Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/1.3.b:1.3.b Verhouding tot bestaande literatuur
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/1.3.b
1.3.b Verhouding tot bestaande literatuur
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609505:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 1989, p. 246-250 en 262-264.
De Hullu 1989, p. 137-163.
Köhne 2000, p. 225-226 en p. 241, voetnoot 563.
Zie vooral de in hoofdstuk 2 aangehaalde publicaties.
Zie als uitzondering Trechsel 2005, p. 366-367; Köhne 2000, p. 225-226 en p. 241, voetnoot 563; Stijnen 2011, p. 143-145 en p. 490-491.
Pesselse 2013 respectievelijk Van Kempen & Pesselse 2014.
Pesselse 2012 en Pesselse 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bestaande rechtswetenschappelijke literatuur beantwoordt de hierboven gestelde hoofd- en deelvragen slechts globaal of gedeeltelijk. Afzonderlijke vermelding verdienen de proefschriften van De Hullu (1989) en Köhne (2000). De Hullu behandelt het toenmalige verzet tegen verstekuitspraken, hoger beroep, cassatie (in het belang der wet), de herziening, gratie en enige internationale rechtsmiddelen. Hij zet de historie en uitgangspunten van het rechtsmiddelenstelsel uiteen en toetst daaraan de uitwerking die de verschillende rechtsmiddelen door de jaren heen hebben gekregen. De Hullu besteedt weliswaar enige aandacht aan de in 1989 gepresenteerde plannen voor een verlofstelsel in cassatie, maar een uitgebreide behandeling krijgt het onderwerp bij hem niet.1 De artikelen 410a Sv en 80a RO blijven vanzelfsprekend ongenoemd en de voor verlofstelsels relevante verdragsrechten komen beknopt aan bod.2 Ook het recentere proefschrift van Köhne uit het jaar 2000 verschilt in meerdere opzichten van onderhavig boek. Köhne besteedt veel aandacht aan (buitenlandse) verlofstelsels, maar zijn boek is niet op het strafrecht toegespitst en de artikelen 410a Sv en 80a RO konden daarin simpelweg niet aan de orde komen – het boek werd gepubliceerd vóór invoering van deze bepalingen. Hoewel Köhne uitgebreide rechtsvergelijking verricht, is zijn aandacht voor de verdragsrechtelijke minimumeisen aan verlofbeoordeling bescheiden,3 terwijl deze eisen in het onderhavige boek juist vooropstaan. Al met al zijn de verschillen tussen het boeken van De Hullu en Köhne en het onderhavige onderzoek zo wezenlijk en talrijk, dat er volgens mij voor alle drie plaats is.
Naast De Hullu en Köhne hebben diverse auteurs zich (in Nederlandstalige publicaties) over verlofstelsels uitgelaten,4 maar eenduidig taalgebruik en een coherent verdragsrechtelijk kader heeft dat mijns inziens niet opgeleverd. Zoals opgemerkt kan vooral de vraag naar de toelaatbaarheid van verlofstelsels op basis van bestaand onderzoek niet of nauwelijks worden beantwoord. In algemene zin is uiteraard wel aandacht besteed aan het recht op beroep en voornamelijk het recht op een eerlijk proces, maar toespitsing op verlofstelsels vindt in de literatuur nauwelijks plaats.5 Omdat het onderzoeksterrein van dit boek kortom betrekkelijk braak ligt, wordt in dit boek niet vaak het debat met de literatuur aangegaan.
De hoofdstukken 3 en 6 bevatten bewerkingen van eerdere (co-)publicaties,6 andere delen van dit boek borduren op eerdere publicaties voort.7