Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.4.4.3
V.4.4.3 Rechterlijk bevel
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460496:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Strikt genomen is ingevolge artikel 3:303 BW voor iedere rechtsvordering voldoende belang vereist, dus bijvoorbeeld ook voor een vordering tot schadevergoeding, maar omdat dit vereiste in het bijzonder bij het rechterlijk bevel een rol speelt voor de inzetbaarheid van de remedie wordt het doorgaans expliciet genoemd als constitutief vereiste.
Zie uitvoerig par. IV.6.2.
De grondslag voor de reële executie kan worden gevonden in art. 3:299 en 3:300 BW.
Bij bezwaar, beroep en een verzoek tot handhaving ligt dit anders, daar spelen relativiteit en voldoende belang van de rechtszoekende juist wel een rol. In dit proefschrift blijft dit verder buiten beschouwing.
Vereisten
Met een rechterlijk bevel in de zin van artikel 3:296 BW kan een gerechtigde via de rechter afdwingen dat een leidinggevende zijn milieuverplichtingen naleeft. Voor de toewijzing van een rechterlijk bevel is niet voldoende (en ook niet altijd nodig) dat de leidinggevende reeds een milieunorm heeft geschonden. In de literatuur worden meestal vier vereisten onderscheiden voor het rechterlijk bevel: er moet sprake zijn van een 1) dreigende 2) schending van een rechtsplicht 3) die strekt tot de bescherming van de eiser, en daarnaast moet de eiser 4) voldoende belang1 hebben bij het rechterlijk bevel.2
Artikel 3:296 BW wordt doorgaans geassocieerd met de nakomingsactie van verbintenissen uit overeenkomsten. Maar met een rechterlijk bevel kunnen ook andere soorten rechtsplichten worden gehandhaafd, inclusief de rechtsplicht dat men zich moet onthouden van het plegen van een onrechtmatige daad (zoals het overtreden van een milieuvoorschrift). Het moet wel gaan om een rechtsplicht jegens de eiser om zich te onthouden van de betreffende normschending. Het rechterlijke bevel kent net als de schadevergoeding een relativiteitsvereiste.
Het juridische kader van het rechterlijke bevel verschilt in een aantal opzichten van dat van de schadevergoedingsactie. In het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, is voor de toewijzing van het rechterlijk bevel niet vereist dat de leidinggevende reeds een onrechtmatige daad heeft gepleegd: de dreiging van een onrechtmatige daad is voldoende. Wanneer er nog geen sprake is van een onrechtmatige daad, komt men vanzelfsprekend ook niet toe aan de vraag of de onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan de leidinggevende (want er is dan nog niets toe te rekenen). Verder is voor de toewijzing van het rechterlijke bevel ook niet vereist dat de eiser schade heeft geleden of zal lijden. Omdat er bij de gebodsactie niet altijd schade in het spel is, is causaal verband tussen schade en normschending logischerwijs ook geen noodzakelijke voorwaarde voor de aansprakelijkheid.
Overeenkomsten en verschillen met bestuurlijke sancties
De voorgoemde verschillen illustreren dat het rechterlijk bevel in de context van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden niet draait om de schadelijke gevolgen van de milieuovertreding, maar veeleer om het voorkomen van de milieuovertreding zelf. In dit opzicht doet het rechterlijk bevel denken aan de herstelsancties uit het bestuursrecht. Er zijn nog andere overeenkomsten met het bestuursrecht. Net als bij een last onder dwangsom kan de leidinggevende worden aangemoedigd het rechterlijk bevel op te volgen door middel van een dwangsom, en net als bij de last onder bestuursdwang kan de rechter de eiser machtigen om zelf na een bepaalde begunstigingstermijn datgene te doen waartoe de leidinggevende gehouden was.3
Er zijn echter ook verschillen tussen het rechterlijk bevel en de bestuurlijke herstelsancties. Allereerst speelt voor de toewijzing van het rechterlijk bevel – als privaatrechtelijke remedie – de verhouding tussen de leidinggevende en de eiser een belangrijke rol. Dit uit zich bijvoorbeeld in het relativiteitsvereiste en het vereiste van voldoende belang. Bij de oplegging van een last onder dwangsom of bestuursdwang hebben de belangen van de eiser en het beschermingsbereik van de norm daarentegen geen rol van betekenis.4
Een ander verschil is dat de bestuurlijke herstelsancties in de regel pas worden opgelegd nadat zich een milieuovertreding heeft voorgedaan. Een last onder dwangsom of bestuursdwang kan alleen preventief worden opgelegd ‘zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt’.5 Het rechterlijk bevel is daarentegen bij uitstek een preventieve remedie. Aan het schenden van de milieunorm gaat een rechtsplicht vooraf – de verplichting dat de leidinggevende de milieunormen naleeft – en de naleving van die rechtsplicht kan een gerechtigde via een rechterlijk bevel afdwingen. Daardoor hoeft de eiser voor rechtsbescherming niet af te wachten tot het misgaat; voldoende is dat er een ‘reële dreiging’ bestaat dat de leidinggevende de betreffende rechtsplicht zal schenden.
In het milieurecht geldt dat voorkomen beter is dan genezen. Daarom lijkt het rechterlijk bevel een veelbelovende remedie in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.