Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/6.1.2
6.1.2 De beoordeling van een openbaar bod en de rol van het bestuur
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232635:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In vergelijkbare zin: De Brauw 2017, par. 12.3; Croiset van Uchelen 2019, p. 40; Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.1. Vergelijkbare overwegingen spelen overigens in de Verenigde Staten, en ook daar is een vijandige overname technisch mogelijk, maar lastig uitvoerbaar. Zie: Cheffins 2019, p. 235.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.5.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.10.
Zie in vergelijkbare zin: De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 3.1.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.20.
De Brauw 2017, par. 5.1.9.2. In vergelijkbare zin: Croiset van Uchelen 2019, p. 35-36. Dit kan voortvloeien uit de taakvervulling waartoe bestuurders gehouden zijn, vgl. Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.15. Die taakvervulling vereist een actieve rol van een geïnformeerd bestuur. In jurisprudentie wordt aan dit overleg ook expliciet aandacht besteed, zie bijvoorbeeld HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer (RNA), r.o. 3.10.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.34.
Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003/182, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/57, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (HBG), r.o. 6.4.2 en HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.5. Zie in meer algemene zin: HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI), r.o. 3.4.2.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.3-4.4.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.31.
Van Olffen, Ondernemingsrecht 2020/51, par. 2.1.
Hieronder valt zowel de prijs per aandeel als de wijze van betaling (in contanten, in aandelen, of een combinatie van beide).
Zie ook: De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 3.2.
HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I) en principe 1.1 in de Corporate Governance Code. Zie: De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 1.
Dit wil zeggen dat de beursvennootschap in feite openbaar maakt dat zij bereid is mee te werken aan een overname, hetgeen kan leiden tot biedingen van andere geïnteresseerde kandidaten.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 21 maart 2017, JOR 2017/229, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (TMG), r.o. 3.36, waarbij de Ondernemingskamer het begrijpelijk achtte dat een voldoende mate van dealzekerheid als één van de voorwaarden werd aanvaard waaraan een bod moest voldoen. Daarbij lag het volgens de Ondernemingskamer voor de hand dat een bod slechts gestand zou worden gedaan indien de bieder door gestanddoening van het bod een belang van meer dan 50% zou verwerven, waarbij de realiteit was dat een consortium van twee aandeelhouders (die niet voornemens waren de aandelen aan te bieden omdat zij zelf een bod wilden uitbrengen op TMG) gezamenlijk 59% van de aandelen in TMG hielden.
Van Ginneken 2010, par. 3.3.1. Het gaat hier om: Delaware Supreme Court, Smith v. Van Gorkom, 488 A.2d 858 (Del. 1985); Delaware Supreme Court, Unocal Corp. v. Mesa Petroleum Co., 493 A.2d 946 (Del. 1985); Delaware Supreme Court, Revlon, Inc. v. MacAndrews & Forbes Holdings, Inc., 506 A.2d 173 (Del. 1986) (mondeling gewezen in 1985); Delaware Supreme Court, Moran v. Household International, Inc., 500 A.2d 1346 (Del. 1985).
Delaware Court of Chancery, Air Products and Chemicals Inc. v. Airgas Inc., Civ. 5249-CC, 5256-CC (Del. Ch. 2011).
Zie hierover ook: par. 3.14-3.16 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Delaware Supreme Court, Revlon, Inc. v. MacAndrews & Forbes Holdings, Inc., 506 A.2d 173 (Del. 1986).
Delaware Supreme Court, Paramount Communications, Inc. v. Time Inc., 571 A.2d 1140 (Del. 1989).
Zie hierover paragrafen 3.2 en 5.1.1.
Dit volgt onder andere uit HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO) en Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel). Dat kan anders zijn in het geval van een (onvermijdelijk) faillissement, zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 3 december 2019, JOR 2020/85, m.nt. P.H.M. Broere (ZED+), r.o. 3.12-3.13.
In de Nederlandse overnamepraktijk tracht een bieder in eerste instantie veelal overeenstemming te bereiken met de beursvennootschap over de voorwaarden waaronder hij bereid is een openbaar bod uit te brengen. De bieder beoogt op deze wijze te bewerkstelligen dat het bestuur meewerkt aan het realiseren van het openbaar bod en het bod aanbeveelt aan de aandeelhouders van de beursvennootschap. Uit ervaring blijkt dat de meeste overnamepogingen eindigen in de fase vóór de openbare aankondiging van het bod. De reden hiervoor kan zijn dat het bestuur van de beursvennootschap überhaupt niet geïnteresseerd is in een overname, niets ziet in de bieder die zich op dat moment aandient, of dat geen overeenstemming wordt bereikt over de voorwaarden waarop het bod zou moeten worden uitgebracht. In Nederland is het zonder de medewerking van de beursvennootschap in de praktijk gecompliceerd om de aandelen in een beursvennootschap te verkrijgen. Dit heeft te maken met het feit dat een overname in dat geval wordt bemoeilijkt omdat er geen due diligence-onderzoek kan plaatsvinden, geen medewerking wordt verleend voor een behoorlijke mededingingsanalyse en het bewerkstelligen van goedkeuringen door toezichthouders en de financiering complexer en duurder wordt, nog los van mogelijke interventies door de beursvennootschap zelf of door derden (zoals een stichting of een white knight).1 Dit maakt dat het beoordelen van een voorstel tot het uitbrengen van een openbaar bod in Nederland in eerste instantie behoort tot de bevoegdheid van het bestuur van de beursvennootschap, onder toezicht van de raad van commissarissen. Op basis van jurisprudentie zijn hiervoor een aantal grondregels te onderscheiden. In algemene zin en behoudens andersluidende bijzondere regelingen zijn de hierna beschreven regels in mijn optiek de belangrijkste principes die gelden bij het beoordelen van een potentieel overnamebod.
Het besluit over het al dan niet meewerken aan en steunen van een bod behoort tot de bevoegdheid van het bestuur. Het bestuur is bevoegd om te besluiten de onderneming van de beursvennootschap zelfstandig (stand alone) voort te zetten, een fusie aan te gaan of een bod op de aandelen uit te lokken,2 alsmede om de positie van de doelvennootschap te bepalen in reactie op voorstellen van een (potentiële) bieder.3 Een besluit van het bestuur dient wel zorgvuldig tot stand te komen en gericht te zijn op het vennootschapsbelang; het bestuur kan een goed onderbouwd, realistisch en strategisch (mogelijk) superieur bod over het algemeen niet afwijzen zonder het serieus te bestuderen.4 Het bestuur dient in algemene zin dan ook open te staan voor voorstellen, in die zin dat het die niet bij voorbaat kan afwijzen.5
Het bestuur maakt een zelfstandige afweging en volgt een zorgvuldig besluitvormingsproces. Er rust in beginsel geen verplichting op het bestuur om inhoudelijke besprekingen of onderhandelingen te voeren met een (potentiële) bieder. Wel dient het bestuur zich gedegen te informeren. Dit kan inhouden dat de vennootschap overleg dient te voeren met een bieder om onduidelijkheden op te helderen.6 Het bestuur van de beursvennootschap kan in redelijkheid tot het besluit komen om een bod niet te steunen, ook als dat niet strookt met de wil van (de meerderheid van de) aandeelhouders, en zelfs als aannemelijk is dat een stand alone-scenario minder aandeelhouderswaarde genereert (op lange termijn) dan het overnamevoorstel (op korte termijn).7
De AV heeft in beginsel geen recht op voorafgaande inspraak. Er rust geen verplichting op het bestuur om de AV in zijn besluitvorming te betrekken of te consulteren voorafgaand aan een besluit om wel of geen medewerking te verlenen aan een bod op het geheel of een deel van de onderneming.8 Dit is slechts anders indien dit volgt uit de wet, statuten of overeenkomst.9
Het bestuur dient achteraf verantwoording af te leggen en de AV kan daar consequenties aan verbinden. Aandeelhouders hebben recht op en belang bij het afleggen van verantwoording door het bestuur over het door hem gevoerde beleid. Op die wijze dienen zij toereikende informatie te krijgen over de daaraan ten grondslag liggende gegevens en afwegingen, zowel met het oog op de uitoefening van hun wettelijke en statutaire bevoegdheden, als ter bepaling van hun eigen beleggings- en investeringsbeleid.10 In mijn visie betekent dit dat wettelijke en statutaire aandeelhoudersbevoegdheden op een dusdanige manier kunnen worden uitgeoefend dat uiting gegeven wordt aan onvrede over het gevoerde beleid. Aandeelhouders kunnen die onvrede tot uiting brengen in een AV, onder andere tijdens de behandeling van de vaststelling van de jaarrekening, decharge en benoemingen.11
In de praktijk zal het bestuur bij interesse van een mogelijke bieder een voorstel ontvangen met de mededeling dat, en onder welke voorwaarden, de potentiële bieder bereid is een bod uit te brengen op de beursvennootschap. Voor de beoordeling van dat voorstel zijn met name van belang: de strategische rationale, de geboden financiële vergoeding,12 de dealzekerheid en de gevolgen voor stakeholders.13 De strategische rationale wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de strategische keuze om mee te werken aan het overnamebod in grotere mate zou bijdragen aan het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming en langetermijnwaardecreatie dan de huidige strategie en andere strategische alternatieven.14 De door een bieder geboden prijs is relevant omdat om het bod te doen slagen het uiteindelijk van cruciaal belang is dat aandeelhouders hun aandelen aanmelden onder het bod. De dealzekerheid is relevant omdat er een grote kans moet zijn dat het bod inderdaad wordt doorgezet en succesvol wordt afgerond, wil de beursvennootschap meewerken aan de aankondiging van het voorgenomen bod en zichzelf daarmee ‘in play’ brengen.15 De mate van zekerheid wordt beïnvloed door benodigde goedkeuringen van mededingingsautoriteiten of andere toezichthouders, maar ook door de vraag of een grootaandeelhouder bereid is zijn aandelen aan te melden onder het bod.16
Tot slot zijn de gevolgen voor stakeholders relevant, omdat het bestuur hoeder is van de belangen van stakeholders en het die belangen zorgvuldig dient mee te wegen in zijn besluitvorming.
In Delaware is lang discussie geweest over wie uiteindelijk besluit over of een openbaar bod aanvaardbaar is en in welke gevallen de board of directors een vijandig overnamebod mag blokkeren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een poison pill. In 1985 bepaalde de Delaware Supreme Court in een viertal uitspraken dat de board of directors zich actief mag opstellen en daarbij ook beschermingsmaatregelen mag gebruiken.17 Dat uitgangspunt geldt thans nog steeds. Het werd in 2011 nog eens, in duidelijke taal, door de Delaware Court of Chancery bevestigd: “as Delaware law currently stands, the answer must be that the power to defeat an inadequate hostile tender offer ultimately lies with the board of directors.”18 Het richtsnoer van de board of directors van een beursvennootschap gevestigd in Delaware kan ‘verkleuren’ wanneer sprake is van een overnamesituatie en tevens duidelijk is dat de zelfstandigheid van de beursvennootschap niet langer wordt nagestreefd. De directors veranderen dan van bewakers van de vennootschap in veilingmeesters, die de hoogste biedprijs voor de aandeelhouders dienen te ontlokken. Dit wordt aangeduid als de Revlon-doctrine.19
In 1985 had Revlon een vijandig overnamebod ontvangen van Pantry Pride (van $58 per aandeel, na verschillende verhogingen), waarna Revlon een overeenkomst sloot om overgenomen te worden door Forstmann Little (voor $57,25 per aandeel, na verschillende verhogingen). Om ervoor te zorgen dat Forstmann Little als winnaar uit de biedingenstrijd zou komen, bevatte de overeenkomst drie elementen die andere bieders moesten afschrikken: (1) Revlon gaf opties aan Forstmann Little om twee divisies van Revlon te kopen onder de marktprijs, welke opties uitoefenbaar zouden worden indien een derde partij 40% of meer van de aandelen in Revlon zou verkrijgen (‘lock-up options’), (2) Revlon beloofde exclusief met Forstmann Little te spreken over een mogelijke overname (‘no-shop’-bepaling), en (3) als de transactie niet doorging, zou Forstmann Little een break fee van $25 miljoen ontvangen. De Delaware Supreme Court bevestigde het oordeel van de Court of Chancery en overwoog dat bepaalde beschermingsmaatregelen die genomen waren tot op een zeker moment aanvaardbaar konden zijn, maar: “…when Pantry Pride increased its offer to $50 per share, and then to $53, it became apparent to all that the break-up of the company was inevitable. The Revlon board’s authorization permitting management to negotiate a merger or buyout with a third party was a recognition that the company was for sale. The duty of the board had thus changed from the preservation of Revlon as a corporate entity to the maximization of the company's value at a sale for the stockholders’ benefit. This significantly altered the board’s responsibilities under the Unocal standards. It no longer faced threats to corporate policy and effectiveness, or to the stockholders’ interests, from a grossly inadequate bid. The whole question of defensive measures became moot. The directors’ role changed from defenders of the corporate bastion to auctioneers charged with getting the best price for the stockholders at a sale of the company.”20
De Revlon-doctrine bepaalt enkel het richtsnoer van de board of directors in gevallen dat de board of directors besloten heeft om aan te sturen op een verkoop van de vennootschap. Buiten die gevallen is een board of directors “not under any per se duty to maximize shareholder value in the short term, even in the context of a takeover.”21 De board of directors mag zich dus ook richten op de lange termijn, zolang die maar leidt tot het maximaliseren van aandeelhouderswaarde.22 Anders dan in de Verenigde Staten, blijft het bestuur van een beursvennootschap in Nederland zelfs wanneer zelfstandigheid niet langer een doel op zich is, gericht op het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming en langetermijnwaardecreatie, en richt het zich in beginsel niet naar de belangen of wensen van een enkele groep stakeholders (zoals aandeelhouders).23