Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/6.8.2
6.8.2 Belanghebbende
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS499106:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
C.AE. Uniken Venema, 'Enige beschouwingen over de positie van de 'oude' stichtingen in verband met het nieuwe Stichtingsrecht', WPNR 1957-4491, p. 217-220.
E. Schmieman, `De stand van zaken bij het toezicht op stichtingen', TvOB 2008-2, p. 47.
HR 10 november 2006, NI 2007, 45 (Stichting IHD-Zorg in het Buitenland).
A-G Asser in: HR 10 mei 1996, NJ 1997, 356.
Artikel 2:317 lid 5 BW
HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 149(Veldhof/Leonhard Woltjer Stichting) sluit aan bij de door de Hoge Raad ontwikkelde twee kringenleer in het kader van een jaarrekeningenprocedure.
HR 6 juni 2003, NI 2003, 486 (Schelpar).
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 13 november 1980, NJ 1981, 258 en 259, Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 26 mei 1977, NJ 1980, 122(Vulcaansoord), Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 14 april 1977, NJ 1978, 442, Hof 's-Hertogenbosch 17 februari 1972, NJ 1972, 249 en Hof Leeuwarden 11 april 1945, NJ 1945, 132.
Noot Maeijer bij Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 29 november 1979, NJ 1980, 632.
HR 29 juni 2007, nr. 07/100 HR in het kader van de Handelsregisterwet 1996 (artikel 23), HR 10 november 2006, NJ2007, 45 (Stichting IHD-Zorg in het Buitenland) en HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486(Scheipar).
HR 23 december 1987, NJ 1988, 680, HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307 en HR 11 mei 1983, NJ 1984, 3(Molenschot-arrest).
Dit ruime begrip wordt eveneens verdedigd door T.J. van der Ploeg in: J.G. Sijmons e.a, Maatschappelijk ondernemen in het bijzonder in de zorg (preadvies Vereeniging `Handelsrecht'), Deventer: Kluwer 2008, p. 144.
Het ligt niet voor de hand dat instelling van hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank geschiedt door de verzoekende rechtspersoon. Indien de rechtspersoon zich bedenkt, zal deze geen gebruik maken van de gegeven goedkeurende rechterlijke beschikking. Het kan echter zijn dat anderen, belanghebbenden, de beoogde rechtsvormwijziging wensen te verhinderen.
Mij is geen geval bekend van instelling van hoger beroep bij een rechterlijke goedkeuring tot rechtsvormwijziging van een rechtspersoon. Toch is niet ondenkbaar dat hoger beroep tegen een dergelijke beschikking wordt ingesteld. Een pandhouder kan bijvoorbeeld onder omstandigheden als belanghebbende aangemerkt worden. Voor een notaris, in samenspraak met de betrokken rechtspersoon, is het van belang voor zover mogelijk een inschatting te maken van het mogelijk instellen van een dergelijk beroep en het al dan niet slagen daarvan.
Wie als belanghebbende in het kader van een procedure van rechtsvormwijziging kan worden aangemerkt, wordt door de wet niet gegeven. Geen uitspraken zijn bekend waarin invulling aan het begrip 'belanghebbende' is gegeven in het kader van een dergelijke procedure. Deze vraag is al in 1957 met betrekking tot rechts-vormwijziging in de literatuur aan de orde gesteld.1 Uniken Venema stelt dat hoger beroep kan worden ingesteld door bijvoorbeeld donateurs of bestuursleden die tegen het besluit tot rechtsvormwijziging hebben gestemd.
Voor de invulling van het begrip 'belanghebbende' in het kader van rechtsvorm-wijziging is het daarom zinvol na te gaan of in jurisprudentie wellicht algemene lijnen zijn te ontdekken die ook voor rechtsvormwijziging zouden kunnen gelden. In jurisprudentie is invulling van het begrip 'belanghebbende' herhaaldelijk aan de orde gekomen en ontwikkeld.
Uitspraken zijn bekend met betrekking tot de vraag wie tot belanghebbenden zijn te rekenen in een verzoekschriftprocedure.2 Een belanghebbende heeft de bevoegdheid ontslag van een bestuurder bij de rechtbank te vorderen bij handelen in strijd met de wet of wanbeheer.3 Uit een arrest van de Hoge Raad4 is af te leiden dat uit de aard van de procedure in samenhang met de wettelijke bepalingen afgeleid moet worden wie als belanghebbende is aan te merken. In een andere zaak waar dezelfde aanwijzing voor het zijn van belanghebbende werd aangegeven, betrof het de doorhaling van de inschrijving van een echtscheidingsvonnis.5
Een uitwerking van uitleg van het belanghebbende begrip is te vinden in het kader van een fusie tussen stichtingen.6 De Hoge Raad7 heeft in het kader van een dergelijke procedure geformuleerd dat een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichting betrokkenen, zoals een oprichter of een lid van een orgaan van de stichting, als belanghebbende aangemerkt moet worden. Een niet tot die kring behorende persoon wordt als belanghebbende aangemerkt wanneer de goedkeuring van het fusiebesluit zou leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor hem in zijn betrekkingen tot de stichting.
In het kader van een enquêteprocedure oordeelde de Hoge Raad8 dat bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is een rol zal spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de betreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet wie als 'belanghebbende' in het kader van een procedure van rechtsvormwijziging aangemerkt kan worden. In jurisprudentie zijn aanknopingspunten te ontdekken op basis waarvan een individu bezwaar kan maken tegen een goedkeurende rechterlijke machtiging. Gezien de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen, meen ik dat van een belanghebbende in de zin van artikel 2:18 BW sprake is indien als belanghebbende nadeel wordt ondervonden.
Allereerst dient aangetoond te worden dat men belanghebbende is. Het ondervinden van nadeel levert niet het zijn van belanghebbende op. Anders gezegd: een belang hebben impliceert nog niet dat men belanghebbende is. Een belanghebbende dient aan te tonen dat hij een rechtstreeks9 en aantoonbaar belang10 bij de uitkomst van de procedure heeft11 én een specifiek en concreet nadeel12 ondervindt van de rechtsvormwijziging.13