Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/5.3.7
5.3.7 Gemaakte kosten
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264569:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Wille/Scott & Scott 1987, p. 143-144; Van der Merwe 1989, p. 635; De Wet & Van Wyk 1992, p. 410; Kritzinger 1999, p. 49; Wille/Du Bois e.a. 2007, p. 649-650; Lubbe & Scott 2008, nr. 360 en 426; Titus 2012, p. 239 en 342; Silberberg & Schoeman/Badenhorst, Pienaar & Mostert 2015, p. 393; Brits 2016, p. 149.
Supreme Court of Transvaal 10 november 1904, Smith v Farrelly’s Trustee, 1904 TS 957, p. 954.
Supreme Court of Transvaal 10 november 1904, Smith v Farrelly’s Trustee, 1904 TS 957, p. 962-963.
De pandgebruiker kan kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van het onderpand terugvorderen van de pandgever. Indien de pandovereenkomst niet anders bepaalt, is hiertoe vereist dat de gemaakte kosten noodzakelijk zijn, of dat de kosten hebben geleid tot een waardevermeerdering van het pandobject.1 Een bijzonder geval van gemaakte kosten door de pandgebruiker die voor vergoeding in aanmerking kwamen, is te vinden in de zaak Smith v Farrelly’s trustee. Zoals besproken in §3.5 had Smith een recht van pandgebruik op een recht van erfpacht. Smith oefende dit recht van erfpacht uit en betaalde de verschuldigde canon aan de bloot-eigenaar.2 Nadat (de nalatenschap van) Farrelly insolvent was geworden, stelde Smith een vordering in tot terugbetaling van de betaalde canon. De rechters, Justices Smith, Bristowe en Curlewis, overwogen dat Smith recht had op vergoeding van de door hem betaalde canon. Als Smith de canon immers niet had voldaan, was het recht van erfpacht teniet gegaan. Farrelly was dan zijn recht van erfpacht kwijt, en Smith zou zijn daarop rustende pandrecht verliezen. De door Smith betaalde canon gold dan ook als een noodzakelijke uitgave. Hij had aanspraak op terugbetaling van de canon. Deze vordering werd gedekt door het pandrecht dat op het erfpachtrecht was gevestigd.3