Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/20.2.2.0
20.2.2.0 Introductie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580265:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering hierop wordt gemaakt in art. 5:25g Wft. Lid 2 van deze bepaling bepaalt dat de publicatieverplichtingen van paragraaf 5.1a.1.2 Wft niet van toepassing zijn op uitgevende instellingen die Nederland als lidstaat van herkomst hebben die uitsluitend, kort gezegd, obligaties hebben uitgegeven met een nominale waarde per eenheid van ten minste E 50.000. Hoewel in art. 5:25g, lid 2, Wft ontbreekt dat dergelijke obligaties ook moeten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt — art. 8, lid 1, onder b, Transparantierichtlijn bevat dit element wel — moet ervan uit worden gegaan dat dit het geval is. Zou geen sprake zijn van toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, dan zou een uitzondering überhaupt niet nodig zijn. Art. 5:25c tot en met 5:25e Wft zijn in dat geval niet van toepassing. Daarnaast biedt art. 5:25u Wft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling vrijstelling te verlenen van de artikelen 5:25c en 5:25d Wft, gerelateerd aan bepaalde klassen van obligaties.
Uitvoerig over de werking van dit (groeps)regime: Beckman (1995).
Aldus Dayioglu/Havers (2009), p. 537. Hierover ook Oosterhoff (2009).
Beckman (2008c), p. 601.
Een andere vraag is of niet wenselijk zou zijn om voor (Nederlandse) beursvennootschappen in één wetboek, op meer systematische wijze alle normen samen te brengen. Ik ben daarvan voorstander, vgl. Hijink (2007c).
Niet op alle rechtspersonen, maar uitsluitend op die waarvan obligaties tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.
Wel kan aan Beckman worden toegegeven dat de wetgever op dit punt inconsistent is (geweest), nu voor een aantal andere uitzonderingen op het '403-regime' Boek 2 BW wel uitdrukkelijk voorziet in een bepaling waarin deze afwijking is geregeld (vgl. art. 2:401. lid 1, BW). Dat deze bepaling 'laat zien dat de bevoegdheid tot afwijking in het BW is geregeld' — zoals Beckman (2008c), p. 601, opmerkt — is een opmerking die een algemene geldingskracht suggereert die werkelijkheid niet bestaat. Ik wijs op de uiteenlopende bepalingen in de Wft — zoals art. 3:19, lid 1; 3:20; 3:158, lid 4 en 5:33, lid 1, onderdeel b, Wft — waarin al dan niet uitdrukkelijk aanvullingen op en afwijkingen van Boek 2 BW zijn opgenomen, zonder dat daarover in Boek 2 BW wordt gerept.
Beckman (2008c), p. 601.
De inwerkingtreding van de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn op 1 januari 2009 heeft ertoe geleid dat voor (bepaalde) Nederlandse beursvennootschappen enkele in Boek 2 BW toegestane mogelijkheden tot vrijstelling van de publicatieplicht van hun jaarrekening en jaarverslag niet meer toepasselijk zijn. Een eerste voorbeeld daarvan betreft de mogelijkheid voor Nederlandse beursvennootschappen waarvan uitsluitend obligaties zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt om, met een beroep op art. 2:403, lid 3, BW, openbaarmaking van de jaarrekening achterwege te laten. De in art. 5:25c Wft opgenomen verplichting om de jaarlijkse financiële verslaggeving te publiceren (en ook de periodieke publicatieverplichtingen van art. 5:25d en 5:25e Wft) geldt — in beginsel — zonder onderscheid te maken tussen verschillende "typen" beursvennootschappen of tussen verschillende klassen van obligaties die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.1 Het gevolg is dat deze publicatieverplichtingen onverkort van toepassing zijn op beursvennootschappen die, met een beroep op het zogenoemde "403-regime", voorheen geen jaarrekening openbaar hoefden te maken.2
In de literatuur heeft deze inperking van de werking van het "403-regime", die zich met name laat voelen bij financierings(dochter)maatschappijen, tot enige ophef geleid. Geschreven is dat op dit punt sprake is van een "discrepantie tussen hoofdstuk 5.1a Wft en art. 2:403 BW", waarvan "[v]erwacht mag (...) worden dat de wetgever de wet zal aanpassen".3 Beckman schrijft, toegespitst op de vraag of nu wel of niet voor dergelijke beursvennootschappen vrijstelling van de deponeringsplicht bestaat, dat sprake is van "een vicieuze cirkel"; hij houdt "het erop dat omdat in het BW geen bepaling is opgenomen die toestaat dat bij de Wft of andere bijzondere wet van art. 2:403 BW mag worden afgeweken, de vrijstelling van depot van de jaarrekening ten kantore van het handelsregister blijft bestaan."4
Ik ben het met deze zienswijzen niet eens. Zowel Boek 2 BW als de Wft is een wet in formele zin en daarmee van gelijke status. De normadressaten in deze wetten lopen in beginsel uiteen — Boek 2 BW is gericht tot Nederlandse rechtspersonen; de Wft bevat een breed scala aan voorschriften gericht tot partijen die deel uitmaken van, of werkzaam zijn op, de financiële markten maar kunnen samenvallen in het geval een Nederlandse rechtspersoon op de financiële markt actief is.5 In de nieuwere wet (de Wft) kunnen, toegespitst op een specifiekere groep norrnadressaten6, verplichtingen worden opgelegd die niet (meer) gelden op grond van Boek 2 BW. De gedachte dat het BW uitdrukkelijk een bepaling zou moeten bevatten om dat mogelijk te maken, berust op een misverstand.7 Voor zover beide wetten al met elkaar in strijd zouden zijn — ik denk niet, zoals ik hieronder bespreek, dat dat zo is — zou bovendien de speciale en meer recente wet prevaleren boven de generale, oudere wet. Dat dit deel van de Wft derhalve, zoals Beckman lijkt te suggereren, "onverbindend is, nu de bevoegdheid tot afwijking van 2:403 BW ontbreekt"8, is dan ook een onhoudbaar standpunt.