Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.3.2.1
2.3.2.1 Universeel niveau
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633721:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Green & Witte 2013, p. 9, 30.
Par. 4 van de preambule luidt als volgt: “Considering that religion or belief, for anyone who professes either, is one of the fundamental elements in his conception of life and that freedom of religion or belief should be fully respected and guaranteed”.
Boyle & Shah 2014, p. 220.
Een overtuiging waarbij geloof in een persoonlijke god centraal staat.
Een overtuiging die het bestaan van een (persoonlijke) god of hogere macht ronduit afwijst.
Evans, Malcolm 1997, p. 214.
Smis e.a. 2011, p. 115.
Evans, Malcolm 1997, p. 231-238.
Hirsch Ballin 2016, p. 92.
De betekenis van religie en levensovertuiging als fundamentele elementen in de levensopvatting van de aanhangers ervan wordt erkend in internationale mensenrechteninstrumenten.1 Een goed voorbeeld daarvan is de VN-Godsdienstverklaring.2
In de internationale regelingen waarin de geloofsvrijheid is vastgelegd, staan geen definities van de termen ‘religion’ en ‘belief’. Het gaat zoals hiervoor al vermeld met name om de UVRM (art. 18), het BUPO-verdrag (art. 18) en de VN-Godsdienstverklaring van 25 november 1981 (art. 1). Kennelijk is het gezien de uiteenlopende variaties aan religieuze ideeën wereldwijd onmogelijk om tot een algemeen aanvaarde universele definitie van religie te komen.3 Wel kiest het Mensenrechtencomité voor een ruime interpretatie van de termen ‘religion’ en ‘belief’ in artikel 18 BUPO-verdrag, zodat niet alleen theïstische,4 non-theïstische en atheïstische5 levensovertuigingen daaronder vallen, maar ook het niet belijden of aanhangen van een religie of levensovertuiging. Deze bepaling beperkt zich dus niet tot traditionele religies of qua institutionele kenmerken of praktijken daarmee overeenkomende religies en levensovertuigingen, aldus het Comité.6 Malcolm Evans werpt de vraag op of dit betekent dat niet-traditionele religies en levensovertuigingen een bepaalde mate van formele organisatie en structuur moeten hebben om onder de reikwijdte van deze bepaling te komen. Nu het Mensenrechtencomité aanhangers van pacifisme en atheïsme – levensovertuigingen die niet (noodzakelijkerwijs) in een institutioneel kader worden beoefend – de bescherming van deze bepaling toekent, leidt hij daaruit af dat een formele organisatie of structuur niet vereist is.7
De VN-Godsdienstverklaring is weliswaar niet juridisch bindend maar oefent toch een belangrijke normatieve kracht uit bij de ontwikkeling van mensenrechtenstandaarden.8 Maar dit mensenrechteninstrument geeft evenmin een definitie van religie, hoewel bij de totstandkoming ervan hierover veel is gediscussieerd.9
In de context van internationale juridische teksten hanteert Hirsch Ballin als definitie van religie “a conviction about a transcendental truth that can be shared with others”.10