Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.3.4
4.3.4 Tolerantie
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451592:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Locke 2004, p. 54.
Israel 1999, p. 10.
Het werk van Locke lijkt te impliceren dat de waarheid van de christelijke dogma’s kunnen worden bewezen en dat daarmee het christelijke geloof de rationele religie was. Een dergelijke opvatting komen we ook tegen bij Kant. Zie Kant 2004.
Israel 1999, p. 9.
Juffermans 2009, p. 5.
Overigens had Locke ook problemen met tolerantie voor katholieken en atheïsten. Hij had problemen met atheïsten omdat zij geen hogere macht boven zich accepteerden, waardoor ze geen eed (op een god) konden afleggen en daarom onbetrouwbaar waren. Ten aanzien van de katholieken was de godsdienst zelf niet het probleem. Het ging immers om een traditionele, institutionele, christelijke denominatie. Het probleem met katholieken had te maken met hun loyaliteit. Katholieken konden onmogelijk goede burgers zijn aangezien ze geacht werden te luisteren naar een religieuze autoriteit met wereldse aspiraties. Het katholicisme van die dagen stond immers niet alleen een religieuze eenheid voor, maar ook een staatkundige. Israel 1999, p. 10.
Locke 2004, p. 54.
Taylor 2009, p. 41.
De remonstranten scheidden zich al af van de hoofdstroom in 1619.
Ten aanzien van levensovertuiging: EHRM 25 februari 1982, nr. 7511/76 en 7743/76 (Campbell and Cosans v UK), par. 36. Ten aanzien van godsdienst: EHRM 15 januari 2013, EHRC 2013/67 (Eweida and Others v United Kingdom), par. 82.
EHRM 2 oktober 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1002DEC004985399 (Pichon en Sajous v Frankrijk), p. 4; EHRM 25 februari 1995, nr. 22838/93 (Van den Dungen v the Netherlands).
Het liberaal gezindtepluralisme gaat ook uit van een Lockeaanse interpretatie van tolerantie. Liberalen staan uitzonderingen toe op algemeen geldende regels indien die worden ingegeven door religieuze overwegingen. Deze tolerantie is in de visie van Locke echter niet voor elke religieuze overtuiging weggelegd. Wanneer Locke in zijn A letter concerning toleration spreekt over tolerantie, dan heeft dit vrijwel altijd betrekking op individuen die behoren tot een bepaalde kerk. Zo stelt hij onder meer:
‘Iedereen weet en erkent dat God in het openbaar gediend moet worden. Voor de mens die zo in zijn vrijheid bepaald is, is het nodig om toe te treden tot een kerkelijke vereniging zodat hij met anderen kan samenkomen, niet alleen met het oog op wederzijdse versterking en onderbouwing, maar ook om er publiekelijk van te getuigen dat men God aanbidt, dat men zich aan de goddelijke macht toewijdt door een eredienst waarvoor men zich niet schaamt en waarvan men gelooft dat zij God waardig is en Hem de benodigde dankbaarheid betuigt. Verder is dit ook nodig om anderen door een zuiverheid van de leer, door gezonde zeden en door een gepast karakter van de rituelen, te winnen voor de liefde tot het geloof en tot de waarheid, om die dingen te doen die door een particuliere private persoon niet gedaan kunnen worden. De overheid moet deze kerken tolereren.’1
Locke spreekt nergens over de bescherming van het individuele geweten los van een bepaald institutioneel religieus collectief. Tolerantie lijkt in de opinie van Locke dus vooral betrekking te hebben op het collectief in de vorm van publieke erkende vereniging. Locke-‘kenner’ Israel stelt:
‘(…) because his toleration [die van Locke, JV] is essentially what one scholar has called a “privilege” and “immunity” exempting religious dissenters from the church otherwise prescribed and generally obligatory for the whole people – the state church established by crown and Parliament – toleration can only formally and expressly be granted to categories of the population possessing an organized, publicly acknowledged and constituted form of worship for which immunity can be claimed, Protestant dissenters in the first instance but potentially at least also Catholics, Jews and Muslims. Persons subscribing to no recognized church or sect, by contrast, be they agnostics, sceptics, deists or “Indifferenti” while not specifically excluded are left in a vague limbo without any precise status or acknowledged freedom.’2
Men zou kunnen zeggen dat Locke vasthoudt aan een bepaalde objectiviteit van godsdienst, in de zin dat hij onder godsdienst alleen de algemeen bekende traditionele en geïnstitutionaliseerde godsdiensten verstaat. De reden voor deze objectiviteit ligt vermoedelijk in het gegeven dat bij Locke tolerantie wordt ingegeven door natuurrechtelijke opvattingen (met een christelijke achtergrond).3 Hij ging ervan uit dat het voor elk mens van het grootste belang was dat zijn onsterfelijke ziel gered werd. Locke had weinig op met denkbeelden die deze vooronderstelling niet erkennen. Hij vond dat voor mensen met deze denkbeelden de rechtvaardiging voor tolerantie kwam te ontvallen. Israel vat Lockes zienswijze als volgt samen:
‘Saving one’s soul has priority over everything else so that a wisely governed state will always accept that the dictates of the individual’s conscience and faith must be fully respected. But if a particular individual’s spiritual disposition is such that no organized form of religious dissent can be specified or acknowledged, it then becomes unclear what precisely the justification for toleration is.’
Terecht merkt Israel op dat voor veel mensen niet geldt dat het redden van hun ziel hun grootste zorg is.4 Hebben deze mensen dan geen recht op tolerantie? Het is onduidelijk wat in de visie van Locke de vrijheid is van diegenen die behoorden tot niet erkende religies of sekten, zoals deïsten, agnosten, sceptici of onverschilligen.
We kunnen concluderen dat aan Lockes tolerantiebegrip een juridisch begrip van godsdienst ten grondslag lag dat een grens bereikt waar het gaat om mensen die niet bij een gevestigd kerkgenootschap zijn aangesloten en niet deelnemen aan welke eredienst dan ook, of wier denkbeelden fundamenteel verschillen van de gevestigde geloofsdogma’s.5 Zijn juridische begrip van godsdienst lijkt niet van toepassing te zijn op individuele, excentrieke of singuliere geloofsuitingen. Het betreft enkel publiekelijk erkende, welomschreven, geïnstitutionaliseerde vormen van geloofsuitoefening.6 Overigens betwijfelt Locke het bestaan van mensen met een volledig singulier geloof:
‘Maar ik geloof niet dat iemand de waanzin zo ver zou durven drijven om zijn eigen bedenksels en zijn eigen interpretaties van de Heilige Schrift te verkopen als inspiraties van God, of dat iemand zo ver zou durven gaan om de geloofsartikelen die hij op zijn manier en volgens zijn eigen geest gevarieerd heeft gelijk te stellen met de autoriteit van de Heilige Geest.’7
Dat Lockes juridische begrip van godsdienst slechts uitging van publiekelijk erkende, welomschreven, geïnstitutionaliseerde vormen van geloofsuitoefening kunnen we verklaren vanuit de tijdsgeest. Taylor beschrijft dat tussen de 16e en 19e eeuw een verandering plaatsvindt in de wijze waarop in de westerse samenlevingen door de meerderheid van de mensen godsdienst wordt uitgelegd. Er zou sprake zijn van een overgang van een theocratische samenleving waar kerk en staat met elkaar zijn verweven en waarin men geloofde in een natuurlijke hiërarchische orde die door God was goedgekeurd, naar een samenleving waarin de gezindtecultuur dominant wordt. We kunnen deze gezindten omschrijven als gevestigde religieuze stromingen. Kenmerk van deze gezindtecultuur is volgens Taylor dat men omdat de eigen kerk niet alle gelovigen omvat, beseft tot een ruimer, minder gestructureerd geheel te horen dat dit wel doet. Met andere woorden, de gezindten zien de verschillen met andere groepen niet als een kwestie van buigen of barsten maar ze tolereren elkaar omdat ze erkennen dat ze ‘one nation under God’ zijn, in de zin dat ze handelen volgens Gods wil door hun staat op te bouwen en in stand te houden. Uiteraard verwijst Taylor hier naar de Verenigde Staten maar hij stelt dat dit mechanisme ook heeft gewerkt in andere westerse samenlevingen.8
In het verleden is ook in Nederland de invloed van het Lockeaanse perspectief op tolerantie en het daarbij behorende godsdienstbegrip sterk geweest. Een duidelijk kenmerk hiervan is de Grondwet van 1815 waarin artikel 191 was opgenomen. In deze bepaling stond ‘Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.’ Deze bepaling gaat dus uit van de reeds in het koninkrijk gevestigde godsdiensten. Voor nieuwe of atypische godsdiensten was geen plaats. Op grond van deze bepaling trad koning Willem I op tegen één van de eerste calvinistische kerksplitsingen9 in Nederland, namelijk de Afscheiding uit 1834. Omdat de ‘afgescheidenen’ niet door de overheid als kerkgenootschap werden erkend liet Willem I ze vervolgen.
Het Lockeaanse perspectief op tolerantie zien we in de huidige Nederlandse rechtsorde in het kader van het grondrecht van de godsdienstvrijheid tot op zekere hoogte terug in de jurisprudentie van het EHRM waarin de eis gesteld wordt dat een godsdienst of levensovertuiging moet worden gekenmerkt door ‘een zekere graad van overreding, ernst, cohesie en belangrijkheid’.10 Met vage opinies of ideeën neemt men geen genoegen. Er moet sprake zijn van een identificeerbare religie of overtuiging. Het EHRM beschrijft zaken die een directe expressie zijn van godsdienst of levensovertuiging als ‘(…) acts of worship or devotion forming part of the practice of a religion or a belief in a generally accepted form’.11 Traditionele uitingen of gedragingen worden op grond van deze overwegingen, omdat ze immers algemeen aanvaard zijn, makkelijker als godsdienstig gekwalificeerd dan overige uitingen en gedragingen.