Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.2.3
7.2.2.3 Voorstellen ten aanzien van specifieke klachtdelicten en klachtgerechtigden
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946114:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 2, paragraaf 4.7 en hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.2.1.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 3.
Zie in dit verband: Van den Broek 1990, p. 308-315; Kamerstukken II 2001-2002, 28 099, nr. 3, p. 3; Kamerstukken II 2001-2002, 28 351, nr. 1-2 en Stb. 2002, 316.
Van den Broek 1990, p. 314.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 2.2.1.
Zie HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4831, r.o. 3.1-3.2 en ECLI:NL:PHR:2009:BG4831, paragraaf 10-14.
Zie hierover uitgebreider: hoofdstuk 4, paragraaf 4.5.
Het gaat daarbij niet alleen om de vermogensmisdrijven in Titel XXII, want via schakelbepalingen zijn deze vervolgingsbeletselen ook van toepassing op veel andere vermogensmisdrijven. Zie: hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 525.
Van Dorst 1985, p. 65; Van der Aa 2013, p. 760-770.
Illustratief is dat een algehele gemeenschap van goederen inmiddels niet meer het wettelijke uitgangspunt is bij een huwelijk. Belangrijk is voorts dat huwelijkse voorwaarden niet met zich brengen dat dit vervolgingsbeletsel geen toepassing vindt. Zie: Van der Aa 2013, p. 760-770.
Dit klachtrecht zou daarmee logischerwijs ook gaan gelden voor de geregistreerd partner die op grond van art. 90octies Sr in dit verband is gelijkgesteld aan een gehuwde.
Stb. 2009, 245.
Hiervoor is een gewijzigde wettelijke inkleding van de regeling van klachtdelicten bepleit, maar daarbij zijn geen concrete wijzigingen ten aanzien van de invulling van die regeling voorgesteld. Met het oog op specifieke klachtdelicten en de bij die feiten klachtgerechtigden zie ik op vier punten toch aanleiding voor inhoudelijke wijzigingen.
Ten eerste is in hoofdstukken 2 en 3 reeds verwoord dat het aanbeveling verdient om het klachtvereiste te laten vervallen bij art. 207b Sr, dat voorziet in strafbaarstelling van meinedige verklaringen ten overstaan van een buitenlandse autoriteit via een videoconferentie. 1Vervolging van dit feit kan blijkens art. 207b lid 3 Sr alleen plaatshebben op klacht van de autoriteit voor wie de valse verklaring is afgelegd. De titel met meineeddelicten, met daarin art. 207b Sr, beschermt blijkens de wetsgeschiedenis geen persoonlijke maar juist publieke belangen.2 Meineeddelicten zijn volgens de wetgever vergrijpen tegen de openbare trouw, ongeacht of specifieke personen zijn benadeeld. Dat aan dit misdrijf toch een klachtvereiste is toegevoegd, komt hoofdzakelijk doordat de wettekst is gebaseerd op art. 207a Sr waarin een meinedige verklaring ten overstaan van een internationaal gerecht strafbaar is gesteld. In de literatuur is het klachtvereiste bij art. 207a Sr echter als oneigenlijk bestempeld. Het diende immers ter voorkoming van discrepanties tussen nationale en internationale rechtspraak en het draait niet om het verlenen van voorrang aan private belangen. Dit oneigenlijke karakter van de klacht bij art. 207a Sr is nadien ook in de wetsgeschiedenis bevestigd, waarna het klachtvereiste in augustus 2002 bij deze strafbaarstelling is geschrapt. Ongelukkigerwijs was eerder dat jaar het voorstel gedaan om art. 207b Sr in te voeren, waarbij het wetsontwerp was geïnspireerd op art. 207a Sr dat toen nog een klachtvereiste kende.3 Het klachtvereiste bij art. 207b Sr vindt daarmee zijn oorsprong in een onzorgvuldige wetgevingsoperatie.
De rechtsbelangen die de titel met meineeddelicten beschermt en de totstandkomingsgeschiedenis van art. 207b Sr maken duidelijk dat een klachtvereiste bij dit delict niet op zijn plaats is. Als de wetgever toch zou willen voorkomen dat de nationale autoriteiten in strijd kunnen handelen met het oordeel van een internationaal of buitenlands gerecht, dan zou – in lijn met het voorstel van Van den Broek – gekozen kunnen worden voor een vervolgingsvoorwaarde ‘sui generis’.4 Het voorstel van Van den Broek houdt in dat het woord ‘klacht’ in art. 207b lid 3 Sr vervangen kan worden door het woord ‘verzoek’, waardoor een algemene vervolgingsvoorwaarde ontstaat die geen verband houdt met de regeling van klachtdelicten. Ik sluit mij aan bij Van den Broek dat deze strafbepaling in ieder geval geen klachtdelict meer moet zijn. Ik denk echter niet dat op andere wijze in een (aanvullende) drempel zou moeten worden voorzien die dient ter voorkoming van conflicterende nationale en internationale rechtspraak. In hoofdstuk 3 is er immers al op gewezen dat met de invoering van art. 207b Sr wordt beoogd uitvoering te geven aan art. 10 lid 8 van het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. Dit artikellid schrijft voor dat Nederland zodanige maatregelen treft dat in het geval dat getuigen en deskundigen via een videoconferentie door een buitenlandse autoriteit worden gehoord, en niet naar waarheid verklaren, de nationale wetgeving van toepassing is “alsof het een verhoor in een nationale procedure betrof”. Meineed kan in Nederland echter ambtshalve door het openbaar ministerie worden vervolgd, terwijl dat bij art. 207b Sr nu niet het geval is. Ook de hiervoor omschreven vervolgingsvoorwaarde ‘sui generis’ zou maken dat art. 207b Sr niet strookt met de verdragsbepaling waaraan deze strafbepaling invulling moet geven. In dit licht verdient het de voorkeur om het derde lid van art. 207b Sr, met daarin het klachtvereiste, te schrappen en om de vervolgingsmogelijkheden van het openbaar ministerie bij dit delict ook niet anderszins te beperken.
Een tweede aanpassing die aanbeveling verdient betreft art. 273 Sr. In dit wetsartikel is de schending van bedrijfsgeheimen strafbaar gesteld, hetgeen een absoluut klachtdelict betreft. In hoofdstuk 3 kwam aan bod dat dit het enige klachtdelict betreft waarbij wordt afgeweken van het uitgangspunt dat aan degene die door het feit wordt getroffen het klachtrecht toekomt. 5Het is immers niet de onderneming aan wie het klachtrecht toekomt, maar uitsluitend het bestuur van die onderneming. Die beperking geldt echter niet als een rechtspersoon het slachtoffer is van een andersoortig klachtdelict. 6De wetsgeschiedenis maakt niet duidelijk waarom juist bij dit delict alleen het bestuur van de onderneming een klachtrecht toekomt en biedt ook geen aanknopingspunten dat de wetgever de mogelijkheden van de onderneming op dit punt heeft willen beperken. De wetgever lijkt vooral tot uitdrukking hebben willen brengen dat namens de onderneming een klacht moet worden ingediend voordat kan worden vervolgd. Tegen deze achtergrond stel ik voor om art. 273 lid 3 Sr, dat voorschrijft dat slechts het bestuur van de onderneming een klacht kan indienen na de schending van bedrijfsgeheimen, te laten vervallen. In dat geval kunnen – net als bij alle andere klachtdelicten – daartoe bevoegde organen van de rechtspersoon een klacht indienen en kan de onderneming zich desgewenst ook anderszins op rechtsgeldige wijzen laten vertegenwoordigen.
Ten derde wordt voorgesteld om het absolute vervolgingsbeletsel dat is neergelegd in art. 316 lid 1 Sr niet te handhaven en de in dat artikellid beschreven relatie eveneens via een relatief klachtvereiste te beschermen. 7Art. 316 lid 1 Sr bevat een vervolgingsbeletsel dat samenhangt met het huwelijk. Indien de dader de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd, dan is vervolging uitgesloten. Dit vervolgingsbeletsel is van toepassing op alle vermogensdelicten waarop ook het in art. 316 lid 2 Sr verankerde relatieve klachtvereiste van toepassing is. 8Allebei deze vervolgingsbeletselen zijn erop gericht overheidsingrijpen te beperken in het geval de dader en het slachtoffer innig op elkaar zijn betrokken. Het is echter niet het verschil in intimiteit dat maakt dat een vervolging tussen echtelieden onder alle omstandigheden onmogelijk is, terwijl de in art. 316 lid 2 Sr aangeduide familieleden na ontvangst van een klacht wel kunnen worden vervolgd. Redengevend voor dit onderscheid is de omstandigheid dat met een huwelijk niet alleen de persoonlijke relatie wordt benadrukt, maar dat het huwelijk via een gemeenschap van goederen ook concreet aan de vermogenspositie van de gehuwden raakt. In de wetsgeschiedenis is om die reden verwoord dat het huwelijkse vervolgingsbeletsel zowel een zedelijke als een stoffelijke grondslag kent. 9In de literatuur is echter vastgesteld dat deze wetshistorische achtergrond van het huwelijkse vervolgingsbeletsel zich steeds minder goed verhoudt tot de ontwikkelingen in het huwelijksvermogensrecht.10 Tegenwoordig heeft een huwelijk veelal minder verstrekkende gevolgen voor de vermogenspositie van de gehuwden dan waarmee de wetgever bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht in 1886 rekening hield. 11Dit betekent dat de stoffelijke grondslag voor het huwelijkse vervolgingsbeletsel steeds meer aan belang verliest. Daarmee verdwijnt ook het redengevende onderscheid ten opzichte van het relatieve klachtvereiste in art. 316 lid 2 Sr. Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld om het huwelijkse vervolgingsbeletsel te laten vervallen en om deze relatie toe te voegen aan de relaties waarop het relatieve klachtvereiste van toepassing is.12 In hoofdstuk 4 is reeds verwoord dat dit meer ruimte biedt voor maatwerk. Vervolging is immers nog steeds onmogelijk in het geval een benadeelde gehuwde daarop geen prijs stelt, maar vervolging wordt mogelijk in die gevallen waarin de getroffen huwelijksgenoot dit wel wenst en dit kenbaar maakt via een klacht.
Tot slot dient het relatieve klachtvereiste niet langer van toepassing te zijn op diefstal (al dan niet met geweld), afpersing, verduistering, oplichting en vernieling voor zover die feiten zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk. 13Aan deze ‘terrorisme-varianten’ van diverse vermogensdelicten is reeds aandacht besteed in hoofdstuk 3, paragraaf 2.1.3.3 en eerder in dit hoofdstuk in paragraaf 2.2.2. Het probleem is dat deze strafbepalingen met de Wet strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme14 onder het bereik van het relatieve klachtvereiste zijn geplaatst, terwijl de achtergrond van deze strafbepalingen duidelijk maakt dat persoonlijke belangen van direct betrokkenen geenszins aan vervolging in de weg behoren te staan. Deze delicten zijn immers gericht op het voorkomen van terroristische aanslagen, hetgeen primair het algemeen belang dient. Het verdient dan ook de voorkeur dat voornoemde ‘terrorisme-varianten’ van vermogensdelicten niet langer onder de werkingssfeer van het relatieve klachtvereiste vallen.