Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.7.1:19.7.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.7.1
19.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497119:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo is voorzienbaar dat de belastingwetgever de strijdigheid van de verlengde navorderingstermijn in art. 16 AWR met art. 49 en 56 van het EU-verdrag (zie HvJ EG 11 juni 2009 (gevoegde zaken X en Passenheim-van Schoot), C 155/08 en C-157/08,BNB 2009/222 (m.nt. Albert)), kan opheffen door de navorderingstermijn voor binnenlands inkomen (in bepaalde gevallen) te verhogen naar 12 jaar.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als het EHRM de reikwijdte van het recht tegen gedwongen zelfbelasting verder zou oprekken en daaronder bijvoorbeeld ook (de gedwongen afgifte van) bestaande bescheiden zou begrijpen, dan kan daardoor de fiscale rechtshandhaving serieus in het geding komen. Vooral in gevallen waarin de inspecteur en het OM het voor de boeteoplegging of strafvervolging benodigde bewijs niet buiten de betrokkene om kunnen verkrijgen. Voor dergelijke gevallen hebben de nationale wetgever en rechter wel mogelijkheden om bewijsproblemen die de inspecteur of het OM ondervindt, te ondervangen.1 Of burgers dan beter af zijn, is de vraag. De wetgever zou bijvoorbeeld lichtere vormen van verwijtbaarheid voor het opleggen van (sommige) vergrijpboetes kunnen introduceren en/of kunnen overschakelen naar daadstrafrecht (zie § 19.7.2). De rechter zou op zijn beurt het gebruik van bewijsconstructies c.q. -vermoedens waar mogelijk ruimhartig(er) kunnen toestaan (§ 19.7.3).