Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.4.1
VI.4.1 Algemeen
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178877:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Precieze denkers – zoals Hijma 1988, p. 166 – spreken niet van een gebrek; het besluit is immers perfect geldig totdat de rechter het vernietigt. Wat hiervan zij, het gaat erom dat bevestiging de mogelijkheid van vernietiging doet vervallen.
Zo ook voor het Duitse recht Hüffer 2012, p. 736.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 158 (MvA II): ‘[Bevestiging] is alleen redelijk indien het gebrek school in de wijze van totstandkoming, en het nieuwe besluit alleen dáárin verschilt van het oude; indien een naar zijn inhoud ongeldig besluit wordt gevolgd door een besluit met een andere, geldige inhoud, geldt slechts het nieuwe besluit.’
Aldus ook Huizink 2003, p. 95, nt. 78, Snijders 2003, p. 708, Klein Wassink 2012, p. 110 (met de m.i. vreemde restrictie dat alle belanghebbenden zich met bevestiging verenigen), Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/325 en GS Rechtspersonen/Huizink 2018, art. 2:15 BW, aant. 9.4. Anders: Rb. Arnhem 26 maart 2008, JOR 2008/153, m.nt. Holtzer (Dimension Data Nederland), rov. 7.9 en Hof Amsterdam 16 september 2014, JOR 2015/128, m.nt. Schepel (Emmenel), rov. 3.13.
Aldus het citaat in noot 101 hierboven.
Zo ook voor het Duitse recht Hüffer 2012, p. 737. Kritisch: Fehrenbach 2011, p. 269-270.
Een vernietigbaar besluit kan worden bevestigd. De bevestiging heelt het gebrek in het besluit1 met terugwerkende kracht en snijdt vernietiging ervan af.2 Art. 2:15 lid 6 BW eist een ‘daartoe strekkend besluit’ dat aan dezelfde vereisten voldoet als het te bevestigen besluit. Heel uitgesproken hoeft de bedoeling om te bevestigen niet te zijn; een herhalend besluit moet snel in die trant worden opgevat.3 Rechten van derden behoeven niet te worden geëerbiedigd: het vernietigbare besluit is na bevestiging immers even geldig als daarvoor.
Art. 2:15 lid 6 BW laat bevestiging toe wanneer een besluit lijdt aan een totstandkomingsgebrek in de zin van art. 2:15 lid 1 onder a BW. Ontslaat de algemene vergadering een bestuurder zonder hem in de gelegenheid te stellen zijn raadgevende stem uit te brengen, dan kan de algemene vergadering het totstandkomingsgebrek helen door de bestuurder alsnog uit te nodigen en het oorspronkelijke besluit te bevestigen. Niettemin valt in lijn met de parlementaire geschiedenis aan te nemen dat bevestiging ook kan wanneer een besluit is totstandgekomen in strijd met een reglement of wanneer dat in procedurele zin strijdig is met de redelijkheid en billijkheid.4 Herstel moet tenslotte ook mogelijk zijn als bijvoorbeeld de vergaderstukken in weerwil van een reglementaire bepaling niet ten minste zeven dagen voor de vergadering zijn rondgezonden of als een bestuurder is ontslagen zonder de in art. 2:8 BW vervatte hoorplicht in acht te nemen.5 Aan inhoudelijke gebreken doet bevestiging niets. Een dividendbesluit dat jegens een aandeelhouder onredelijk is, blijft dat ook als het wordt herhaald. Wordt zo’n dividendbesluit iets aangepast, dan neemt dat wellicht de onredelijkheid weg. Er is dan niet bevestigd, maar een nieuw besluit genomen dat het oude ex nunc vervangt.6
Overigens volgt hieruit dat art. 2:15 lid 6 BW ten onrechte eist dat het bevestigingsbesluit aan dezelfde vereisten moet voldoen als het oorspronkelijke besluit. Stel dat de voor een statutenwijziging benodigde tweederdemeerderheid is behaald, maar dat de oproepingstermijn niet is nageleefd. Op een volgende vergadering haalt het bevestigingsvoorstel wel een meerderheid, maar net niet de tweederdedrempel. Het bevestigingsbesluit is dan nietig, maar waarom eigenlijk? Het gerepareerde oproepingsgebrek heeft niets met het meerderheidsvereiste van doen. Er is geen reden opnieuw een versterkte meerderheid te eisen – dat station is gepasseerd.7