Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.1.2
2.4.1.2 Relativiteit
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955489:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Helm 2023, nr. 322.
Lankhorst 1992, p. 38-39; Nuninga 2022, p. 57-60; Van der Helm 2023, nr. 325-342.
Art. 6:163 BW bepaalt in dat verband dat een verplichting tot schadevergoeding niet bestaat wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Zie ook HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/28, m.nt. J. Hijma, AB 2005/127, m.nt. F.J. van Ommeren (Duwbak Linda), waaruit volgt dat het bij toepassing van het relativiteitsvereiste aankomt op het doel en de strekking van de geschonden norm, waarbij worden onderzocht tot welke personen, tot welke schade en tot welke wijzen van ontstaan van schade de beoogde bescherming zich uitstrekt (rov. 3.4.1).
Den Hollander 2016, p. 71-86.
Nuninga, NTBR 2018/21, afl. 5, p. 156.
Zie bijv. Valk, NJB 1995, afl. 29, p. 1084-1090.
HR 14 maart 1958, ECLI:NL:HR:1958:147, NJ 1961/570 (Stukgevlogen hoogspanningsleiding). Zie ook Van Nispen 1978, p. 146; Van der Helm 2023, nr. 332.
Geerts & Verschuur 2022, nr. 99, 156, 194, 235, 373, 510, 627 en 733; Spoor, Verkade & Visser 2019, p. 636; 641-643. Zie ook HR 26 mei 2000, NJ 2000/671, m.nt. D.W.F. Verkade, AA 2000, p. 677 m.nt. H. Cohen Jehoram, AMI 2000, p. 210, m.nt. N. van Lingen (Cassina/Sedetie), rov. 3.7.
Uit de bewoordingen ‘jegens de ander’ uit art. 3:296 BW vloeit voort dat een verbod alleen kan worden opgelegd aan degene op wie de rechtsplicht rust om iets te doen of na te laten. De gedaagde kan niet worden veroordeeld tot naleving van een verplichting van een ander.1 Uit het wederkerige karakter van de formulering volgt dat ook het relativiteitsvereiste een rol speelt bij de beoordeling van een verbodsvordering.2 Deze voorwaarde is in de literatuur voornamelijk aan bod gekomen in het kader van de vordering tot schadevergoeding.3 In die context houdt het relativiteitsvereiste in dat de geschonden norm moet kunnen worden gerelateerd aan het geschade belang.4 Aannemelijk is dat dit voor het verbod niet anders is. De rechter zal dus steeds moeten vaststellen of de verplichting beoogt de eiser te beschermen tegen de schending zoals die dreigt.5
Het relativiteitsvereiste is vooral van belang in gevallen waarin een verbodsvordering strekt tot naleving van een wettelijke plicht. Het beschermingsbereik van zulke verplichtingen is in praktijk veelvuldig onderwerp van discussie.6 Strekt het verbod tot voorkoming of beëindiging van een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht, dan leidt het relativiteitsvereiste vrijwel nooit tot problemen. Omdat deze rechten tegen iedere derde kunnen worden ingeroepen, kan worden aangenomen dat zij over het algemeen strekken tot bescherming van de belangen van de eiser.7 De persoon van de eiser kan in dit verband nog wel een rol spelen. Zo kan een licentienemer doorgaans niet (zelfstandig) een verbodsvordering instellen in geval van inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht.8