Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.5.4:7.3.5.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.5.4
7.3.5.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610253:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van het vorenstaande pleit ik ervoor om in art. 8b Wet VPB 1969 aan te sluiten bij het verbondenheidsbegrip van art. 10a Wet VPB 1969. Dit is destijds ook gesuggereerd door de Raad van State. Die suggestie is toen niet overgenomen met als argument dat de mate van gelieerdheid waarbij partijen geneigd zullen zijn op onzakelijke voorwaarden met elkaar te handelen, van geval tot geval kan verschillen.1 Ook vreesde men dat het vastleggen van een omslagpunt zou leiden tot manipulatie. Ik vraag mij echter af of deze angst wel zo reëel is indien zou worden uitgegaan van een ‘belang van ten minste een derde gedeelte’, zoals in art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Een dergelijke ondergrens zou duiden op een ‘economisch’ nauwe relatie. Bovendien is het begrip ‘belang’ zo vaag, dat dit moeiteloos elk geval van manipulatie kan omvatten. De enige reden waarom ik mij zou kunnen voorstellen dat het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 minder geschikt is, is dat in de parlementaire toelichting bij dit begrip is opmerkt dat ‘deelname aan de leiding’ geen criterium is.2 Bij art. 8b Wet VPB 1969 hecht men juist wel veel waarde aan de deelname aan de leiding. Zoals ik in paragraaf 7.3.7 zal beschrijven, denk ik echter dat deelname aan de leiding juist heel goed zou passen in de uitleg van het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969.
193