Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.6.2
10.6.2 Een lopend strafrechtelijk of parlementair onderzoek
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376991:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 3 augustus 1995, rekestnr. 242/95 OK (Vie d’Or), r.o. 4.2.
OK 26 oktober 2000, JOR 2000/240 (De Vries Robbé), r.o. 4.6.
Schmieman (2004), p. 370. Die gedachte bestaat anno 2007 nog steeds. Uit de door D.F. Spoormans gevoerde correspondentie met A-G de heer Van der Werff – die destijds als enige A-G bij het Hof Amsterdam belast is met het vennootschapsrechtelijke optreden van het openbaar ministerie – blijkt dat Het College ervan uit gaat dat de A-G alleen van zijn enquêtebevoegdheid gebruik dient te maken, wanneer er een verband bestaat met een lopende strafzaak. Zie D.F. Spoormans, De toegang van de werknemer tot het enquêterecht, Groningen 2007-2008. Te vinden op: https://www.ser.nl/~/media/Files/Internet/Educatie/Scriptieprijs/Scriptie_volledig_DSpoormans.ashx.
Zie § 10.3 en 10.5.2.
Zie § 10.5.5.
Aan een optreden van de A-G om redenen van openbaar belang staat evenmin in de weg dat er andere onderzoeken zijn ingesteld. In Vie d’Or oordeelt de OK dat een lopend strafrechtelijk en een parlementair onderzoek niet afdoen aan de enquêtebevoegdheid van de A-G. De onderscheiden onderzoeken dienen elk een verschillend doel en kennen andere regelgeving met andere bevoegdheden voor de degene die het onderzoek verricht.1 Ook in de al genoemde De Vries Robbé-beschikking overweegt de OK dat een onderzoek door een OK-deskundige en een strafrechtelijk onderzoek door het OM een geheel eigen doelstelling hebben. Dit verschil in doelstellingen brengt juist mee dat beide onderzoeken zich richten op verschillende feitencomplexen.2
Ondanks deze heldere lijn in de rechtspraak blijkt uit het onderzoek van Schmieman naar de bevoegdheden van de A-G in het enquêterecht dat het College van procureurs-generaal anno 2004 nog van mening is dat slechts ruimte bestaat voor een enquêteverzoek van de A-G wanneer dat verzoek past in het kader van een lopende strafzaak.3
Die gedachte is op zich niet vreemd wanneer men bedenkt dat het OM van oudsher beschikt over de rechtspersoonrechtelijke bevoegdheden om in het economisch verkeer te kunnen ingrijpen ter voorkoming van of beëindiging van misbruik van rechtspersonen. Een dergelijk misbruik is vaak verweven met strafbare feiten. Het inzetten van het enquêterecht zal daarom wellicht afhangen van de afweging in hoeverre het de strafrechtelijke taken en bevoegdheden kan ondersteunen. Deze achtergrond brengt mijns inziens echter niet mee dat een optreden van de A-G in het enquêterecht beperkt is tot gevallen van misbruik van rechtspersonen. Uit de reeds besproken wetsgeschiedenis blijkt geenszins dat de wetgever de enquêtebevoegdheid van de A-G koppelt aan misbruikbestrijding.4 Integendeel, het optreden van de A-G in het enquêterecht dient primair gebaseerd te zijn op het openbaar belang en dat kan meer omvatten dan misbruik van rechtspersonen.5