Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/67
67 De noodzaak van verwijzing naar de schadestaatprocedure
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS395903:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Tjong Tjin Tai, TCR 2008, p. 1.
Die praktijk kwam niet zozeer voort uit de wens om een verbetering van de rechtsgang mogelijk te maken dan wel om hogere gerechtskosten te generen. Zie Spoelder 1966, nr. 81.
Zie daarover HR 21 november 1941, NJ 1941, 425 (Meyer/De Ruiter).
Spoelder verwijst naar Rb. Haarlem 6 december 1932, NJ 1934, blz. 757 en Hof Arnhem 8 maart 1933, NJ 1933, blz. 1261. Zie Spoelder 1966, nr. 2.
Spoelder 1966, nr. 6.
Beekhoven van den Boezem, GS Burgerlijke Rechtsvordering, boek 2, titel 6, aant. 2 (losbladig en online) en Spoelder 1966, p. 6 (zie voetnoot 1).
Koopman, GS Vermogensrecht, art. 317, aant. 1 (losbladig en online).
Tjong Tjin Tai 2012, nr. 504.
Tjong Tjin Tai 2012, nr. 310. Zie ook Tjong Tjin Tai, TCR 2008, p. 3.
Tjong Tjin Tai, TCR 2008, p. 2. Tjong Tjin Tai verwijst naar HR 29 november 1940, NJ 1941, 420, m.nt. EMM (Radicum/Philips).
Wat heeft de eiser die een verklaring voor recht vordert omdat hij geen veroordeling tot prestatie nader op te maken bij staat kan vorderen aan toewijzing van die vordering? Het antwoord op die vraag hangt af van het antwoord op de vraag wat de eiser met een veroordeling nader op te maken bij staat bereikt. Spoelder besteedt in zijn dissertatie over de schadestaatprocedure aandacht aan de achtergrond van de procedure. Hij schrijft dat de praktijk om de begroting van de schade te splitsen van de veroordeling tot vergoeding is ontstaan in het Franse recht.1 Tot halverwege de 17e eeuw kon de omvang van de schadevergoeding in beginsel niet worden begroot in de hoofdprocedure. Splitsing van de procedures was het uitgangspunt.2 In de Franse Code de Procédure Civile was voor de rechter de keuze opgenomen tussen begroting van de omvang van de schade in de hoofdprocedure of in een aparte schadestaatprocedure. Via de Franse Code de Procédure Civile is de schadestaatprocedure in ons Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering terecht gekomen. Volgens de wetgever was handhaving van de schadestaatprocedure noodzakelijk voor gevallen waarin de omvang van de schade ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet te begroten is.3 Spoelder verwijst voor voorbeelden van die situaties naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem en van het hof Arnhem. In beide gevallen ging het om toekomstige schade.4 Spoelder stelt dat het ook voorkomt dat de eiser de omvang van de schade nog niet kan begroten omdat nader onderzoek noodzakelijk is voor het vaststellen van de omvang van die schade.5 Volgens zowel Spoelder als Beekhoven van den Boezem kan de eiser die zijn schade nog niet kan begroten (omdat het om toekomstige schade gaat of omdat nader onderzoek nodig is), in bepaalde gevallen niet wachten met het aanhangig maken van een procedure totdat zijn schade bekend is, bijvoorbeeld omdat het risico bestaat dat bewijsmiddelen verloren gaan of termijnen verlopen.6 In die gevallen biedt verwijzing naar de schadestaatprocedure uitkomst.
Voor het zekerstellen van bewijsmiddelen is de schadestaatprocedure naar mijn idee niet nodig. De eiser die vreest dat bewijsmiddelen verloren gaan, maar nog niet in staat is om schadevergoeding te vorderen, kan verzoeken om een voorlopig deskundigenbericht respectievelijk getuigenverhoor.7 Het verschaffen en vastleggen van informatie, opdat die informatie als bewijs kan worden gebruikt in een (mogelijke) procedure is nota bene een van de functies van het voorlopig getuigenverhoor en deskundigenbericht.8
De schadestaatprocedure is mijns inziens in beginsel ook niet nodig voor de stuiting van de verjaring. Op grond van art. 3:310 BW verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Art. 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De schadevergoedingsvordering valt daaronder.9 De eiser die nog geen schadevergoeding kan vorderen omdat voor de begroting van de schade onderzoek nodig is, kan de verjaringstermijn dus in beginsel eenvoudig stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW. Waarom geldt het voorgaande dan slechts in beginsel? Omdat er gevallen te bedenken zijn waarin stuiting van de verjaring door een schriftelijke aanmaning of mededeling praktisch onmogelijk is, bijvoorbeeld als de woonplaats van de wederpartij onbekend is. Om te voorkomen dat zijn vordering verjaart, zal de eiser in die situaties zijn aangewezen op het instellen van een eis (art. 3:316 lid 1 BW), meer specifiek op een vordering die strekt tot veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Na de hoofdprocedure heeft de eiser dan op grond van art. 3:324 lid 1 BW twintig jaar de tijd om de schadestaatprocedure aanhangig te maken. Het instellen van de schadestaatprocedure is immers een daad van tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 3:324 lid 1 BW.10
Overigens betekent het feit dat schade toekomstig is, niet per definitie dat de schade niet te begroten is. Zoals Tjong Tjin Tai terecht opmerkt, kan de rechter bij onzekerheid over toekomstige ontwikkelingen gebruik maken van de mogelijkheid om toekomstige schade te begroten ex art. 6:105 BW.11 Ook kan de rechter een voorwaardelijke veroordeling tot schadevergoeding uitspreken.12 Slechts als nader onderzoek nodig is om de reeds geleden schade in kaart te brengen, kan de eiser zijn schade nog niet begroten.