Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.10.7
1.10.7 Beschikken over een “slapend” eigendomsrecht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644838:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Denkbaar is ook dat de rechthebbende van het slapende eigendomsrecht de actio ad exhibendum over kan dragen aan de koper. In het Romeinse recht geschiedde deze “overdracht” via een cessiemandaat, omdat de Romeinen de cessie niet hadden geaccepteerd. De Romeinen verbonden de vordering aan de persoon van respectievelijk de schuldeiser en de schuldenaar en deze vordering was daarom niet overdraagbaar. Deze on-overdraagbaarheid losten de Romeinen op via een bijzondere constructie waarbij de gerechtigde tot een vordering (de lastgever) een last geeft aan een ander (de lasthebber) om de vordering te “innen”. Laatstgenoemde heeft van de praetor een speciale actie gekregen om de last uit te voeren (een actio utilis). Deze kon hij met succes instellen als het cessiemandaat aan de schuldenaar was medegedeeld. Was de vordering eenmaal geïnd, dan hoefde de lasthebber deze niet af te staan aan de lastgever, zoals dat bij een normale lastgeving wel het geval zou zijn geweest. De lastgeving in het belang van de lasthebber heette procuratio in rem suam (last in het eigen belang). Het belang van de last bij een cessiemandaat van de actio ad exhibendum is helder: als een bestanddeel eenmaal was afgescheiden en daardoor een zelfstandige zaak was geworden, herleefde het eigendomsrecht van de oorspronkelijke eigenaar (lastgever). Deze was daarom beschikkingsbevoegd om de zaak over dragen. Zie over het cessiemandaat: Lokin/Brandsma (2016), p. 300 e.v.
D. 10, 4, 1 (Ulpianus): (…) zij is vooral met het oog op zakelijke acties ingevoerd; Zie ook: Baron (1864), p. 45. Baron verwees naar een andere (oudere) uitgave van de Digesten, waarin niet inducta maar introducta staat.
D. 6, 1, 1 (Ulpianus): Post actiones, quae de universitate propositae sunt, subicitur actio singularum rerum petitionis.
Zie over de reikwijdte van de acties: Lokin, GrOM/2018, p. 97 e.v.
Was het mogelijk om het slapende, maar voortdurende, eigendomsrecht over te dragen? Kon bijvoorbeeld de eigenaar van het slapende eigendomsrecht het bestanddeel verkopen en leveren? Naar Justiniaans Romeins recht werden alle roerende zaken via traditio in eigendom overgedragen. Dit betekende dat voor een geldige eigendomsoverdracht sprake moest zijn van een geldige titel, beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder en de zaak moest worden geleverd. Dit laatste was problematisch. De zaak was door de natrekking buiten het rechtsverkeer geplaatst. Als de eigenaar van het slapende eigendomsrecht zijn recht wilde overdragen, dan waren er zakenrechtelijk twee mogelijkheden, afhankelijk van de omstandigheid of hij de hoofdzaak in zijn bezit had of niet. In het ene geval kon hij alleen leveren, door ofwel de gehele hoofdzaak over te dragen aan de koper ofwel door het bestanddeel af te scheiden van de hoofdzaak. Het bestanddeel werd dan een zelfstandige zaak waardoor het eigendomsrecht herleefde. Gaf hij de gehele zaak aan de koper, maar behoorde de hoofdzaak toe aan een ander, dan droeg hij uiteraard niet die hoofdzaak in eigendom over. Hij was immers niet beschikkingsbevoegd.
Een voorbeeld. A heeft een gouden beker van B in zijn bezit. A verbindt zijn diamant met de beker. De diamant wordt daardoor een bestanddeel daarvan. Als A vervolgens de beker wil overdragen aan C, wordt C geen eigenaar van de beker. B is immers eigenaar. C verkrijgt wel het slapende eigendomsrecht dat rust op de diamant. Als B de beker bij hem opeist, dan mag C de diamant afscheiden, indien hij weet dat A daarvan eigenaar was en hij dus de slapende eigendom heeft gekregen. Als C de beker verliest en deze in het bezit van bijvoorbeeld B komt, dan kan C de actio ad exhibendum instellen met betrekking tot de diamant om zo zijn eigendomsrecht te activeren.
In het andere geval had de rechthebbende van het slapende eigendomsrecht de hoofdzaak en het over te dragen bestanddeel niet in zijn bezit. Hij kon derhalve ook niet leveren. Hij zou dan eerst tegen de bezitter (indien mogelijk) de actio ad exhibendum moeten instellen. Na de afscheiding en de revindicatie kon hij de zaak leveren aan de koper.1
B heeft een gouden beker in bezit waarin een diamant van A is geplaatst. A wil de diamant verkopen aan C, maar kan deze niet leveren. A zal via de actio ad exhibendum afscheiding van de diamant moeten vorderen.
Tussenconclusie
De functie van de hulp- of vooractie ad exhibendum was gelegen in de mogelijkheid de revindicatie in te stellen (maxime propter vindicationes inducta est).2 Zo begint de eerste tekst van de titel ad exhibendum. De eigendomsactie was een actie tot vordering van afzonderlijke zaken (actio singularum rerum petitionis)3, niet een actie tot vordering van afzonderlijke bestanddelen van zaken. Zo begint de eerste zin van de titel de rei vindicatione. Dat de afscheiding niet te vorderen was met de revindicatie, was niet de oorzaak “des Gesetzes der Trägheit” zoals Demelius schreef: het paste simpelweg niet in het systeem van het Romeinse recht, dat een systeem van acties was. Elke actie had een eigen reikwijdte. Het oprekken van de reikwijdte van de revindicatie, door toe te staan dat met die actie naast zaken bestanddelen van die zaken konden worden opgeëist, was voor de Romeinen een stap te ver.4 Hetzelfde gold voor bijvoorbeeld een mede-eigenaar die zijn deel wilde opeisen. In het ene geval had hij de revindicatio partis nodig om zijn zaak te krijgen, in het andere geval de actio communi dividundo en in weer een ander geval de actio familiae erciscundae. Om de eigenaar van een samengestelde zaak toch te dwingen de verbinding ongedaan te maken, zodat de revindicatie kon worden ingesteld, was de actio ad exhibendum nodig. Zo behield deze actie ook in dit geval haar oorspronkelijke functie. Net als bij de legis actio sacramento in rem, dwong zij de gedaagde mee te werken aan de actio directa.
De actio ad exhibendum kon worden aangewend in die gevallen waarin sprake was van een slapend eigendomsrecht. Dikwijls hing het van de feitelijke omstandigheden af of men een slapend eigendomsrecht bezat. Het lassen van twee zaken had een ander rechtsgevolg dan het solderen daarvan. De conclusie is duidelijk: na afscheiding herrees het eigendomsrecht in zijn oude gedaante. Is deze duidelijkheid er ook indien het eigendomsrecht bezwaard was met een beperkt recht?