Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.7.3:19.7.3 Ruimer gebruik bewijsvermoedens
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.7.3
19.7.3 Ruimer gebruik bewijsvermoedens
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495899:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard zal de rechter daarbij rekening moeten houden met de minimumeisen die het EHRM aan een behoorlijk strafproces stelt, zoals met betrekking tot het vermoeden van onschuld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om bewijsproblemen vanwege weigerachtige verdachten te ondervangen, zou de rechter, voor zover (nu en straks) nog mogelijk binnen de grenzen van art. 6, lid 2 EVRM, op zijn beurt waar nodig ruimhartiger kunnen omgaan met bewijsconstructies c.q. -vermoedens als de inspecteur niet over voldoende feiten voor boeteoplegging beschikt, bijvoorbeeld vanwege een beroep van de boeteling op het recht tegen gedwongen zelfbelasting en/of het gebruik maken van rekeningen in landen met een bankgeheim of van listige constructies die het zicht op inkomen en vermogen ontnemen. Uit de huidige rechtspraak van de belastingkamer van de HR lijkt te volgen dat hij hier welwillend tegenover staat, in die zin, dat de belastingkamer niet erg geneigd is de weigerachtige (potentiële) boeteling meer privileges toe te kennen dan de meewerkende boeteling.1 Omdat het gebruik van bewijsvermoedens onder invloed van verbeterde statistische methoden waarschijnlijk zal toenemen (zie § 19.4.2 hiervoor), is ook dit een te volgen ontwikkeling.