dit citaat lijkt te volgen dat een overig doelvermogen aanwezig kan zijn als er een definitieve scheiding is gemaakt tussen het vermogen en de instellers/erfgenamen. Dat kan door middel van een ‘schottenovereenkomst’ (4.17). Naast de zogenoemde lid 6-gevallen die hiervoor aan de orde zijn gekomen, is er nog een andere situatie genoemd waarin zo’n schottenovereenkomst kan worden gesloten, te weten in gevallen waarin minder dan 10% een particulier belang wordt gediend.34.
5.1
Het Hof heeft het APV-stelsel voor ‘gevallen als het onderhavige’ in strijd geacht met art. 1 EP EVRM in samenhang met art. 14 EVRM. Het Hof heeft hierbij zwaar geleund op de overwegingen van de Hoge Raad in het Kerstarrest: wanneer de onderhavige uitspraak en het Kerstarrest (5.12) naast elkaar worden gelegd, valt op dat het Hof voor een groot deel woord voor woord de overwegingen uit het Kerstarrest heeft aangehouden. In dit hoofdstuk ga ik daarom in op 1) het toetsingskader dat geldt voor art. 1 EP EVRM, 2) de invulling van de Hoge Raad daarvan, waarbij ik stil sta bij fair balance-schendingen enerzijds op stelselniveau en anderzijds op individueel niveau; en 3) het arrest van 26 maart 2021 en de daarbij behorende conclusie van A-G Niessen van 18 september 2020, waarin de verenigbaarheid van de tegenbewijsregeling en art. 1 EP EVRM aan de orde was.
Toetsingskader EVRM
5.2
Art. 1 EP EVRM garandeert het recht op ongestoord genot van eigendom. In de jurisprudentie van het EHRM is een toetsingskader ontwikkeld om te toetsen of dit ‘recht op eigendom’ is geschonden. Die toets bestaat uit vijf stappen:35.
1. Is er sprake van een eigendom (possession)?
2. Zo ja, welke van de drie eigendomsregels (genotsregel, ontneming of regulering van eigendom) is van toepassing;36.wordt het eigendomsrecht aangetast?
3. Berust de inbreuk op een voldoende wettelijke grondslag (lawful)?
4. Zo ja, dient de ‘inbreukende’ maatregel een legitieme doelstelling in het algemeen belang (legitimate aim)?
5. Zo ja, is er een redelijk evenwicht (fair balance) gevonden tussen de eisen van het algemene belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu; was de inbreuk proportioneel?
5.3
Voor het belastingrecht zal het voldoen aan de eerste stap min of meer een gegeven zijn: als belasting wordt geheven, moet iemand een deel van zijn vermogen afstaan.37.Ik ga hier daarom verder niet op in.
5.4
De tweede stap is in fiscale zaken ook niet zo relevant. Als ik het goed zie, zal het in fiscale zaken in de regel gaan om de toepassing van die ‘algemene’ genotsregel. Zoals het EHRM zelf ook onderkent is het lastig om een hard onderscheid te maken tussen de drie eigendomsregels,38.en moet een inbreuk hoe dan ook worden beoordeeld in het licht van de algemene genotsregel. In de zaak NKM39.– een belastingzaak – overwoog het EHRM dat het niet nodig was om te bepalen of de ontnemingsregel van toepassing was, omdat de ‘complexity of the factual and legal position’ het niet mogelijk maakte om de zaak in een precieze categorie te plaatsen (ovw. 43). En daar voegt het EHRM aan toe dat het – simpel gezegd – bij een general measure taken in furtherance of a social policy of redistribution (wat volgens mij alle materiële belastingregels zijn) niet zoveel uitmaakt, omdat het beoordelingskader voor de vraag of een inbreuk gerechtvaardigd is zo goed als hetzelfde is (ovw. 44). Ik laat dit punt verder rusten.
5.5
Vanaf de derde stap wordt het in belastingzaken interessanter. De eis van lawfulness houdt in dat een regel bij wet is voorzien, compatibel met de rule of law en niet willekeurig is, en dat deze regel bovendien sufficiently accessible, precise and foreseeable in their application is. Daarbij heeft de belastingwetgever enige beoordelingsruimte.40.
5.6
Bij de vierde stap wordt getoetst of de maatregel die een inbreuk maakt een legitimate aim nastreeft, oftewel het algemeen belang dient. De wetgever heeft hierbij (zeker in belastingzaken) een ruime beoordelingsmarge. Het EHRM acht de nationale wetgever het beste in staat om te bepalen wat in het algemeen belang is, en zal zich hier daarom bij aansluiten, tenzij de door de wetgever gemaakte beoordeling evident geen redelijke grondslag heeft. Voor belastingheffing zal deze stap daarom over het algemeen geen probleem opleveren.41.
5.7
De laatste stap is waar het spannend wordt. Bij iedere aantasting van het eigendomsrecht dient de wetgever een fair balance te bewaken tussen de aangewende middelen ter bevordering van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van individuen.42.Daarbij komt de wetgever de welbekende wide margin of appreciation toe. Aan het proportionaliteitsbeginsel is niet voldaan indien de aantasting verzoeker plaatst voor een individuele en buitensporige last (individual and excessive burden).43.Belangrijk bij de uitvoering van de proportionaliteitstoets is de aan- of afwezigheid van alternatieve, op individueel niveau minder belastende, middelen om het algemeen belang te dienen. Het EHRM is op dit punt terughoudend. Het enkele bestaan van minder ingrijpende alternatieve maatregelen maakt op zichzelf niet dat de desbetreffende regeling niet gerechtvaardigd is. Ook hier geldt een margin of appreciation voor de wetgever. In de onvolprezen Guide van het EHRM wordt de rechtspraak van het mensenrechtenhof hierover als volgt samengevat:44.
“170. One of the elements of the fair balance test is whether other, less intrusive measures existed that could reasonably have been resorted to by the public authorities in the pursuance of the public interest. However, their possible existence does not in itself render the contested legislation unjustified. Provided that the legislature remains within the bounds of its margin of appreciation, it is not for the Court to say whether the legislation represented the best solution for dealing with the problem or whether the legislature’s discretion should have been exercised in another way (James and Others v. United Kingdom, 1986, § 51; Koufaki and Adedy v. Greece (dec.), 2013, § 48).
171. It may also be relevant whether it would have been possible to achieve the same objective by less invasive interference with the applicant’s rights and whether the authorities examined the possibility of applying these less intrusive solutions (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos v. Russia, 2011, §§ 651-654; Vaskrsić v. Slovenia, 2017, § 83).
172. Even when the Government had given no specific reasons as to exactly why the measure in question had been the only appropriate measure for achieving their desired social and economic goals, whether it seriously considered other means for achieving them or assessed the proportionality of the measure to the aims sought, the Court was prepared to accept that the reason for the choice of the measure may have been implicit at the beginning (Zelenchuk and Tsytsyura v. Ukraine, 2018, § 122). The Court has also taken into account the fact that no other Council of Europe member State, including those in a similar position, had in place a similar measure (ibid., § 127).”
5.8
In deze zaak heeft het Hof toetsing aan art. 1 EP EVRM in samenhang met art. 14 EVRM tot uitgangspunt genomen. Art. 14 EVRM, het discriminatieverbod, is geen ‘zelfstandig’ recht, maar heeft een accessoir karakter. Om schending van het discriminatieverbod aan te nemen, moet een verschil in behandeling bestaan tussen vergelijkbare gevallen, welk verschil geen objectieve en redelijke rechtvaardiging kent. Dat laatste is het geval als met het verschil in behandeling geen legitimate aim wordt nagestreefd of het verschil in behandeling niet proportioneel is (dus als aan stap 4 of 5 niet wordt voldaan). Ook hier geldt dat de wetgever beoordelingsruimte heeft, die in belastingzaken in beginsel ruim is.45.
Invulling door de Hoge Raad
5.9
De Hoge Raad kent voor de toetsing aan de laatste stap van het toetsingskader van art. 1 EP EVRM twee smaken. De eerste stap is dat moet worden beoordeeld of een regel op stelselniveau art. 1 EP EVRM schendt. Is dat niet het geval, dan komt de tweede stap in beeld, die inhoudt dat moet worden beoordeeld of in een concreet, individueel geval art. 1 EP EVRM wordt geschonden omdat iemand wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.
5.10
A-G Ettema heeft er wel voor gepleit om die ‘splitsing’ te verlaten; zij zag geen basis hiervoor in de rechtspraak van het EHRM. In haar optiek zou de rechter alle omstandigheden van het geval tegelijkertijd in ogenschouw moeten nemen in de vorm van een ‘overkoepelende toets’ (dus zowel op het niveau van de regel als het individu) en op basis daarvan een oordeel geven over art. 1 EP EVRM.46.Volgens Pauwels ligt de ‘tweefasentoets’ daarentegen in zeker opzicht wel besloten in de toets die het EHRM aanlegt, en past die bovendien bij de ‘rechtseenheidsbewakende’ taak van de Hoge Raad.47.De Hoge Raad heeft niet expliciet gerespondeerd op het pleidooi van A-G Ettema in het op haar conclusie volgende arrest.48.Ik houd in het vervolg van deze conclusie dit onderscheid aan.
Stelselniveau
5.11
Naar mijn weten is tot het arrest van 14 juni 2019 in belastingzaken door de Hoge Raad geen schending van art. 1 EP EVRM op stelselniveau aangenomen wegens het ontbreken van een fair balance. Wel heeft de Hoge Raad in twee fiscale arresten een schending van de lawfulness-eis aangenomen, te weten het Kostenwetarrest49.en het Fierensmarge-arrest.50.
5.12
Daar kwam verandering in met de arresten van 14 juni 201951.en 24 december 2021 (het Kerstarrest)52.. Deze arresten behoeven eigenlijk geen introductie meer. In het arrest van 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad een schending van de door art. 1 EP EVRM gewaarborgde fair balance aangenomen, omdat belastingplichtigen op stelselniveau werden geconfronteerd met een buitensporig zware last. De Hoge Raad bood echter nog geen rechtsherstel. Dat deed de Hoge Raad wel in het Kerstarrest. Voor een uitgebreide behandeling van dat arrest verwijs ik naar de conclusie van 1 september 2023 van A-G Wattel.53.
5.13
Nadien is – als ik het goed zie – geen schending van art. 1 EP EVRM op stelselniveau aangenomen door de Hoge Raad.54.
Individuele en buitensporige last
5.14
Het komt vaker voor dat een schending van art. 1 EP EVRM op individueel niveau wordt aangenomen. De beoordeling of zich een individuele en buitensporige last voordoet, vereist een waardering van de feiten en ligt in zoverre bij de feitenrechters. Wel komt het soms voor dat de Hoge Raad in algemene zin aanwijzingen geeft hoe kan worden getoetst of een individuele en buitensporige last zich voordoet.
5.15
In het arrest van 17 maart 2017 heeft de Hoge Raad overwogen dat een individuele en buitensporige last alleen kan worden aangenomen indien en voor zover deze last zich in het geval van de specifieke belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen; er moeten dus bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden spelen die de last veroorzaken.55.
5.16
Uit het arrest van 29 mei 2020 volgt dat te onderzoeken valt of de aanslag als geheel leidt tot een individuele en buitensporige last, waarbij de gehele financiële situatie van de belastingplichtige in aanmerking moet worden genomen.56.
5.17
In het arrest van 2 juli 2021 overwoog de Hoge Raad dat de rechter alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel moet betrekken. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen.57.
5.18
In het arrest van 19 november 2021 stonden twee tax-holidayregelingen centraal.58.De winstbelasting werd als gevolg daarvan geheven niet naar 15% maar naar 2%. De Nederlandse Antillen hielden echter op 10 oktober 2010 op te bestaan als staatkundige eenheid. Op 1 januari 2011 trad een nieuw fiscaal stelsel in werking waardoor op Bonaire de grond- en winstbelasting van rechtswege vervielen. In plaats daarvan werden voor 2011 en 2012 aanslagen opgelegd in de nieuwe vastgoedbelasting naar het reguliere tarief van 15% van de voordelen uit een op de BES eilanden gelegen onroerende zaak. In geschil was of het expireren van de tax holidays in strijd was met art. 1 EP EVRM. Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zich een individuele en buitensporige last voordeed, onder meer omdat in het nieuwe stelsel niet meer wordt geheven over verkoopwinst op het vastgoed, terwijl zulke verkoopwinst onder het oude stelsel wel belast zou zijn geweest met winstbelasting, zodat het nieuwe stelsel niet enkel nadelig was voor de belanghebbende.59.Op het daartegen gerichte middel overwoog de Hoge Raad dat ook betekenis toekomt aan de gevolgen voor de belastingplichtige die in latere jaren aan de toepassing van een nieuwe wettelijke regeling zijn verbonden; het op dat uitgangspunt voortbouwende oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk.
De verenigbaarheid van de APV-regeling met art. 1 EP EVRM
5.19
In het kader van deze zaak is nog relevant het arrest van 26 maart 2021.60.In die zaak werd namelijk aan de orde gesteld of de tegenbewijsregeling van art. 2.14(6) Wet IB 2001 verenigbaar is met art. 1 EP EVRM. In zijn aan het arrest voorafgaande conclusie heeft A-G Niessen het gehele toetsingskader afgelopen.61.Hij kwam tot de slotsom dat de APV-regeling lawful is. Ook zag hij geen schending van de fair balance op zowel stelsel- als individueel niveau:
“Is er een schending van art. 1 EP EVRM?
3.31
Middel IV wordt voorgesteld in het geval de Hoge Raad van oordeel is dat middel III faalt. Middel IV stelt dat de inbreuk op het eigendomsrecht vergezeld dient te gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die inbreuk. Doordat de tegenbewijsregeling van artikel 2.14a, lid 6, Wet IB 2001 niet ruimer wordt uitgelegd, is in de onderhavige zaak effectieve betwisting niet mogelijk. De tegenbewijsregeling voldoet daarom niet aan het lawfulness- en het fair balance-criterium, aldus middel IV. (…)
Lawfulness
3.33
Naast dat de inmenging moet zijn voorzien bij wet, is vereist dat die wet voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. Daarnaast dient een belanghebbende over voldoende procedurele waarborgen te beschikken om zich tegen een inbreuk in het recht op ongestoord genot van eigendom te verzetten.
3.34
In verweer is terecht opgemerkt dat ‘aan het vierde middel [...] de feitelijke stelling van belanghebbende [ten grondslag ligt] dat hij geen begunstigde is van het APV, maar enkel van de jaarlijkse uitkeringen’. Belanghebbende betoogt dan ook in middel III dat de reikwijdte van art. 2.14a, lid 6 Wet IB 2001 tekort schiet; ‘de erfgenamen van wijlen [G] zijn immers begunstigden, echter niet tot het vermogen van de Stiftung, maar slechts tot een jaarlijkse uitkering uit dit vermogen’. Belanghebbende is echter begunstigde tot de APV. Het Hof heeft uitgaande van zijn feitelijke vaststellingen terecht geoordeeld dat belanghebbende niet een rechthebbende tot het vermogen is en dat het vermogen kwalificeert als een APV. Verder staat vast dat belanghebbende een erfgenaam is van de inbrenger, de vader, en dat belanghebbende begunstigde is van het vermogen in de Stiftung. Er is dus geen sprake van een niet-discretionair vermogensdeel in de Stiftung. Reeds om die reden faalt deze klacht.
3.35
Daarnaast kunnen belastingplichtigen zich zowel tegen de kwalificatie als begunstigde als de kwalificatie van het vermogen als APV verzetten. Van beide mogelijkheden heeft belanghebbende gebruik gemaakt. Dat het verzet tegen deze kwalificaties niet slaagt, maakt niet dat er onvoldoende procedurele garanties zijn. Derhalve is de regeling van artikel 2.14a Wet IB 2001 ‘lawful’.
Fair balance
3.36
In middel IV wordt gesteld dat door de toerekening van het vermogen in de Stiftung op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 aan belanghebbende, de heffing van inkomstenbelasting ten laste van belanghebbende niet evenredig is in het licht van de begunstiging van belanghebbende. Te meer omdat er geen mogelijkheid wordt geboden tot het leveren van tegenbewijs. Derhalve wordt belanghebbende getroffen door een individuele en buitensporige last, aldus middel IV.
3.37
Middel IV klaagt dat ‘de heffing van inkomstenbelasting naar het progressieve tarief in box 1 over een (door het Gerechtshof geaccepteerde) rente van 6% over de TBS-vordering van € 1.748.240 voor het jaar 2013 vermeerderd met de box 3 heffing over ¼ deel van € 7.291.019 belanghebbende onevenredig zwaar treft in het licht van de niet afdwingbare uitkering van (in dit betreffende jaar) € 35.000 (en in de toekomstige jaren tot maximaal € 50.000)’.
3.38
Een inbreuk op het recht van eigendom is in beginsel geoorloofd ‘indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Er moet een redelijke verhouding ("fair balance") bestaan tussen het algemene belang dat met de belastingheffing wordt gediend en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.’
Stelselniveau
3.39
Op grond van het APV-regime van art. 2.14a Wet IB 2001 moet belanghebbende belasting betalen over de forfaitair bepaalde opbrengst berekend over de waarde van een vermogensbestanddeel zonder dat hij die opbrengst feitelijk geniet. Deze benadering is in de Nederlandse inkomstenbelasting gangbaar.
3.40
Daarnaast heeft de Nederlandse wetgever met dit APV-regime willen voorkomen dat het in een APV ingebrachte vermogen – dat dus feitelijk strekt ten gunste van bepaalde personen – zoals belanghebbende – niet bij hem wordt belast. Hij heeft derhalve met deze regeling een heffingsvacuüm willen opheffen. Deze wijze van belastingheffing (i.e. transparence fiscale) is in het licht van deze doelstelling geenszins van elke redelijke grond ontbloot, zodat de wetgever niet de ‘wide margin of appreciation’ die hem toekomt overschrijdt.
Individueel niveau
3.41
Nu geconstateerd moet worden dat de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, kan de regeling ‘alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval’. Het feit dat belanghebbende dus belasting betaalt over een forfaitair bepaalde opbrengst zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt derhalve niet een ‘individuele en buitensporige last’; belanghebbende wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen.
3.42
Verder wordt in middel IV gesteld dat het oordeel van het Hof dat het vermogen van belanghebbende groot genoeg is om de belastingheffing over het toegerekende deel van het vermogen van de Stiftung op te vangen, onvoldoende is gemotiveerd, nu onduidelijk is welk vermogen het Hof daartoe als vermogen van belanghebbende in aanmerking heeft genomen. Naar de mening van belanghebbende getuigt het oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting, als het Hof het bij fictie toegerekende vermogen van de Stiftung als vermogen van belanghebbende in aanmerking heeft genomen.
3.43
Weliswaar kan belanghebbende niet beschikken over de delen in het vermogen waar hij begunstigde van is, maar het Hof heeft feitelijk en voldoende gemotiveerd geoordeeld dat belanghebbende voldoende vermogen bezit om de fiscale last op te vangen. Dit is ook in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad volgens welke de gehele financiële situatie van belanghebbende in acht moet worden genomen. Verder heeft belanghebbende niets aangevoerd waaruit aannemelijk wordt dat belanghebbende zwaarder wordt getroffen door het APV-regime dan andere belastingplichtigen. Middel IV faalt.”
5.20
De Hoge Raad sloot zich in het arrest van 26 maart 2021 aan bij punt 3.33-3.35 van de conclusie van A-G Niessen, wat leidde tot het falen van het middel. De Hoge Raad liet het hierbij, tot teleurstelling van sommige auteurs. Zo schreef Boer dat dit hem verbaast; nu het de eerste keer is dat de Hoge Raad zich uitlaat over deze principiële vraag, zou een adequate motivering die meebrengt dat deze regeling door de beugel kan volgens hem niet hebben misstaan.62.Ook Kooiman vindt dit een gemiste kans en is kritisch op de beoordeling door de A-G.63.
6. Beoordeling van het incidenteel cassatieberoep
6.1
Ik behandel eerst het incidenteel cassatieberoep. Als dat incidenteel cassatieberoep slaagt, is op grond daarvan de beslissing van het Hof – wat er zij van de gebezigde gronden – juist (3.8). De klachten in het incidenteel cassatieberoep zien namelijk op vragen die opkomen vóór men toekomt aan de vraag of het APV-regime de fair balance-eis van art. 1 EP EVRM schendt. Als op basis van één van die voorvragen het vermogen van de stichting niet aan belanghebbende kan worden toegerekend, is toetsing van de APV-regeling aan de fair balance-eis van art. 1 EP EVRM niet meer nodig.
6.2
De klacht onder 1.1 bestrijdt het oordeel van het Hof dat de stichting geen SBBI is (overweging 5.4). Volgens belanghebbende moet het financieel ondersteunen van ondersteuning behoevende leden van een familie en het bevorderen van familiale cohesie ieder afzonderlijk althans tezamen worden aangemerkt als een sociaal belang als bedoeld in artikel 5c AWR, of anders in combinatie met de financiële ondersteuning van medisch onderzoek naar tinnitus.
6.3
Het Hof heeft hieromtrent overwogen:
“5.4. Hetgeen de rechtbank dienaangaande in rechtsoverwegingen 27 tot en met 31 van haar uitspraak heeft overwogen acht het Hof juist. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne. De rechtbank heeft voor de vragen of sprake is van een SBBI en of meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, naar het oordeel van het Hof terecht, aangesloten bij het doel van de stichting en haar daaruit voortvloeiende feitelijke gedragingen. Uit dat doel en die gedragingen kan worden afgeleid dat de stichting zich hoofdzakelijk richt op de familie door het financieel ondersteunen van familieleden en door de familiale cohesie te bevorderen. Dit is aan te merken als een particulier belang en niet als een sociaal belang als bedoeld in artikel 5c van de AWR. Dit betekent dat de stichting niet kwalificeert als een SBBI (aangezien het daartoe vereiste behartigen van een sociaal belang ontbreekt) maar wel heeft te geleden als een APV aangezien meer dan bijkomstig een particulier belang is beoogt. Aangezien de donaties ten behoeve van onderzoek naar tinnitus in vergelijking met de verrichte uitkeringen aan familieleden beperkt zijn (zie onder 4 van de rechtbankuitspraak), ziet het Hof daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.”
6.4
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een SBBI een doelvermogen is dat een particulier belang behartigt, maar waarvan de activiteiten desalniettemin een belangrijke bijdrage leveren aan een gezonde en veerkrachtige samenleving en de sociale cohesie bevorderen. De werkzaamheden van de sociaal belang behartigende instelling dragen bij aan een sterkere en gezondere samenleving waarin iedereen meetelt en dat ook ervaart. Het gaat dan dus om activiteiten die bijdragen aan het welzijn van de maatschappij in het algemeen (4.19-4.20). Een familiestichting – zoals de stichting in deze zaak – is weliswaar ook gericht op een particulier belang en zou de familiale cohesie kunnen bevorderen, maar het gaat dan om de cohesie binnen die selecte en gesloten groep (vgl. 4.21). Zo’n familiestichting draagt niet bij aan een ‘samenleving waarin iedereen meetelt en dat zo ervaart’. Mensen die geen lid zijn van de familie tellen immers niet mee. Een familiestichting die voornamelijk uitkeringen doet aan individuele leden van een familie, bevordert dus niet de sociale cohesie. Dat laatste is nou juist wat een APV van een SBBI onderscheidt (4.20-4.21). De Rechtbank heeft terecht overwogen dat ‘sociaal’ in de context van de SBBI-regeling anders is dan 'sociaal’ in de zin van het uitkeringsverbod voor stichtingen (art. 2:285(3) BW) (overweging 28, zie 2.8). Er is geen enkele aanwijzing dat de wetgever heeft bedoeld dat dit begrip in de context van beide regelingen op een zelfde manier moet worden ingevuld. Het zou – zoals de Rechtbank terecht opmerkt – impliceren dat elke stichting een SBBI is, en dat zou haaks staan op de bedoeling van de wetgever om enkel als SBBI aan te merken doelvermogens die een duidelijke algemeen-maatschappelijke toegevoegde waarde hebben.
6.5
Belanghebbende stelt dat de financiële ondersteuning van medisch onderzoek naar tinnitus niet beperkt is en dat ten onrechte is geoordeeld dat die financiële ondersteuning niet bijdraagt aan het sociale karakter van de stichting. Het oordeel dat de stichting zich hoofdzakelijk richt op de familie en daarmee geen sociaal belang in de zin van de SBBI-regeling behartigt, berust op een aan het Hof – in navolging van de Rechtbank – voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden. Dat oordeel is voldoende en begrijpelijk gemotiveerd. Het oordeel van het Hof dat de in vergelijking met de uitkeringen aan familieleden beperkte donaties ten behoeve van onderzoek naar tinnitus geen aanleiding vormen voor het oordeel dat de stichting een SBBI is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
6.6
De klacht onder 1.2 houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de stichting als APV kwalificeert (overweging 5.3 en 5.5 in samenhang met overweging 5.11). De klacht is met name gestoeld op de stelling dat de stichting niet in strijd komt met het doel en de tekst van het APV-regime.
6.7
Aan de subklachten a tot en met d die belanghebbende aanvoert in het kader van deze klacht ligt de veronderstelling ten grondslag dat het APV-regime enkel een antimisbruikstrekking heeft en de tekst van de regeling daarom enkel vanuit die antimisbruikgedachte moet worden geïnterpreteerd. Daarmee vat belanghebbende de APV-regeling mijns inziens te eng op. De wetgever heeft met de APV-regeling een heffingsvacuüm (eruit bestaande dat in sommige gevallen bij zwevende vermogens nergens belasting werd geheven) willen opheffen. De wetgever achtte het bestaan van dergelijke zwevende vermogens maatschappelijk ongewenst en heeft krachtige (robuuste) maatregelen genomen om te voorkomen dat nieuwe zwevende vermogens worden gecreëerd en bestaande worden gecontinueerd. De mogelijkheid om fiscaal te plannen op dat heffingsvacuüm is inderdaad een belangrijke reden geweest om dat heffingsvacuüm aan te pakken (4.4). Maar de wetgever heeft duidelijk bedoeld dat de APV-regeling óók geldt in situaties waar geen misbruik aan de orde is. Het gaat er namelijk primair om, om het heffingsvacuüm weg te nemen. Dat maatschappelijk ongewenst geachte heffingsvacuüm bestaat eveneens bij zwevende vermogens waar geen fiscale spielerei mee gemoeid is (4.4-4.10). Dat vloeit ook al voort uit de opzet en strekking van de APV-regeling: aan alle (fictieve) erfgenamen van de insteller wordt het APV-vermogen toegerekend, en alleen als een erfgenaam doet blijken dat hij geen begunstigde is of kan worden, kan hij aan de toerekening ontkomen. Er is geen voorbehoud of uitzondering gemaakt voor situaties waar anti-fiscale bedoelingen geen rol hebben gespeeld bij het instellen of spelen bij het beheren van het APV. Dat de APV-regeling ook in niet-misbruik situaties geldt, komt ook naar voren in het voorbeeld van de ‘Stichting Studiefonds’ als APV dat is gegeven in de parlementaire geschiedenis (4.10). Kort en goed: de APV-regeling geldt ‘gewoon’ voor alle discretionaire doelvermogens die meer dan bijkomstig een particulier belang bogen, zonder dat daar nog allerlei kwalitatieve eisen aan worden gesteld zoals belanghebbende bepleit (geen misbruikkarakter, geen ‘echt’ discretionair karakter, enzovoorts). Voor zover de klacht van belanghebbende op deze veronderstelling berust, faalt het.
6.8
Het oordeel van het Hof dat de stichting een APV is, berust op een aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden, welk oordeel voldoende en begrijpelijk is gemotiveerd (overweging 5.3-5.5). In zoverre stelt belanghebbende tevergeefs dat de stichting niet meer dan incidenteel een particulier belang beoogt (subklacht e).
6.9
De klacht onder 1.3 bestrijdt het oordeel van het Hof dat de stichting niet een ‘overig doelvermogen’ is (overweging 5.5). Volgens belanghebbende zou de ‘reguliere fiscale kwalificatie’ van een stichting een ‘overig doelvermogen’ zijn, en vormt de kwalificatie als APV een uitzondering op die ‘reguliere fiscale kwalificatie’.
6.10
Belanghebbende stelt dat de stichting geen misbruikkarakter heeft en daarom als ‘overig doelvermogen’ zou moeten worden gekwalificeerd en niet als APV. Deze klacht vormt in feite een herhaling van de klacht onder 1.2, en faalt daarom eveneens in zoverre. Zoals het Hof terecht heeft overwogen in overweging 5.5 volgt uit het gegeven dat de stichting als APV moet worden gekwalificeerd dat de stichting (dus) geen overig doelvermogen is (4.22).
6.11
De klacht onder 2.1 bestrijdt het oordeel dat het stichtingsvermogen op basis van de APV-wetgeving aan belanghebbende moet worden toegerekend (overweging 5.8.1-5.8.2 in samenhang met 5.9 en 5.11). Daarbij komt belanghebbende op tegen het oordeel dat de APV-regeling ook ziet op impliciete ontervering en niet enkel op onterving in civielrechtelijke zin. Los daarvan zou volgens belanghebbende (als ik het goed zie op basis van de strekking en de tekst van de APV-regeling) het vermogen niet aan belanghebbende moet worden toegerekend.
6.12
Ook aan de subklachten die in dit verband worden aangevoerd, ligt de gedachte ten grondslag dat de APV-regeling, en in het bijzonder art. 2.14a(4) Wet IB 2001, enkel een antimisbruikstrekking heeft én dat hieruit volgt dat de APV-regeling zich alleen laat toepassen in misbruiksituaties. Die gevolgtrekking is naar mijn overtuiging onjuist (6.7). De aanleiding voor het invoeren van het vierde lid is weliswaar geweest om te voorkomen dat aan de werking van het APV-regime wordt ontkomen als de insteller zijn (wettelijk) erfgenamen onterft, maar deze personen wel begunstigde van het doelvermogen maakt (4.12). Maar net zoals voor de APV-regeling als geheel geldt, brengt dat niet mee dat het vierde lid alleen zou gelden in misbruiksituaties of situaties die zich voordoen na de invoering van het APV-regime in 2010. Ook hier geldt dat het er primair om gaat het maatschappelijk ongewenste heffingslek te dichten, en ook buiten de hiervoor genoemde situaties zou het heffingslek zonder het APV-regime blijven bestaan (4.12-4.14).
6.13
Voorts herhaalt belanghebbende met subklacht a haar stelling dat ‘onterven’ in de zin van het vierde lid alleen op expliciete onterving zou zien. Hierover heeft het Hof overwogen:
“5.8.2. Naar aanleiding van belanghebbendes betoog voegt het Hof hier het volgende aan toe. Het Hof stelt voorop dat geen sprake is van een expliciete testamentaire uitsluiting, het testament van de oprichter bevat geen bepaling inhoudende dat zijn broers en zusters niet zouden erven. Zij waren dus niet onterfd in de betekenis die daaraan voor de toepassing van bijvoorbeeld artikel 4:12 BW gegeven wordt. Wel was sprake van een impliciete testamentaire uitsluiting; het benoemen van de stichting als enig erfgenaam leidde noodzakelijkerwijs tot (voor zover alhier van belang) hetzelfde gevolg; dat de broers en zusters niet van de oprichter (hun broer) erfden. Op de gronden die de rechtbank in rechtsoverweging 34 heeft vermeld, waren de broers en zusters daarmee (ook) naar het oordeel van het Hof onterfd in de zin van artikel 2.14a, lid 4, van de Wet IB 2001. Zoals de wetgever heeft toegelicht, is met de gekozen terminologie een ruim toepassingsbereik beoogd om allerhande constructies binnen de familie onder de werking van het artikel te kunnen brengen. Indien uitsluitend expliciete onterving onder de APV-regeling gebracht zou kunnen worden, zou de term ‘onterven ’juist eng worden uitgelegd en waarschijnlijk al snel tot een dode letter verworden. Zolang een en ander door de wetgever afdoende wordt toegelicht, is het mogelijk dat een begrip als “onterfd” op verschillende plaatsen in de wetten verschillende betekenissen heeft zonder dat dit spanning oproept met het rechtszekerheidsbeginsel. Een uitleg van de betekenis van deze term in artikel 2.14a, lid 4, Wet IB 2001 inhoudende een beperking tot enkel expliciete onterving, komt naar het oordeel van het Hof zozeer in strijd met de bedoeling van een ruim toepassingsbereik die de wetgever met het invoeren van deze bepaling had en met het systeem van de APV-regeling, dat de juistheid daarvan in redelijkheid niet kan worden volgehouden.”
6.14
Het Hof merkt terecht op dat het vierde lid zo goed als een dode letter zou worden als ‘onterven’ wordt beperkt tot expliciete onterving. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever bij het vierde lid niet alleen het oog heeft gehad op expliciete onterving. In de parlementaire geschiedenis is de vraag gesteld of een erfgenaam die de erfenis verwerpt onder het vierde lid kan vallen, en die vraag is bevestigend beantwoord (4.13). Dat kan alleen zo zijn als het vierde lid niet enkel ziet op expliciete onterving.
6.15
De klacht onder 2.2 bestrijdt het oordeel dat de overleden echtgenoot en belanghebbende voldoen aan de begunstigingseis van art. 2.14a(4) Wet IB 2001 (overweging 5.9 in samenhang met 5.10 en 5.11). Het Hof zou voorbij zijn gegaan aan ‘de realiteit van de casus’ waarbij belanghebbende geen begunstigde zou zijn zoals bedoeld in het vierde lid (subklacht a). Ook heeft het Hof ten onrechte het beroep op de tegenbewijsregeling afgewezen volgens belanghebbende (subklacht b).
6.16
Aan subklacht a ligt de veronderstelling ten grondslag dat voor de kwalificatie als ‘begunstigde’ een ‘gerechtvaardigd verband’ zou moeten bestaan tussen het vermogen en degenen aan wie wordt toegerekend. Dat is onjuist. Voldoende is dat een APV de desbetreffende persoon rechtens dan wel in feite, direct of indirect, (financieel) voordeel kan doen toekomen. Hieruit vloeit voort dat ook subklacht b faalt: belanghebbende is begunstigde van het APV.
6.17
Het ontgaat mij dan hoe de stelling dat er geen mogelijkheid zou zijn voor belanghebbende om het tegenbewijs te leveren haar zou kunnen baten, de validiteit van die stelling daargelaten64.. Het oordeel in overweging 5.9-5.10 dat belanghebbende begunstigde is van het APV en niet is geslaagd in haar beroep op de tegenbewijsregeling, berust op een aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten, welk oordeel voldoende en begrijpelijk is gemotiveerd. Ik voeg hier nog aan toe dat de ‘realiteit van de casus’ is dat belanghebbende, net zo min als ieder ander immuun kan zijn voor de grillen van het noodlot. Ook zij kan in behoeftige omstandigheden komen te verkeren. Alleen verkeert zij dan wel in de bevoorrechte positie dat zij de stichting heeft om op terug te vallen. Zij heeft een financieel vangnet.
6.18
De klacht in onderdeel 3 (‘artikel 1 EP EVRM: toepassing APV-wetgeving is niet ‘lawful’) bestrijdt het oordeel van het Hof dat de APV-regeling lawful is (overweging 5.14.1). Belanghebbende stelt dat de APV-regeling niet lawful is omdat de regeling onvoldoende consistent en nauwkeurig is, de gevolgen van de regeling onvoldoende voorzienbaar zijn en de regeling onvoldoende procedurele waarborgen kent.
6.19
Het Hof heeft geoordeeld dat het “tussen partijen – naar het oordeel van het Hof terecht – niet in geschil [is] dat de APV-regeling ‘lawful’ is (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:367)” (ovw. 5.14.1). Belanghebbende bestrijdt niet als zodanig het oordeel van het Hof dat tussen partijen niet in geschil is dat de APV-regeling lawful is. Omdat de vraag of de APV-regeling lawful is een rechtsoordeel betreft,65.en het Hof ook daadwerkelijk een oordeel heeft gegeven over de lawfulness van de APV-regeling, ga ik toch op deze klacht in.
6.20
Subklacht b houdt in dat de APV-wetgeving niet lawful is omdat de APV-wetgeving onvoldoende procedurele waarborgen zou kennen omdat er geen reële tegenbewijsmogelijkheid zou bestaan. Dat is min of meer hetzelfde als is betoogd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 maart 2021 (5.19-5.20). Subklacht b berust dus op dezelfde veronderstelling als het – gefaalde – middel in het arrest van 26 maart 2021; hetgeen belanghebbende hieromtrent aanvoert, overtuigt mij niet om de Hoge Raad te adviseren om van dat arrest terug te komen.
6.21
Dan resteert subklacht a. Met subklacht a betoogt belanghebbende dat de APV-regeling onvoldoende nauwkeurig is omdat de gevolgen ervan onvoldoende voorzienbaar zijn. Het lijkt mij dat juist het tegendeel waar is. De APV-regeling is ruim opgezet en haakt aan bij vrij objectieve kwalificaties. Als het inderdaad zo zou zijn dat de APV-regeling alleen gelding zou vinden in antimisbruiksituaties, zouden de gevolgen van de APV-regeling juist minder voorspelbaar en meer willekeurig worden. Dat zou namelijk betekenen dat er nog allerlei ingewikkelde kwalitatieve eisen en subjectieve voorwaarden moeten worden beoordeeld, die nogal afhangen van het normatieve kader dat de beoordelaar hanteert (wat is ‘misbruik’?, wanneer had een erfgenaam de ‘intentie’ om zich te distantiëren van het APV?, etc.). Een familiestichting die, zoals de onderhavige stichting, vooral uitkeringen doet ter financiële ondersteuning van familieleden, is een APV, daar is niets onduidelijks aan. Dat belanghebbende zich daarbij niet wenst neer te leggen, kan noch de wetgever noch de Inspecteur worden aangewreven.
6.22
Mijns inziens faalt aldus het middel. Het incidenteel cassatieberoep leent zich mijns inziens voor afdoening met toepassing van art. 81 Wet RO.
7. Beoordeling van het principaal cassatieberoep
7.1
In de toelichting op het middel stelt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de APV-regeling de fair balance-toets niet kan doorstaan. De wetgever heeft met de APV-regeling de wide margin of appreciation die hem toekomt niet overschreden, aldus de Staatssecretaris. Het Hof heeft voorts de doelstelling van de APV-regeling te eng uitgelegd. Het doel van de APV-regeling is het dichten van een heffingsvacuüm dat is ontstaan door bijvoorbeeld een belastingconstructie maar dat ook kan zijn ontstaan door andere omstandigheden, zoals in casu het geval is. In het licht van dat doel heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om erfgenamen die tevens begunstigde van een APV zijn vergelijkbaar te achten, ongeacht de omvang van de uitkeringen die worden ontvangen. In de praktijk kan in de regel een wettelijke erfgenaam die tevens begunstigde is rekenen op een uitkering die in redelijke verhouding staat tot zijn erfdeel dat hij krijgt toegerekend in het APV. Het is voorts onmogelijk om bij voorbaat vast te stellen wat ieders financiële belang gaat zijn bij het APV als sprake is van een discretionair bestuur en mogelijke uitkeringen op basis van behoeftigheid. De keuze van de wetgever voor een stelsel van toerekening van dit soort discretionaire afgezonderde vermogens is dan ook niet van iedere redelijke grond ontbloot. De Staatssecretaris meent dat het Hof had moeten toetsen of er een individuele en buitensporige last bestaat.
Schending evenredigheidsbeginsel?
7.2
Vooraf wil ik opmerken dat een schending van het evenredigheidsbeginsel (2.9) hier mijns inziens niet aan de orde is. De toepassing van de APV-regeling door de Inspecteur berust op een gebonden bevoegdheid die voortvloeit uit een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.66.In deze zaak zijn juist omstandigheden aan de orde die bewust zo door de wetgever zijn bedoeld. Er is door de wetgever bewust voor gekozen om de APV-regeling dusdanig ruim op te zetten dat deze zich ook laat gelden voor erfgenamen die geen of weinig voordeel van het APV ontvangen (4.5). Er zijn zelfs met deze zaak zeer vergelijkbare voorbeelden van APV’s aan de orde geweest tijdens de parlementaire behandeling (4.10-4.10). Het is daarmee zonneklaar dat de wetgever de situatie waarin een erfgenaam weinig voordeel van een APV geniet, maar wel voor het aan die erfgenaam toe te rekenen aandeel in het APV in de heffing wordt betrokken, onder ogen heeft gezien.
Schending art. 1 EP EVRM?
7.3
De lawfulness van de APV-regeling heb ik al behandeld in 6.19-6.21. Verder is – terecht – niet in geschil het oordeel van het Hof dat de APV-regeling een legitimate aim nastreeft (2.12). Ik focus mij daarom op de vraag of de APV-regeling de door art. 1 EP EVRM gewaarborgde fair balance op stelselniveau al dan niet schendt, of anders gezegd, of de APV-regeling onvoldoende proportioneel is.
Strijd op stelselniveau?
7.4
Belanghebbende is begunstigde van het APV en zij kan het in het zesde lid bedoelde tegenbewijs niet leveren. Maar gelet op de voorwaarden (studie of financiële behoeftigheid) waaronder de stichting een uitkering kan doen en haar leeftijd, is de kans dat zij ooit een uitkering krijgt klein. Zij wordt echter wel in de heffing betrokken voor het haar toegerekende aandeel in het vermogen van stichting. Dat is vervelend voor belanghebbende en kan oneerlijk aanvoelen. Maar betekent dat ook dat met de APV-regeling stelselmatig haar mensenrechten worden geschonden? Ik meen van niet.
7.5
Het Hof spreekt in dit verband over een ‘relatieve ongelijkheid’ tussen begunstigden die in feite niets ontvangen – maar toch door het APV-regime en de box 3-heffing belast worden – en begunstigden die in werkelijkheid meer ontvangen dan waarvoor zij worden aangeslagen. Het Hof heeft deze relatieve ongelijkheid in mensenrechtelijk opzicht problematisch geacht op grond van een kennelijk aan de overwegingen van het Kerstarrest ontleende redenering. De koppeling tussen de APV-regeling en box 3 heeft het Hof gevonden in het gegeven dat de APV-regeling is geplaatst binnen de inkomstenbelasting. In ovw. 5.14.2 en 5.14.3 legt het Hof bijvoorbeeld de nadruk op de bedoeling van de inkomstenbelastingwetgever om voor de heffing aan te sluiten bij de aan het daadwerkelijk genoten inkomen ontleende draagkracht (het draagkrachtbeginsel). Door het doel van de inkomstenbelasting als zodanig als uitgangspunt te nemen, komt het Hof vrij eenvoudig op basis van het Kerstarrest tot een schending van art. 1 EP EVRM op stelselniveau. Hoewel ik de door het Hof gekozen invalshoek wel begrijp, meen ik dat het iets te kort door de bocht is.
7.6
De vormgeving van het APV-regime is op zijn minst onhandig te noemen. Doordat de APV-regeling in de Wet IB 2001 is opgenomen en voor de heffing wordt aangeknoopt bij de erfgenamen, lijkt het op het eerste gezicht alsof beoogd wordt het inkomen dat de individuele begunstigde/erfgenaam geniet te belasten. Maar het is nu juist nadrukkelijk níét de bedoeling om het inkomen genoten van het APV door een individuele begunstigde/erfgenaam te belasten. Het doel is – in mijn woorden – om het zwevende vermogen fiscaal te laten landen, of – in wat assertievere bewoordingen – om zwevend vermogen uit de lucht te schieten. Het vermogen bevond zich in een heffingsvrij vacuüm, en daar wilde de wetgever een einde aan maken. Het ging de wetgever dus om het object (het afgescheiden vermogen) en het tot stand brengen van een heffing over dat object. Om dat doel te bereiken, is gekozen voor een regeling die aansluit bij de erfgenamen. Maar dat is dus niets meer dan een middel om het daadwerkelijk doel te bereiken: het opheffen van het belastingmiddeloverstijgende heffingslek voor zwevende vermogens. Het is dan ook in zoverre onjuist om het draagkrachtbeginsel als uitgangspunt te nemen als men het APV-regime vanuit mensenrechtelijk perspectief beoordeelt. Het APV-regime regelt immers niet hoe het vermogen dat aan een erfgenaam is toegerekend moet worden belast.
7.7
Ik vind de APV-regeling daarom niet direct vergelijkbaar met de box 3-problematiek. Het doel van de box 3-heffing is het belasten van inkomsten uit vermogen. Het doel van de APV-regeling is het in de belastingheffing kunnen betrekken van het zwevende vermogen als zodanig. De APV-regeling is dus weliswaar net als box 3 opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001, maar met de APV-regeling wordt niet rechtstreeks beoogd een bepaald inkomen verkregen door de begunstigde te belasten. Het cruciale verschil tussen de box 3-heffing en de APV-regeling zit er dus in dat met de box 3-heffing werd beoogd inkomen verkregen door het inkomstenbelastingsubject rechtstreeks te belasten – hetgeen spaak liep door de wijze waarop het inkomen forfaitair werd bepaald in box 3 –, terwijl met de APV-regeling niet is beoogd inkomen dat wordt genoten door eventuele begunstigden (forfaitair) te belasten, maar het vermogen op zich toe te rekenen en vervolgens (buiten de APV-regeling zelf) hier bepaalde fiscale gevolgen aan te verbinden (inkomstenbelasting, schenk- en erfbelasting, etc.). Dat dit zo beoogd is, is bijvoorbeeld terug te zien in de systematiek van de toerekeningsstop67.: als het APV-vermogen zelf in een winstbelasting is betrokken, komt men niet aan het APV-regime toe. Als het doel zou zijn om de individuele verkrijging door een begunstigde te belasten, zou de eventueel geheven belasting bij het APV zelf in beginsel niet relevant zijn.
7.8
Vanuit het doel van de regeling op zich bezien is het dus niet direct problematisch als er een discrepantie bestaat tussen het aan de erfgenaam toegerekende aandeel in het APV-vermogen en het daadwerkelijke voordeel dat een erfgenaam van dat APV geniet. Dat neemt niet weg dat de discrepantie in breder verband bezien dusdanig buiten proportie zou kunnen zijn dat deze niet kan worden gerechtvaardigd door het doel van de wetgever om het APV in de heffing te betrekken en daarmee het heffingslek op te heffen. Maar ook dat is mijns inziens – althans in ieder geval niet stelselmatig – het geval.
7.9
De discrepantie die kan bestaan binnen de APV-regeling heeft mijns inziens een wezenlijk ander – minder verstrekkend – karakter dan de door de Hoge Raad ontoelaatbaar geachte discrepantie in box 3. De APV-regeling heeft wel degelijk een tegenbewijsregeling, in tegenstelling tot de ontoelaatbaar geachte box 3-regeling. Als het inderdaad buiten twijfel vaststaat dat een erfgenaam niets zal verkrijgen uit het APV, wordt er niets toegerekend en dus ook niets belast. Daarbij is in de parlementaire geschiedenis toegezegd dat de inspecteur hier ‘flexibel’ mee om zal gaan. En uit de praktijk blijkt dat er ook afspraken kunnen worden gemaakt met de inspecteur om aan de tegenbewijsregeling te voldoen door middel van het sluiten van een zogenoemde ‘schottenovereenkomst’. Ik merk hierbij op dat de tegenwerping dat de begunstigde voor het kunnen sluiten van een schottenovereenkomst afhankelijk is van de medewerking van het APV mij niet overtuigt. Het is waar dat het voor zo’n overeenkomst nodig is dat het APV verklaart dat de begunstigde niets (meer) zal krijgen en dat de statuten van het APV veelal daarin niet zullen voorzien. Maar dat neemt niet weg dat het APV naar redelijkheid en billijkheid niet zal kunnen weigeren een dergelijke verklaring af te leggen en ernaar te handelen.
7.10
De persoon die daadwerkelijk niets meer zal kunnen krijgen uit het APV kan dus buiten schot van de APV-regeling blijven. En nogmaals: het is niet vreemd dat de wet de eis stelt dat een erfgenaam geen begunstigde meer kan worden, omdat het eigen is aan een discretionair vermogen dat onzeker is of en zo ja wanneer zal worden uitgekeerd én dat dit niet beïnvloed kan worden door de begunstigde zelf.
7.11
De discrepantie in de APV-regeling die het Hof signaleert, geldt dus alleen voor de groep begunstigden die wel iets kunnen krijgen. In zoverre is het dus niet zo dat een groep stelselmatig wordt belast over vermogen dat op geen enkele wijze kan worden verkregen. Het is alleen onzeker of de leden van die groep daadwerkelijk uitkeringen zullen krijgen en zo ja, hoeveel dat dan is. Ik wil er in dit verband nog op wijzen dat het feit dat men begunstigde is, ook waarde kan hebben. In het geval van belanghebbende is het bijvoorbeeld zo dat als zij om wat voor reden dan ook financieel behoeftig wordt, zij een beroep kan doen op de stichting. Het is niet juridisch afdwingbaar, maar de kans is wel aanzienlijk dat zij die uitkering zal krijgen. In feite geniet belanghebbende dus het comfort dat zij bij financiële behoeftigheid een beroep kan doen op de stichting, welk beroep – gelet op de statuten, het uitkeringsverleden en het stichtingsvermogen – waarschijnlijk zal worden gehonoreerd.
7.12
Wat in mijn overwegingen meespeelt, is dat de wetgever alternatieve opties voor het opheffen van de maatschappelijk ongewenste situatie heeft onderzocht (4.5 tot en met 4.8). De door de wetgever gemaakte afweging is naar mijn mening niet van redelijke grond ontbloot. Eigenlijk had de wetgever weinig andere reële mogelijkheden om het maatschappelijk probleem van de zwevende vermogens op te lossen. Zo is het aanknopen bij de daadwerkelijke verkrijging mijns inziens geen serieuze mogelijkheid. Inherent aan een APV dat het vermogen discretionair is, oftewel dat de begunstigde niet weet of en wanneer hij of zij iets zal krijgen uit de APV. Het is bezien vanuit het doel om het heffingsvacuüm over zwevende vermogens op te heffen daarom niet zo heel vreemd dat van een belastingplichtige wordt verwacht dat hij of zij kan aantonen dat niks verkregen zal kunnen worden uit de APV, en dat als dat niet lukt, het APV-vermogen pro-rata aan deze belastingplichtige wordt toegerekend. Als de APV-regeling zou aanknopen bij de daadwerkelijke verkrijging – of in het verlengde daarvan het mogelijk zou maken aan te tonen dat minder is verkregen –, zou de APV-regeling op zijn minst nogal fraudegevoelig worden en in het ergste geval een dode letter. Het zou dan namelijk wel heel gemakkelijk worden om te plannen op het moment waarop de uitkering wordt gedaan. Weliswaar weet de belastingplichtige zelf in principe niet wanneer een uitkering zal worden gedaan. Maar een belastingplichtige zal wel zo ongeveer kunnen inschatten wanneer een uitkering zal worden gedaan (bijvoorbeeld omdat een bestendig uitkeringsbeleid wordt gevoerd). Bovendien is het niet irreëel te veronderstellen dat de beheerder van het APV bij de bepaling van het moment en de vorm van de uitkering bereid zal zijn de fiscale belangen van de begunstigde mee te wegen. De fiscale manipuleerbaarheid is ook wat de wetgever ertoe heeft bewogen om af te zien van het aanknopen bij de daadwerkelijke verkrijging (4.6).
7.13
Ik roep hierbij in herinnering dat volgens de rechtspraak van het EHRM de enkele aanwezigheid van ‘less intrusive measures’ niet maakt dat de desbetreffende regeling ongerechtvaardigd is. Het is niet aan de rechter om te beoordelen of de regeling de beste oplossing is voor het probleem (5.7).
7.14
Het Hof heeft nog in overweging genomen dat de wetgever hetzelfde doel had kunnen bereiken door binnenlandse stichtingen te onderwerpen aan een heffing. Dat is op zichzelf genomen juist. Als binnenlandse stichtingen aan vpb zou worden onderworpen zonder dat de eis zou worden gesteld dat een onderneming wordt gedreven, zou de stichting vpb hebben betaald over de winst behaald met het stichtingsvermogen en zou op grond van de toerekeningsstop de stichting in zoverre uit de APV-regeling blijven. Maar dat zou alleen een oplossing bieden voor het specifieke geval dat de APV een in Nederland gevestigde stichting of vereniging betreft. Het zou dus geen allesomvattende oplossing zijn voor de door het Hof gesignaleerde ‘relatieve ongelijkheid’ op stelselniveau. Die discrepantie kan namelijk net zo goed bestaan bij andere rechtsvormen. Bovendien heeft de wetgever het alternatief om aan te sluiten bij het APV zelf voor de heffing afgewezen (4.6). En die afwijzing is evident niet van elke redelijke grond ontbloot. Het is immers nogal wat om alle stichtingen en verenigingen onbeperkt belastingplichtig te maken voor de vpb. Begin 2022 waren er in Nederland 234.200 stichtingen. Daarvan hadden slechts 91 een afgezonderd particulier vermogen.68.Invoering van een onbeperkte vpb-plicht voor alle stichtingen en verenigingen, met alle uitvoeringslasten van dien, als oplossing van het maatschappelijke probleem van de zwevende vermogens zou neerkomen op het afvuren van een kanon op een mug.
7.15
Men kan er van alles van vinden dat de APV-regeling is geplaatst in de inkomstenbelasting en in een vorm is gegoten waarbij wordt aangeknoopt bij de erfgenamen in plaats van rechtstreeks bij het APV of de begunstigden zelf. Maar mijns inziens blijft de wetgever met die inrichting op stelselniveau binnen de hem toekomende wide margin of appreciation. Van belang hierbij is dat de wetgever andere alternatieven heeft afgewogen en begrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen, zoals het invoeren van een regeling voor zogenoemde familiestichtingen (4.8), het aansluiten bij de begunstigden in plaats van de erfgenamen en het onderwerpen van het APV zelf aan een heffing (4.6, 4.9). Ook van belang hierbij is, meen ik, dat de toetsing op stelselniveau terughoudender kan zijn doordat de scherpe kantjes van een regeling op individueel niveau geredresseerd kunnen worden. Op die toetsing op individueel niveau ga ik hierna in.
7.16
Ik meen daarom dat het middel terecht is voorgesteld. Met het oog op het vervolg van het geding, ga ik hierna (kort) in op de vraag of op individueel niveau strijd met art. 1 EP EVRM mij hier waarschijnlijk lijkt.
Strijd op individueel niveau?
7.17
Vooropgesteld zij dat de feitenrechters zich in deze zaak niet hebben uitgelaten over de vraag of belanghebbende op individueel niveau het slachtoffer is geworden van een schending van art. 1 EP EVRM. Belanghebbende heeft als ik het goed zie in de feitelijke instanties en in cassatie ook niet expliciet gesteld dat zij op individueel niveau getroffen wordt door een schending van art. 1 EP EVRM.69.Ik heb in de van haar afkomstige stukken ook geen feitenoverzicht gevonden die een dergelijke stelling zou kunnen onderbouwen. Wel betoogt de Staatssecretaris in zijn beroepschrift in cassatie dat (als zijn klacht over de verdragsschending op stelselniveau slaagt) verwijzing moet volgen voor beantwoording van de vraag of belanghebbende getroffen wordt door een individuele en buitensporige last. Als mijn indruk over de stellingname van belanghebbende juist is en belanghebbende dus niet heeft gesteld dat zij op een individueel niveau getroffen wordt door een schending van art. 1 EP EVRM, dan kan de Hoge Raad naar mijn mening voorbij gaan aan de vraag of belanghebbende op individueel niveau het slachtoffer is van een schending van de mensenrechten. De Hoge Raad kan in dat geval de zaak zelf afdoen bij gegrondverklaring van het cassatieberoep van de Staatssecretaris en ongegrondverklaring van het incidenteel cassatieberoep. Voor het geval de Hoge Raad zich toch genoodzaakt ziet om in te gaan op een mogelijk schending van art. 1 EP EVRM op individueel niveau, ga ik hierna kort in op die vraag.
7.18
De beoordeling of art. 1 EP EVRM op individueel niveau geschonden is vereist een inventarisatie van de relevante feiten en omstandigheden en een waardering daarvan. Ik meen dat in deze zaak het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de Hoge Raad om hierover een eindoordeel te kunnen geven. Dit betekent dat de zaak, als het komt tot een beoordeling van die schending van art. 1 EP EVRM op individueel niveau, verwezen zal moeten worden naar een gerechtshof.
7.19
Dat verwijzingshof zal dan hebben te onderzoeken of belanghebbende door de onderhavige heffing wordt getroffen door een individuele en buitensporige last, i.e. er moeten omstandigheden zijn waardoor belanghebbende sterker wordt getroffen door het APV-regime dan in het algemeen (5.15). Ik denk niet dat de omstandigheid dat belanghebbende geen uitkeringen heeft ontvangen (en waarschijnlijk ook niet zal ontvangen) in dit verband van doorslaggevend belang kan zijn. De toerekening raakt namelijk iedereen die een niet-uitgesloten erfgenaam is van een insteller van een APV, en het is inherent aan dit systeem dat er discrepanties bestaan tussen wat men feitelijk krijgt en wat men krijgt toegerekend. In de woorden van A-G Niessen (5.19): “het feit dat belanghebbende belasting betaalt over een forfaitair bepaalde opbrengst zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt geen ‘individuele en buitensporige last’; belanghebbende wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen.” Als het enkele feit dat er een relatief grote discrepantie bestaat tussen hetgeen is ontvangen en hetgeen is toegerekend wel voldoende zou zijn om een individuele en buitensporige last aan te nemen, zou dat impliceren dat elke fictie die nadelig uitpakt een mensenrechtenschending oplevert. Dat lijkt me toch een wat overspannen conclusie. Maar het voorgaande laat onverlet dat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat andere bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat iemand buitensporig wordt geraakt door het APV-regime.
7.20
Bij de beoordeling van de vraag of dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, zal de verwijzingsrechter dan de heffing over het toegerekende APV-vermogen moeten bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van belanghebbende (5.16), waarbij mede (maar dus niet uitsluitend) in aanmerking moet worden genomen of en in hoeverre zij een zodanig laag inkomen heeft dat zij op haar vermogen moet interen om de belasting te voldoen (5.17). Contra-indicaties kunnen naar mijn mening bijvoorbeeld ontleend worden aan de omvang van en de liquiditeit van het vermogen, aan de mate waarin belanghebbende in staat is de omvang van het inkomen en het genietingsmoment ervan te beïnvloeden en aan uitkeringen die zijn gedaan in voorafgaande jaren en die vermoedelijk zullen worden gedaan in toekomstige jaren (vgl. 5.18).
7.21
Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond is, dat het incidentele cassatieberoep van belanghebbende ongegrond is en dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen.
8. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren, het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren de uitspraak van het Gerechtshof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar te vernietigen en de aanslagen ib/pvv 2018 en 2019 te verminderen conform de in onderdeel 5.2 van de uitspraak van het Hof bedoelde verminderingsbeschikkingen van 7 maart 2024.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑03‑2025
Zie ovw. 5.2 van de uitspraak van het Hof.
Rechtbank Noord-Holland 14 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1743.
HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:367.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1494.
Wet van 17 december 2009 tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956), Stb. 2009, 564.
Citaten zijn, tenzij anders vermeld, opgenomen zonder voetnoten.
Conclusie van 23 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:828, hoofdstuk 5.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 50. Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 38, waar ook wordt gewezen op de met een vestiging in een belastingparadijs samenhangende invorderingsproblemen.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 48-49.
Voor het voorstel, zie Kamerstukken II 2000/01, 27 789, nr. 1, blz. 23-24. Het kabinet meende dat deze variant nader onderzoek vereiste, maar op dit onderzoek is – ondanks een toezegging hiertoe – voor zover ik weet nooit teruggekomen door het kabinet (Kamerstukken II 2002/03, 27 789, nr. 9).
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 52-53.
Rapport onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen, bijlage bij Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 2025 over onderzoek naar vermogen in familiestichtingen, nr. 2025-0000026696.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 10-11.
Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, blz. 19.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 10, blz. 24-25.
X.G.R. Auerbach, ‘Afgezonderd Particulier Vermogen, naar een duaal stelsel’, WPNR 2009/6802.
Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, blz. 30.
In art. 4(6) Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is opgenomen welke stukken in ieder geval moeten worden overlegd om voor de tegenbewijsregeling in aanmerking te komen. Daarin is echter niet gespecifieerd welke stukken kunnen worden overlegd om te doen blijken dat de erfgenaam geen begunstigde is en kan worden.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 56-57.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 49-50, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 5-6 en Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 13, blz. 30.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 11 september 2013, Evaluatie wettelijk systeem voor afgezonderde particuliere vermogens (apv’s), DGB/2013/2752 en Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 2022 op Wob-verzoek beleid APV-regime, 2021-0000270262.
Het begrip ‘hermetische schotten’ is terug te voeren op het antwoord van de Staatssecretaris op een vraag van de CDA-fractie in de Eerste Kamer. Zie Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, blz. 20.
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 8-9.
Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, blz. 41.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken I 2009/10, 31930, D, blz. 20.
Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, blz. 20.
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 2022 op Wob-verzoek beleid APV-regime, 2021-0000270262.
EHRM 23 september 1982, ECLI:CE:ECHR:1982:0923JUD000715175 (Sporrong en Lönnroth t. Zweden).
EHRM 29 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805 (Burden t. Verenigd Koninkrijk), par. 59.
EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 (N.K.M. t. Hongarijë), par. 42.
EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 (N.K.M. t. Hongarijë).
EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 (N.K.M. t. Hongarijë), par. 50.
Vgl. EHRM 14 mei 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 (N.K.M. t. Hongarijë), par. 59.
EHRM 16 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0716JUD006064208 (Ališić t. Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Servië, Slovenië en FYR Macedonië), par. 108.
Conclusie van A-G Niessen van 24 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:979, punt 6.21-6.24.
Guide on Article 1 of Protocol No. 1 to the European Convention on Human Rights, bijgewerkt 31 augustus 2024. Een overzicht van Guides van het EHRM kenniscentrum (ECHR-KS) is te vinden op de introductiepagina van het ECHR-KS.
EHRM 29 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805 (Burden t. Verenigd Koninkrijk), par. 60.
Conclusie van A-G Ettema van 30 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1036, punt 6.28.
Annotatie van M.R.T. Pauwels, FED 2017/119.
HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442.
HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4156.
HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1943.
HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. Het zou correcter zijn om te spreken over het Kerstavondarrest, maar ik zal maar de inmiddels gangbare benaming als het Kerstarrest aanhouden.
Conclusie van A-G Wattel van 1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:655, hoofdstuk 5.
Het arrest van 6 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1130) over de kindvrijstelling in de Successiewet lijkt niet te zien op een schending van art. 1 EP EVRM op stelselniveau; althans, in het arrest wordt nergens art. 1 EP EVRM genoemd. De Hoge Raad overweegt daar dat de kwestie binnen de werkingssfeer van art. 8 EVRM valt en dat het onderscheid in strijd is met het verbod van discriminatie van art. 14 EVRM in samenhang met art. 8 EVRM. Verwarrend is wel dat in de omschrijving van het arrest wel art. 1 EP EVRM genoemd staat, en A-G Ettema in haar conclusie ook uitgaat van (onder andere) art. 1 EP (ECLI:NL:PHR:2023:1201). Maar een schending van art. 1 EP EVRM kan ik uit het arrest niet opmaken.
HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442.
HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831.
HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1718.
Dit arrest is ook behandeld in punt 4.18 van de conclusie van 16 januari 2023 van A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2023:137.
HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:367.
Conclusie van A-G Niessen van 18 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:842.
Annotatie van J.P. Boer in BNB 2021/111.
Annotatie van W.R. Kooiman in NLF 2021/0727.
Het komt mij voor dat belanghebbende procedureel zeer wel in de gelegenheid is gesteld het tegenbewijs te leveren. Zij had dit in alle voorliggende instanties kunnen doen. Dat zij materieel niet in staat was dit bewijs te leveren doordat de feiten niet in haar voordeel spraken, is iets anders.
Vgl. punt 6.6 van mijn conclusie van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1398.
Vgl. HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1535, ovw. 5.6.2.
Art. 2.14a(7) Wet IB 2001.
Rapport onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen, blz. 8/9, bijlage bij Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 2025 over onderzoek naar vermogen in familiestichtingen, nr. 2025-0000026696.
In het bezwaarschrift (tevens het beroepschrift bij de Rechtbank) (blz. 30) trof ik wel de volgende passage aan: “Belanghebbende is van mening dat de belastingheffing op de voet van een reeks van ficties in dit geval leidt tot een onredelijke en disproportionele last, nu de belastingheffing op geen enkele wijze in verband staat met inkomsten of vermogen van belanghebbende”.