Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.2
9.2 Van de crediteur kon redelijkerwijze verwacht worden dat hij zijn vordering instelde
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372588:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Houwing (1968) p. 64.
Hartlief, AA 2004, p. 270, r.k. Tjittes (2007), p. 15, merkt wel op dat men verjaring kan zien als vorm van rechtsverwerking, maar laat zich over de wenselijkheid van die zienswijze niet uit (overigens zou ik niet verjaring in het algemeen, maar in het bijzonder verjaring krachtens de subjectieve termijn als rechtsverwerking willen beschouwen; verjaring krachtens de objectieve termijn heeft met rechtsverwerking weinig van doen; zie hierna § 27.11).
Er is ook de volgende opmerking van Janssen, BWKJ 2004, p. 62: 'Hartlief ziet het arrest als uitdrukking van de door Smeehuijzen gepropageerde gedachte dat de korte verjaring van art. 3:310 BW een uitdrukking is van het leerstuk van de rechtsverwerking. Ik kan dit hierin niet lezen. Het is vaste rechtspraak dat een enkel stilzitten, derhalve louter tijdsverloop, ontoereikend is om een recht te verwerken. Enkel tijdsverloop — mits hierop een beroep wordt gedaan — is voor verjaring daarentegen juist karakteristiek.' Ik schreef echter niet de rechtsverwerking in technische zin op het oog te hebben, maar de gedachte achter de rechtsverwerking. In het artikel waarnaar Janssen verwijst (zijn nootverwijzing naar mijn tekst heb ik in de geciteerde passage weggelaten) gebruikte ik nagenoeg dezelfde woorden als hiervoor in de hoofdtekst.
Brunner, Themis 2001, p. 244.
Zie hierna § 9.3.
Spiro (1975), p. 931.
Als van de crediteur redelijkerwijze verwacht had mogen worden dat hij zijn vordering instelde, is als gezegd de rechtvaardiging van verjaring eigenlijk helemaal niet problematisch. Enerzijds zijn er dan de in de vorige paragraaf benoemde wezenlijke belangen van, met name de debiteur, bij de tijdige uitoefening van zijn recht door de crediteur. Anderzijds is er in dat geval het nauwelijks serieus te nemen belang van de crediteur bij een steeds maar voortdurende bevoegdheid tot uitoefening van zijn recht; hij kan dat recht immers nu reeds uitoefenen. De afweging is dan niet moeilijk meer: van de crediteur te verlangen dat hij zijn vordering binnen een redelijke termijn instelt vraagt van hem geen reëel offer, terwijl het voorkomt dat de positie van de debiteur door tijdsverloop steeds verder bezwaard raakt. Als de crediteur zijn beurt voorbij laat gaan, is dat zijn eigen keuze. Het is niet onrechtvaardig hem zijn recht te doen verliezen: hij heeft dat verlies aan zijn eigen stilzitten te danken.
Waar van de crediteur verwacht had mogen worden dat hij zijn vordering instelde, is verjaring daarom te karakteriseren als een gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking. Niet in juridisch-technisch opzicht uiteraard— onder andere omdat stilzitten voor rechtsverwerking niet genoeg is — maar wel in conceptuele zin: door zijn gedraging (hier: een niet-doen) bezwaart de crediteur de positie van de debiteur zozeer dat hem die gedraging wordt tegengeworpen. Vergelijk de definitie van de Hoge Raad in zijn arrest van 7 juni 1991:1 "Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht."
Ik gebruikte hiervoor nadrukkelijk het woord gestandaardiseerd. Rechtsverwerking is een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, dus moeten ter beantwoording van de vraag of sprake is van rechtsverwerking steeds alle omstandigheden van het geval in overweging worden genomen. Die omstandigheden verschillen telkens, dus kan men niet anders dan van geval tot geval beoordelen of sprake is van rechtsverwerking. Om die reden kan men Houwing nazeggen: "Ik geloof niet dat we ooit een erg bruikbare en rechtszekerheid verschaffende Wet op de rechtsverwerking zouden kunnen krijgen"2
Maar voor het pessimisme van Houwing bestaat geen reden ten aanzien van gevallen waarin de crediteur zonder reden draalt bij het geldend maken van zijn vordering: het enkele gegeven dat hij nodeloos draalt, gepaard aan de wetenschap dat de debiteur door die gedraging steeds benadeeld wordt, is op zichzelf, wat ook de andere omstandigheden van het geval zijn, reden genoeg hem zijn vordering te ontzeggen. De beoordeling van dfe eenvoudige feitenconstellatie is wél in de vorm van een concrete wettelijk regel te vangen, dus verdient het uit het oogpunt van de rechtszekerheid — in de zin van voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen —aanbeveling inderdaad voor die standaardisering te kiezen. Het zwaartepunt van die standaardisering ligt in de vaste termijn die zij stelt; dat die termijn niet door individuele rechters behoeft te worden vastgesteld biedt grote rechtszekerheidswinst.
Hoe men nu in de Nederlandse rechtspraak en doctrine precies tegenover die wat mij betreft cruciale rechtsverwerkingsgedachte staat, is niet helemaal duidelijk. Ik heb in 2003 verdedigd dat hij richtsnoer zou moeten zijn bij de interpretatie van de subjectieve termijn van art. 3:310 lid 1 BW. Nadien is over art. 3:310 lid 1 BW het principiële Saelman-arrest gewezen en daarin is de rechtsverwerkingsgedachte inderdaad wel herkend.3 De Hoge Raad overwoog dat de termijn pas aanvangt als de benadeelde "daadwerkelijk in staat is" zijn vordering in te stellen.
Intussen is het echter niet zo dat de Hoge Raad zijn gedachten expliciet langs de lijnen van de rechtsverwerking inricht, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de motivering (niet de uitkomst) van zijn rechtsdwalingsarrest van 26 november 2004.4 In dat arrest oordeelde hij dat onbekendheid met het bestaan van een vordering wegens rechtsdwaling niet aan de aanvang van de subjectieve termijn van art. 3:310 lid 1 BW in de weg staat. Ter motivering van dat oordeel voert hij een veelheid aan motieven aan: een andersluidende conclusie (i) strijdt met het uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling niet wordt aanvaard, (ii) geeft tot rechtsongelijkheid aanleiding, (iii) is in strijd met de rechtszekerheid en (iv) ook met de billijkheid.
Deze waaier van argumenten is geen demonstratie van de rechtsverwerkingsgedachte. Die zou hebben geleid tot een kortere redenering: de crediteur moet zijn vordering geldend maken als dit redelijkerwijze van hem verwacht mag worden. Omdat het Nederlandse rechtsverkeer gebaseerd is op de gedachte dat een ieder geacht wordt zijn recht te kennen, kan onbekendheid met zijn recht niet in de weg staan aan het oordeel dat van de schuldeiser redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij zijn recht geldend maakte. Dat de motivering scherper op rechtsverwerking geënt had kunnen zijn, wil overigens uiteraard nog niet zeggen dat de Hoge Raad de rechts-verwerkingsgedachte verwerpt.
In de doctrine wordt in deze principiële kwestie beperkt stelling genomen. Brunner doet dat wel.5 Hij schreef:
"Voor het bestaan van het instituut der verjaring wordt gewoonlijk aangevoerd dat de rechtszekerheid van het rechtsverkeer eist dat na het verstrijken van de verjaringstermijn de rechtsvordering niet meer kan worden geldend gemaakt, indien de gedaagde zich op verjaring beroept.
Dat is ook een eis van redelijkheid en billijkheid, indien de gerechtigde zonder noodzaak zijn recht lange tijd niet heeft geldend gemaakt. Het zou immers onredelijk en onbillijk zijn om de gedaagde te blijven belasten met het bewijs dat het recht niet meer bestaat, ook indien het lange tijd geleden is ontstaan en zonder goede reden nooit is geldend gemaakt. Niet onredelijk en onbillijk zou het daarentegen zijn om dan van de eiser het bewijs te verlangen, dat het recht nog bestaat. Daarvoor zou hij dan wel aannemelijk moeten maken waarom hij zijn vordering niet voor het verstrijken van de verjaringstermijn kon geldend maken. Dat laat zien, dat de pijn zich vooral voordeed en nog voordoet in gevallen waarin de eiser zijn recht niet binnen de verjaringstermijn kon handhaven.
Verjaring is verwant aan rechtsverwerking door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat verjaring en rechtsverwerking verwant zijn, is ook door de wetgever onderkend. Door uitbreiding in het nieuwe BW van de gevallen waarin een korte verjaringstermijn geldt, wordt immers het instituut van de rechtsverwerking teruggedrongen ten gunste van de verjaring."6
Deze passage vormt een bouwsteen in Brunners betoog dat verjaring alleen gerechtvaardigd is als de crediteur verwijtbaar stil heeft gezeten, terwijl naar mijn oordeel inderdaad in die situatie verjaring gerechtvaardigd is, maar er zich ook nog andere omstandigheden kunnen voordoen die de verjaring rechtvaardigen.7 Op zichzelf echter, en daar gaat het in deze paragraaf om, vind ik wel treffend de parallel met de rechtsverwerking in het geval de crediteur zijn vordering geldend had kunnen maken.
Met name in de Duitstalige doctrine is de vraag of verjaring in geval van verwijtbaar stilzitten als rechtsverwerking kan worden gekwalificeerd, uitgebreider dan in Nederland aan de orde geweest. De volgende opvatting van Spiro is breed aanvaard:
"Die Verwirkung (...) umfasst Handlungen sowohl als Síiumnisse und unter letzteren, die hier allein interessieren, ganz offenbar auch die Verjährung: auch sie lsst den Berechtigten seinen Anspruch verlieren, weil sein Verhalten sein Recht für den Verpflichteten zu dnickend werden liess, die Durchsetzung seines Rechts mit jenem Verhalten nicht vereinbar ist."8
Na de argumenten die ik hiervoor opperde, het besliste ganz offenbar van Spiro en bij gebreke van serieuze tegenargumenten lijkt het mij niet nodig de stelling dat verjaring bij verwijtbaar stilzitten een vorm van rechtsverwerking is, nader te adstrueren. Ik wijd er al met al dus niet heel veel tekst aan. Benadrukt zij echter dat daarmee de omvang van het betoog omgekeerd evenredig is aan het belang ervan: in de loop van dit boek zal blijken dat de rechtsverwerkingsgedachte de leidraad vormt bij beoordeling van alle vragen over de relatieve verjaringstermijnen, en die relatieve verjaringstermijnen vormen veruit het belangrijkste onderdeel van ons verjaringsrecht.