Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.3.3:7.3.3 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.3.3
7.3.3 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291067:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de richtlijnhistorie is de verhuurvrijstelling om technische, sociale en economische redenen vrijgesteld. Het Hof heeft echter geoordeeld dat het vrijstellen van de verhuur van onroerend goed gerechtvaardigd is, omdat deze activiteit weliswaar onder het begrip ‘economische activiteit’ valt, maar een betrekkelijk passieve activiteit is die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert. Het is naar mijn mening juist dat de rechtvaardiging voor het belasten van de in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemde verhuurdiensten is gelegen in het bedrijfsmatige karakter van deze verhuuractiviteiten. Dit laat onverlet dat andere bedrijfsmatige verhuur van onroerend goed op grond van art. 135 lid 1, onderdeel l en art. 135 lid 2 Btw-richtlijn in beginsel vrijgesteld is. Die inbreuk op het rechtskarakter van de btw – de door de bedrijfsmatige verhuur van onroerend goed toegevoegde waarde blijft immers onbelast – is blijkens de richtlijnhistorie een bewuste keuze van de lidstaten geweest om het lastige onderscheid tussen de bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige verhuur van onroerend goed (en de daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid) te omzeilen. De door het Hof geformuleerde ratio van de ‘verhuurvrijstelling’ ontbeert naar mijn mening derhalve een deugdelijk juridisch fundament. Ik acht het op grond van de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid dan ook wenselijk dat het Hof van Justitie het onderscheid van bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige verhuur van onroerend goed loslaat en de technische rechtvaardiging voor de verhuurvrijstelling weer in ere herstelt.