Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.6.2.0
Inleiding
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402410:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De UFCA spreekt van “fair consideration” in plaats van “reasonably equivalent value”. Algemeen wordt aangenomen dat beide formuleringen hetzelfde inhouden.
In § 548 ( d)(2)(A) wordt wel het begrip’value’ gedefinieerd: “‘value’ means property, or satisfaction or securing of a present or antecedent debt of the debtor, but does not include an unperformed promise to furnish support to the debtor or to a relative of the debtor.”
“[T]he formula for determining reasonably equivalent value is not a fixed mathematical formula; rather, the standard for reasonable equivalence should depend on all the facts of each case.” (Barber v. Golden Seed Co., 129 F.3d 382 (7th Cir. 1997), p. 387). Zie ook Peltz v. Hatten, 279 B.R. 710 (D. Del. 2002), p. 736.
“[When looking at the totality of the circumstances, courts will look at] a host of factors, including the good faith of the parties, the difference between the amount paid and the fair market value, and whether the transaction was at arm’s length.” (Peltz v. Hatten, 279 B.R. 710 (D. Del. 2002), p. 736).
Als bijvoorbeeld kort voor faillissement een een bestaande schuld wordt voldaan, is weliswaar geen sprake van een vermindering van het vermogen van de schuldenaar (het actief en passief nemen immers in gelijke mate af) en krijgt de debiteur voor de betaling dus reasonably equivalent value, maar kan er wel degelijk sprake zijn van nadeel voor de crediteuren nu hierdoor voorrang wordt gegeven aan de ene crediteur boven de andere crediteuren. In het Amerikaanse recht wordt deze problematiek – anders dan in Nederland – niet benaderd vanuit het leerstuk van fraudulent transfers, maar vanuit de in par. 8.9.2 te bespreken voidable preferences.
Om een overdracht op grond van de objectieve criteria te kunnen aantasten, dient de curator ten eerste te bewijzen dat de vennootschap hiervoor geen gelijkwaardige vergoeding kreeg (reasonably equivalent value).1 Deze term wordt in de Bankruptcy Code niet gedefinieerd.2 Er bestaat geen absolute formule die antwoord biedt op de vraag wat een gelijkwaardige vergoeding is onder de Bankruptcy Code of statelijke regelingen.3 Rechters moeten hierover op grond van de feitelijke omstandigheden beslissen. Daarbij zullen zij zich de vraag moeten stellen of de vennootschap gezien alle omstandigheden van het geval voor de overdracht een “realizable commercial value” ontving die redelijk gelijk was aan de “realizable commercial value” van hetgeen de vennootschap overdroeg. Bij deze analyse moet het perspectief van de vennootschapscrediteuren als uitgangspunt worden genomen. 4 Het gegeven dat een overdracht plaatsvond in het kader van een transactie ‘at arm’s length’ wordt beschouwd als een aanwijzing dat de debiteur daarvoor een gelijkwaardige vergoeding kreeg.
Als komt vast te staan dat de vennootschap voor een overdracht een gelijkwaardige vergoeding ontving, dan kan deze niet worden aangetast op grond van de objectieve criteria van § 548 (a)(1)(B) BC. Uitsluitend in het zeldzame geval dat er sprake was van een benadelingsoogmerk, is vernietiging van de overdracht op grond van het fraudulent transfer law dan nog mogelijk. De gedachte die hieraan ten grondslag ligt, is dat de crediteuren in beginsel niet benadeeld worden indien de debiteur een gelijkwaardige tegenprestatie heeft gekregen voor de overdracht. Een dergelijke transactie is voor hem vermogensneutraal. Dit laat overigens onverlet dat een overdracht tegen een gelijkwaardige vergoeding wel voor vernietiging in aanmerking kan komen op grond avoidable preference law, dat aan bod zal komen in hoofdstuk 8.5