Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/3.5
3.5 Voor- en nadelen van de verschillende wijzen waarop het begrip godsdienst kan worden uitgelegd
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456404:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Durkheim 1899, par. II.
Evans 2012, p. 68.
Vermeulen, R&R 1992-21, p. 30.
Zie ook C. Evans 2001, p. 192.
HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
NRC Handelsblad, 25 januari 2007.
kerkvanhetvliegendspaghettimonster.nl, zoek op kerk-en-bestuur (geraadpleegd 13 februari 2016). Overigens zullen aanhangers van deze ‘godsdienst’ natuurlijk beweren dat het wel een serieuze godsdienst is. Zie hierover ook 2.2 en 21.4.
Witte 2006, p. 102; Scharffs 2017; Groen 2012; Van der Wal, R&R 2010/39.
De Beer 2007; De Beer 2008; De Winter, NJB 1996, p. 1-8; Leiter 2008; Wijnberg 2010; Schutgens, TvCR 2012-1.
Aan alle drie de verschillende wijzen om het begrip godsdienst uit te leggen zitten haken en ogen. Voor zowel de objectiverende als de autonome uitleg gelden vijf punten van kritiek.
Ten eerste staan ze op gespannen voet met het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid omdat de staat zich dan niet terughoudend opstelt. Hij kent dan betekenis toe aan het begrip godsdienst. Daarmee begeeft de staat zich op het terrein van de ‘kerk’ of op dat van het individu.
Ten tweede impliceren ze dat een deskundige, de maatschappij, de wetgever of een rechter beter in staat is om te beoordelen of er sprake is van een godsdienst dan de justitiabele zelf. Dat is niet evident. Reeds Durkheim beargumenteerde overtuigend dat religieuze uitingen en gedragingen zich in het algemeen niet onderscheiden van alledaagse uitingen en gedragingen. Het enige verschil is volgens Durkheim dat religieuze uitingen en gedragingen gepaard gaan met een grotere intensiteit dan alledaagse uitingen en gedragingen. Die is volgens Durkheim echter niet van de buitenzijde kenbaar maar alleen aanwezig in de verbeelding van het individu of collectief. Durkheim geeft het voorbeeld van het nuttigen van brood en wijn tijdens de eucharistieviering. Dit betekent voor de katholiek de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus (transsubstantiatie). Voor de niet-gelovige is hier echter sprake van een alledaagse consumptie.1
Ten derde zijn ze omstreden omdat ze ertoe kunnen leiden dat een justitiabele niet wordt erkend in zijn religieuze overtuiging. Het recht komt dan los te staan van het oorspronkelijke religieuze object en beschermt nog wel iets, maar veelal niet het godsdienstig belijden dat de gelovige voor ogen staat.
Ten vierde kunnen ze resulteren in ongelijke behandeling. Het begrip godsdienst wordt door een objectiverende of autonome uitleg in een hokje gestopt. Een zeker etnocentrisme kan hierbij een rol te spelen: alleen datgene dat we vanuit de achtergrond van de westerse samenleving (die is beïnvloed door de joods-christelijke godsdienst en het Grieks-Romeinse gedachtegoed) kunnen uitleggen als godsdienst(ig) kan als zodanig aanspraak maken op rechten. Wanneer men het begrip van godsdienst afbakent, sluit men de ogen voor atypische godsdiensten en individuele opvattingen.
Ten vijfde kunnen ze ervoor zorgen dat het recht uitingen en gedragingen beschermt die geen bescherming verdienen. Zo kan het dragen van een religieus symbool, bijvoorbeeld een crucifix, een modetrend zijn, los van enig religieuze (bij)bedoeling. Het beschermen van dergelijke uitingen en gedragingen schiet dan zijn doel voorbij.2
Voor de objectiverende uitleg geldt daarenboven nog een ander punt van kritiek. Dat is dat een objectiverende uitleg, indien men zich bij de beantwoording van de vraag ‘wat telt als godsdienst’ laat leiden door de opvattingen van de meerderheid, kan resulteren in een ‘dictatuur van de meerderheid’: dat de meerderheid van de bevolking beslist wat wel en geen godsdienst of levensbeschouwing is. Met name ten aanzien van minderheidsgodsdiensten en -levensovertuigingen kan dit problematisch zijn.
De subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst kan men op vijf gronden bekritiseren.
Ten eerste dat een subjectiverende uitleg het gevaar van anarchie oproept. Vermeulen uitte in 1992 in zijn artikel genaamd ‘Wie bepaalt de reikwijdte van de grondrechten’ het vermoeden dat de beschermende waarde van bepaalde grondrechten, voor wat betreft de historische harde kern, verloren kan gaan wanneer de reikwijdte van het grondrechtsobject door subjectivering wordt opgerekt.3 Volgens hem is het grote bezwaar van het onbeperkt laten meewegen van de overtuigingen van de justitiabele bij de bepaling van de reikwijdte van het grondrechtsobject, dat de reikwijdte van het grondrechtsobject daardoor een zodanige omvang krijgt dat het individu zich met een beroep op een grondrecht in verregaande mate aan zijn juridische plichten zou kunnen onttrekken.4 Aansluitend stelt hij dat wanneer aan de ene justitiabele wordt toegestaan rechtsplichten met een beroep op zijn grondrechten naast zich neer te leggen, dit omwille van de rechtsgelijkheid en door de staat te betrachten neutraliteit ook aan anderen toegestaan zou moeten worden. Wanneer bijvoorbeeld de sexclub van de Kerk van Satan5 als een (zelfstandig onderdeel van een) kerkgenootschap zou vallen onder de bescherming van de godsdienstvrijheid, zou ook een vergelijkbare ‘KamaSoetra-orde’ als kerkgenootschap moeten worden erkend. De consequentie hiervan zou kunnen zijn dat er een wildgroei van religieuze claims ontstaat doordat de rechtsorde voor elk singulier geloof maatwerk moet leveren.
In het verlengde van de hiervoor genoemde grond kan men, ten tweede, aanvoeren dat een volledig subjectiverende uitleg het gevaar met zich kan brengen dat de justitiabele het recht misbruikt door niet de waarheid te spreken. Hij kan stellen dat zijn uiting of gedraging voortvloeit uit zijn godsdienst of levensovertuiging terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. Dit kan absurde consequenties hebben. Een bekend voorbeeld hiervan is de man die van de gemeente Hellevoetsluis een identiteitsbewijs verkreeg waarop hij als clown was geportretteerd, omdat hij claimde dat dat zijn levensovertuiging was.6 Een ander voorbeeld is de erkenning van ‘de kerk van het spaghettimonster’ als kerkgenootschap op 26 januari 2016 door de Kamer van Koophandel.7
Ten derde kan een subjectiverende uitleg ertoe leiden dat er beroep wordt gedaan op rechten met een religieus object door aanhangers van een godsdienst die maatschappelijk gezien ongewenst is. Bijvoorbeeld godsdiensten die geweld verheerlijken (zoals het jihadisme) of anderszins een bedreiging kunnen zijn voor de maatschappij.
Ten vierde bestaat er bij sommige auteurs de vrees8 (andere auteurs juichen dit juist toe9) dat de subjectiverende uitleg op den duur ertoe zal leiden dat de godsdienstvrijheid zal worden afgeschaft en dat daardoor uiteindelijk godsdienstige uitingen en gedragingen minder goed zullen worden beschermd. De gedachte is dan dat vanwege de subjectivering van het begrip van godsdienst het onderscheid tussen het rechtsobject van de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid zo diffuus wordt dat de godsdienstvrijheid als zelfstandig recht zijn bestaansgrond verliest. Men stelt dan dat als er geen principieel onderscheid gemaakt kan worden tussen godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen en ‘gewone’ opvattingen men net zo goed elke opvatting en daaruit voortvloeiende gedraging (incluis de godsdienstige of levensbeschouwelijke) kan laten vallen onder de vrijheid van meningsuiting en indien van toepassing onder vrijheid van vergadering. De angst is dat het op een hoop gooien van alle typen overtuigingen van lieverlee zal leiden tot een minder goede bescherming van godsdienstige uitingen en gedragingen.
Ten vijfde kan het gevaar ontstaan dat het bestaan van religieuze gemeenschappen door een subjectiverende uitleg wordt ondermijnd. Een probleem van een volledige subjectivering van het begrip van godsdienst zou kunnen zijn dat de individuele zelfdefinitie in botsing komt met een collectieve zelfdefinitie. Bijvoorbeeld doordat een vrouw op basis van haar godsdienstige overtuiging, in tegenstelling tot de leer van de katholieke kerk, meent wel pastoor te kunnen zijn in de katholieke kerk. De vraag is dan welke definitie voorrang heeft. De definitie van het individuele rechtssubject of van het collectieve rechtssubject?