Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/3.2.3.3
3.2.3.3 Aansprakelijkheid van de onderzoeker voor hulppersonen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652146:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2018/197-198.
Vgl. Vranken (onder 14) in zijn annotatie bij HR 11 november 2005 (r.o. 3.5), NJ 2007/231 (Ontvanger/Voorsluis).
Oldenhuis 2014/39.4; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/185.
Lubach 2005, p. 168-169. Zie over het onderscheid met de arbeidsovereenkomst ook Lubach 2005, p. 172 e.v.; Asser/Heerma van Voss 7-V 2015/27, beiden met verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.
Zie over het begrip ‘bedrijf’ nader Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1003; Parl. Gesch. Boek 6, p. 729; HR 21 december 2001 (r.o. 3.5), NJ 2002/75 (Delfland/Stoeterij de Kraal). Vgl. ook Kamerstukken II 1984/85, 17496, 10, p. 3.
Op grond van Parl. Gesch. Boek 6, p. 732 kan de hoedanigheid van vertegenwoordiger berusten op een rechtshandeling of op de wet. Met Asser/Kortmann 3-III 2017/6 meen ik dat onder vertegenwoordiging in de zin van art. 6:172 BW enkel directe of onmiddellijke vertegenwoordiging moet worden verstaan.
Kritisch over het gebruik van de term ‘toerekening’ zijn overigens Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/330, waartegen Asser/Kortmann 3-III 2017/144.
HR 6 april 1979 (r.o. 1), NJ 1980/34, m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel).
HR 2 februari 1990 (r.o. 3), NJ 1990/384 (Garage Cordia/Aruba). Zie uitgebreider Asser/Kortmann 3-III 2017/147, met verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.
In vergelijkbare zin Böhtlingk 1954/194; Drion 1958, m.n. p. 6; Asser/Van der Grinten 2-I 1973, p. 97; Asser/Van der Grinten 2-II 1976, p. 75; HR 20 februari 1976, NJ 1976/486, m.nt. G.J. Scholten (Pseudo-Vogelpest); Schoordijk 1979, p. 390-391; Schoordijk 1987, p. 106; Asser/Van der Grinten 2-I 1990/168; Klaassen 1991, p. 55 en p. 74; Van 1995, p. 56; Hoekzema 2000, p. 171; Klaassen 2000, p. 11-12; Oldenhuis 2014/44 en 72; Asser/Kortmann 3-III 2017/150; Asser/Kroeze 2-I 2021/94. Anders nog Janssen 1990, p. 65.
HR 11 oktober 1991 (r.o. 3.3), NJ 1993/165, m.nt. C.J.H. Brunner & G.J.M. Corstens (Staat & Van Hilten/M); zie ook Asser/Kortmann 3-III 2017/155.
Bij de uitoefening van zijn onderzoekstaak kan de onderzoeker gebruikmaken van hulppersonen. De belangrijkste onderzoekswerkzaamheden moeten door de onderzoeker zelf worden verricht, maar hulppersonen kunnen bijvoorbeeld wel worden belast met het bijhouden van het dossier, het redigeren van een concept voor het onderzoeksverslag, het maken van gespreksverslagen en de analyse van data. Tussen de onderzoeker en de door hem ingeschakelde hulppersoon komt een overeenkomst van opdracht tot stand (par. 2.4.3.4.2). Bij wanprestatie onder die overeenkomst of een onrechtmatige daad jegens de onderzoeker,1 kan de onderzoeker de door hem geleden schade verhalen op de hulppersoon. Als de door de onderzoeker ingeschakelde hulppersoon onrechtmatig handelt jegens procespartijen, is de onderzoeker daarvoor dan aansprakelijk?
Voor aansprakelijkheid van de onderzoeker voor het onrechtmatig handelen van een hulppersoon jegens procespartijen bestaat op grond van art. 6:76 BW of art. 6:170-172 BW geen ruimte.2 Tussen de onderzoeker en procespartijen is immers geen sprake van een verbintenis (par. 3.2.2.4), waarmee art. 6:76 BW toepassing mist. Een hulppersoon is als opdrachtnemer evenmin ondergeschikte in de betekenis van art. 6:170 BW,3 nu van een gezagsverhouding – anders dan bij een arbeidsovereenkomst – geen sprake is bij een overeenkomst van opdracht.4 De onderzoeker oefent bovendien geen bedrijf uit in de betekenis van art. 6:171 BW, nu de aanstelling als onderzoeker persoonlijk is en hij zijn taak uitoefent op grond van een publiekrechtelijke rechtsverhouding (par. 3.2.2.3).5 Omdat in de rechtsverhouding tussen de onderzoeker en een hulppersoon de bevoegdheid van laatstgenoemde om de onderzoeker te vertegenwoordigen veelal zal ontbreken, bestaat voor aansprakelijkheid van de onderzoeker op de voet van art. 6:172 BW evenmin ruimte.6
Voor aansprakelijkheid van de onderzoeker voor onrechtmatig handelen van een niet-hulppersoon geldt het voorgaande overigens onverminderd: hier past evenmin aansprakelijkheid op de voet van art. 6:74 BW of art. 6:170-172 BW. Ook anderszins zie ik weinig ruimte voor aansprakelijkheid van de onderzoeker voor onrechtmatig handelen van een door hem ingeschakelde niet-hulppersoon (par. 3.2.3.4).
Onrechtmatig handelen van de hulppersoon kan mijns inziens als eigen gedrag worden toegerekend aan de onderzoeker.7 In Kleuterschool Babbel formuleerde de Hoge Raad het criterium voor het antwoord op de vraag wanneer een bepaalde onrechtmatige gedraging als een onrechtmatige daad van een rechtspersoon heeft te gelden. Daarvan is sprake als een gedraging in het maatschappelijk verkeer als een gedraging van de rechtspersoon heeft te gelden.8 De toepassing van het Kleuterschool Babbel-criterium vergt een toetsing van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen onder meer een rol spelen: de positie van de natuurlijke persoon in de organisatie van de rechtspersoon, de omstandigheden waaronder het handelen heeft plaatsgevonden en de maatschappelijke opvattingen die ter plaatse gelden.9 Mijns inziens is de betekenis van Kleuterschool Babbel niet beperkt tot rechtspersonen, maar moet het arrest ook op in organisatieverband uitgeoefende activiteiten door natuurlijke personen kunnen worden toegepast.10
De Ondernemingskamer benoemt in een enquêteprocedure de onderzoeker die is belast met en verantwoordelijk is voor het onderzoek. De onderzoeker heeft de vrijheid bij de uitvoering van het onderzoek gebruik te maken van hulppersonen, maar de onderzoeker blijft verantwoordelijk voor het onderzoek en het handelen van die hulppersonen. De door een hulppersoon gemaakte kosten komen als kosten van het onderzoek voor vergoeding in aanmerking (par. 2.4.3.4.2). Voor procespartijen treden de onderzoeker en hulppersoon naar buiten als eenheid op. Communicatie tussen de onderzoeker en bij de enquêteprocedure betrokken partijen kan ook via een hulppersoon verlopen. Verder kunnen de onderzoeker en hulppersoon heel wel werkzaam zijn bij dezelfde organisatie, bijvoorbeeld hetzelfde advocatenkantoor, waarbij werkzaamheden vanuit dezelfde plaats worden uitgevoerd.
Op basis van het bovenstaande mag mijns inziens worden aangenomen dat het onrechtmatig handelen van een hulppersoon als eigen gedrag kan worden toegerekend aan de onderzoeker. De gelaedeerde kan de onderzoeker dus aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Dat sluit niet uit dat de hulppersoon ook zelf aansprakelijk is, indien de onrechtmatige gedraging aan zijn schuld is te wijten, wanneer, gelet op alle omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.11