Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.C.8.1:IV.C.8.1 Van een dynamische naar een statische regeling
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.C.8.1
IV.C.8.1 Van een dynamische naar een statische regeling
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403779:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
V.J.A. SUTO, Nieuw Vermogensrecht en rechtsvergelijking - reconstructie van een wetgevingsproces (1947-1961) (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004.
ASSER-VAN DER PLOEG-PERRICK, nr. 565, noot 98, waarschuwt ervoor dat het opnemen van een percentage van het saldo van de nalatenschap als executeurbeloning de executeur tot erfgenaam maakt. Zou dit juist zijn dan kan dit mijns inziens door het 'spel met de letters' in de zin van art. 4:7 BWeenvoudig verholpen worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het oude recht was de bepaling van wat het totaal van ontvangsten dan wel uitgaven was in de zin van art. 1068 lid2 oudBWeen dynamische aangelegenheid. Dit moest gepeild worden in de periode van het openvallen van de nalatenschap tot einde van de executele. Een statische benadering is naar haar aardeenvoudiger. Men kiest voor een vast peilmoment, bijvoorbeeld 'het openvallen van de nalatenschap'. Men kan deze verschillen in benadering van de beloningsproblematiek vergelijken met de problemen die er aan de ene kant waren rondom het dynamische inkomensbegrip in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 en aan de andere kant de betrekkelijk eenvoudige vaststelling van het statische belastbare feit zoals opgenomen in de Wet op de Vermogensbelasting 1964, thans 'Box 3' in de Wet IB 2001.
Deze statische onder het nieuwe erfrecht gekozen benadering voor de berekening van het loon vinden we in art. 4:144 lid 2 BW:
'Tenzij bij uiterste wil anders is geregeld, komt de executeur, of als er meer dan een executeur is, hun tezamen, een ten honderd van de waarde van het vermogen van de erflater op diens sterfdag toe.'
De woorden 'op diens sterfdag' zijn duidelijk en zullen in beginsel geen aanleiding tot discussie geven. Zonder dat ik hiervoor een aanwijzing in de parlementaire geschiedenis heb kunnen vinden, 'verdenk' ik de wetgever ervan -gezien zijn zeer warme belangstelling voor het Duitse recht1 - dat hij deze benadering aan de Duitse tabellen ontleend heeft. Aansluiting bij de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW met enige correcties daarop had wellicht meer voor de hand gelegen.2