Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/1.3:1.3 Onderzoeksvraag, toetsingskader en onderzoeksmethode
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/1.3
1.3 Onderzoeksvraag, toetsingskader en onderzoeksmethode
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494228:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat hierbij om beginselen van primair Unierecht (de ‘algemene rechtsbeginselen’) en beginselen van secundair Unierecht (de ‘pseudobeginselen’ of ‘btw-beginselen’), voor zover zij het karakter hebben van een uitleggings- of interpretatiebeginsel. Zie daarvoor paragraaf 2.3.2.
Zie uitvoerig 2.4.6 waarin ik de normatieve waarde van het rechtskarakter van de btw centraal stel. Zie tevens de aldaar aangehaalde litetaruur.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit brengt mij tot de centrale vraagstelling van mijn onderzoek. Mijn onderzoeksvraag luidt als volgt:
Hoe verhouden de Unierechtelijke en de nationaalrechtelijke btw-gevolgen van niet-betaling zich tot elkaar en tot het rechtskarakter van de btw en in hoeverre zijn de btw-gevolgen van niet-betaling voor de leverancier en voor de afnemer in evenwicht?
Bij de beantwoording van deze onderzoeksvraag beoog ik een oordeel te vormen over de geldigheid van het nationale recht (door het nationale recht aan het Unierecht te toetsen) en over de kwaliteit van het Unierecht en het nationale recht (door het Unierecht en het nationale recht aan het rechtskarakter te toetsen en de gevolgen voor de leverancier en voor de afnemer tegen elkaar af te zetten). Met bedoelde vraagstelling worden naar mijn idee de belangrijkste ingrediënten ondervangen om tot een dergelijk oordeel te kunnen komen. Dit oordeel zou mij vervolgens in staat moeten stellen om concrete aanbevelingen te kunnen doen om eventuele problemen weg te nemen.
De onderzoeksvraag zet aan tot een diepgaand onderzoek naar het vigerende recht en het aanleggen van diverse toetsingsmaatstaven. De vraagstelling laat zich opsplitsen in de volgende deelvragen:
Welke btw-gevolgen verbindt het Unierecht aan niet-betaling en hoe verhouden deze zich tot het rechtskarakter van de btw?
Welke btw-gevolgen verbindt het nationale recht aan niet-betaling en hoe verhouden deze zich tot het Unierecht en het rechtskarakter van de btw?
In hoeverre zijn de btw-gevolgen van niet-betaling voor de leverancier en voor de afnemer met elkaar in evenwicht, zowel in Unierechtelijke als nationaalrechtelijke zin, met inachtneming van het rechtskarakter van de btw?
Een belangrijk onderdeel van deze deelvragen is het in kaart brengen van het geldende recht. Daarvoor zal ik in mijn onderzoek diverse rechtsbronnen aanboren, waaronder de Btw-richtlijn, de Wet OB 1968, de totstandkomingsgeschiedenis van deze ‘wettelijke’ bronnen, lagere wet- en regelgeving, rechtsbeginselen,1 rechtspraak en literatuur. Om een oordeel te kunnen vormen over de kwaliteit van het Unierecht en het nationale recht is het noodzakelijk om de verhouding tussen het (aldus gevonden) geldende recht en het wenselijke recht in kaart te brengen. Hierbij vormt het rechtskarakter (ofwel strekking) van de btw (als invulling van het wenselijke recht) naar mijn idee de meest geëigende toetssteen.2 Het rechtskarakter van de btw beschrijft namelijk wie, wat en op welke wijze de btw beoogt te belasten. Deelvraag b ziet daarnaast op de geldigheid van het nationale recht. Zoals uit het hierna te bespreken toetsingskader zal blijken, is het Unierecht van hogere rechtsorde, waaraan de geldigheid van het nationale recht moet worden getoetst. Bij de beantwoording van deze deelvraag is het derhalve noodzakelijk het nationale recht ook te toetsen aan diversen bronnen van het Unierecht, waaronder de Btw-richtlijn. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor rechtsbeginselen van het Unierecht. De hiervoor beschreven aspecten van de onderzoeksvraag vallen samen in de zoektocht naar het antwoord op deelvraag c. Aangezien niet-betaling gevolgen kan hebben zowel voor de leverancier als voor de afnemer, is het voor een goed begrip van de problematiek noodzakelijk om de verhouding tussen de positie van de leverancier en die van de afnemer in het onderzoek te betrekken.