Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.6.5:7.6.5 Vormfouten buiten het kader van art. 359a Sv
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.6.5
7.6.5 Vormfouten buiten het kader van art. 359a Sv
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620298:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8658, NJ 2008/330.
Die voordien in HR 6 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1473, NJ 1999/565 m.nt. Schalken, is geformuleerd.
HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. Schalken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als uitgangspunt geldt dat voor vormfouten die buiten het kader van art. 359a Sv vallen ook het daarvoor in het leven geroepen regime voor het voeren en beantwoorden van verweren niet geldt. Een beroep op overschrijding van de redelijke termijn valt bijvoorbeeld buiten dit kader.1 Als de rechter – zoals in HR 1 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9417, NJ 2003/695 m.nt. Mevis – strafvermindering toepast in verband met feiten of omstandigheden waarop art. 359a Sv niet van toepassing is, geldt niet de in het standaardarrest vermelde regel2 dat hij in zijn beslissing moet vermelden dat en waarom hij dat doet en in hoeverre hij de straf in verband met die feiten of omstandigheden vermindert.
In gevallen waarop art. 359a Sv niet rechtstreeks van toepassing is, kunnen soms toch de in die bepaling aan de motivering gestelde eisen doorklinken. Naast in par. 2.7.2 behandelde zaken, kan bijvoorbeeld worden gewezen op HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1663, NJ 2009/72 m.nt. Reijntjes, waarin werd geoordeeld dat als de RC bij een toetsing van een vordering ex art. 126m Sv tot het oordeel komt dat sprake is geweest van een onrechtmatigheid bij de verkrijging van het aan die vordering ten grondslag gelegde materiaal, dit niet noopt tot afwijzing van de gevorderde machtiging ‘zonder nadere belangenafweging’.
Een andere mogelijkheid is dat de Hoge Raad het regime van art. 359a Sv voor het voeren van en beslissen op verweren van overeenkomstige toepassing verklaart op buiten het kader van die bepaling vallende verweren. Dat is gebeurd in het standaardarrest over toetsing van voorbereidend onderzoek met een buitenlands aspect wat betreft de eisen aan het voeren van verweer en de voorwaarden waaronder aan normschendingen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden.3 In het standaardarrest over art. 359, tweede lid, Sv is ook verwezen naar de eisen die worden gesteld aan verweren op de voet van art. 359a Sv, maar dan bij wijze van voorbeeld. In HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2814 is geoordeeld dat bij een beroep op bewijsuitsluiting wegens een buiten het kader van art. 359a Sv vallend vormverzuim een onderzoek naar de daaraan ten grondslag gelegde feiten achterwege kan blijven als de rechter van oordeel is dat, ook als die feiten juist zijn, dat niet tot de gevolgtrekking kan leiden dat daardoor in de aanhangige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate zou zijn geschonden dat het onderzoeksmateriaal waarop het beroep betrekking heeft van het bewijs zou moeten worden uitgesloten.