De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.1.3:8.3.1.1.3 De anti-oppoteis van artikel 1b UR AWR 1994
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.1.3
8.3.1.1.3 De anti-oppoteis van artikel 1b UR AWR 1994
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232445:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uit de kabinetsreactie evaluaties giftenaftrek en ANBI/SBBI-regeling blijkt dat de staatssecretaris van Financiën de gedachte openhoudt de anti-oppoteis te verzachten, Kamerstukken II 2017-2018, 34785, nr. 84.
Vgl. S.J.C. Hemels, ‘Anbi anno 2012: wet- en regelgeving’, FBN 2012/54.
Zo genoemd door staatssecretaris Weekers in een wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2012, Kamerstukken II 2011-2012, 33003, nr. 81, p. 61.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het nastreven van het algemeen nut verhoudt zich slecht met het oppotten van vermogen. De fiscale wetgever heeft het daarom onwenselijk geacht dat een ANBI vermogen oppot.1 De middelen die een ANBI verwerft met het oog op haar doelstelling, moeten ook feitelijk voor dat doel worden aangewend. Daarom bevat artikel 1a lid 1 onderdeel d UR AWR 1994 in verbinding met artikel 1b UR AWR 1994 een beperking ten aanzien van de omvang van het vermogen van een ANBI en dus ook voor de bij dode opgerichte stichting die gerangschikt wil worden als ANBI.2
Artikel 1b UR AWR 1994 luidt:
Een algemeen nut beogende instelling houdt niet meer vermogen aan dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
Onder vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden begrepen:
vermogen of bestanddelen daarvan die krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking door de instelling zijn verkregen, en die op grond van aan die uiterste wilsbeschikking of schenking verbonden voorwaarden, al dan niet in reële termen, in stand moeten worden gehouden;
vermogensbestanddelen voor zover de instandhouding daarvan voortvloeit uit de doelstelling van die instelling, en
activa en voor de voorziene aanschaf van activa aangehouden vermogensbestanddelen, voor zover een instelling die activa redelijkerwijs nodig heeft ten behoeve van de doelstelling van de instelling.
De algemeen nut beogende instelling vermeldt in haar financiële administratie het doel waarvoor het vermogen wordt aangehouden, alsmede een motivering voor de omvang van dat vermogen.’
Deze bepaling wordt ook wel de anti-oppoteis genoemd.3 Op de anti-oppoteis, bestaat één uitzondering zo blijkt uit artikel 1b lid 1 UR AWR. Deze uitzondering geldt voor vermogen dat redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van voorziene werkzaamheden van de instelling. Voor de bij dode opgerichte stichting worden hiermee in artikel 1b lid 2 UR AWR twee belangrijke situaties gelijk gesteld:
Vermogen dat krachtens uiterste wilsbeschikking of schenking door de ANBI is verkregen en op grond van aan die uiterste wilsbeschikking of schenking verbonden voorwaarden in stand moet worden gehouden, wordt geacht nodig te zijn voor de continuïteit van voorziene werkzaamheden van de instelling. Het staat de erflater daardoor vrij te bepalen dat makingen ten behoeve van de bij dode opgerichte stichting geheel of ten dele in stand moeten worden gehouden, zonder dat dit de ANBI-status op het spel zet. Zonder instandhoudingsplicht geldt de anti-oppoteis ook voor het krachtens erfrecht verkregen vermogen.
De voorwaarde dat het verkregene in stand gehouden moet worden kan ook opgesloten liggen in het doel. Vandaar dat artikel 1b lid 2 onderdeel b UR AWR 1994 bepaalt dat als uit het doel van de bij dode opgerichte stichting voortvloeit dat deze is bedoeld om gedurende onbepaalde tijd bepaalde uitkeringen te doen ook dit vermogen geachte wordt nodig te zijn voor de continuïteit van voorziene werkzaamheden van de instelling.
Dat de anti-oppoteis wordt overtreden zal daardoor niet te snel worden geconstateerd.