Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/7.3.2.1
7.3.2.1 Artikel 5, 67 en 72 Fw
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS304769:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
De afschaffing van de (toen nog) verplichte procureurstelling (thans, na afschaffing van het procuraat, gewijzigd in: verplichte inschakeling advocaat) en de kortere termijn werden tijdens de behandeling in de Eerste Kamer als volgt – en mijns inziens nogal aanvechtbaar - gemotiveerd: 'Ten behoeve van de rechtszekerheid is gekozen voor korte termijnen waarin hoger beroep kan worden ingesteld of de opzegging kan worden vernietigd. Werknemers worden in een faillissementssituatie veelal goed begeleid door vakverenigingen en/of eigen adviseurs, zodat zij door de korte termijnen niet onnodig in hun belangen worden geschaad.', aldus Kamerstukken I 2000/01, 27469, nr. 163 (memorie van antwoord), p. 10.
Luttikhuis, TvI 2003/5.
Aldus ook Schaink 2017, p. 202, die stelt, dat 'deze toevoegingen in essentie niet als antimisbruikmaatregelen zijn aan te merken.'
Deze drie artikelen hebben vooral betrekking op een versterking van de procesrechtelijke positie van werknemers die zich met beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de curator geconfronteerd zien.
Artikel 5 Fw voorziet in een nieuw lid 2 in een uitzondering op de algemene, in lid 1 van het artikel opgenomen verplichting dat bepaalde proceshandelingen uitsluitend door een advocaat (voorheen: door een procureur) kunnen worden verricht: dit is echter niet nodig, zo stelt lid 2, in geval hoger beroep wordt ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris, houdende machtiging aan de curator tot opzegging van een arbeidsovereenkomst.
In artikel 67 en 72 Fw zijn regels gegeven die met name moeten waarborgen dat de curator uitsluitend met machtiging van de rechter-commissaris opzegt en in de schriftelijke bevestiging van die opzegging ook melding maakt van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld tegen zowel de opzegging door de curator als de beschikking van de rechter-commissaris waarin hij de curator daartoe machtigt.
Nog afgezien van de in mijn ogen bepaald werknemersonvriendelijke constructie, waarbij een werknemer in feite, zonder verplichte rechtsbijstand, binnen vijf dagen twee stappen moet zetten, te weten hoger beroep instellen tegen de machtiging van de rechter-commissaris en gelijktijdig een beroep doen op de vernietigbaarheid van de opzegging zelf,1 kunnen deze bepalingen toch moeilijk worden aangemerkt als antimisbruikbepalingen. Er is in de literatuur dan ook kritisch op gereageerd.2 Met wat goede wil zou hier hooguit gesproken kunnen worden van een aantal marginale verbeteringen van de processuele positie van de werknemer jegens curator en rechter-commissaris nadat door eerstgenoemde de arbeidsovereenkomst is opgezegd, maar dat vormt daarmee nog geen remedie tegen eventueel misbruik door hun (voormalige) werkgever, indien deze het faillissement heeft aangevraagd teneinde werknemersbescherming te omzeilen.3