De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/2.1:2.1 Inleiding
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396053:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze begrippen zijn reeds in hoofdstuk 1 geïntroduceerd. Zie hoofdstuk 1, paragraaf 1.1.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelet op de in het vorige hoofdstuk geformuleerde onderzoeksvraag zijn alleen die Europese subsidieregelingen relevant waarvoor geldt dat de lidstaat Nederland bij de uitvoering ervan is betrokken. Ten aanzien van deze regelingen wordt Nederland geconfronteerd met de juridische problemen en uitdagingen die zich voordoen bij de doorwerking van het Eu-recht in de nationale rechtsorde.
Om de voor dit onderzoek relevante Europese subsidieregelingen te extraheren is een aantal stappen noodzakelijk. Zo worden in paragraaf 2.2 allereerst de begrippen 'Europese subsidie', 'Europese subsidieregeling' en 'Europese subsidieregelgeving' gedefinieerd. Vervolgens wordt ingegaan op de daaraan gerelateerde begrippen 'eindbegunstigde' en 'eindontvanger' van de Europese subsidie. In paragraaf 2.3 vindt een verdere afbakening plaats om te komen tot de Europese subsidieregelingen die door nationale uitvoeringsorganen worden uitgevoerd. Na een definiëring van het begrip 'nationaal uitvoeringsorgaan' wordt ingegaan op de Europese subsidieregelingen waarvan heel duidelijk is dat nationale uitvoeringsorganen bij de uitvoering ervan zijn betrokken, namelijk wanneer op hen de verantwoordelijkheid rust om de Europese subsidie te verstrekken. Het betreft de Europese subsidies die in gedeeld beheer (paragraaf 2.3.3.1) en sommige Europese subsidies die op indirect gecentraliseerde wijze (paragraaf 2.3.3.2) worden verstrekt. Er is echter meer: ook wanneer de Europese Commissie een Europese subsidie verstrekt, kunnen uitvoeringstaken, zoals het verschaffen van informatie en het uitvoeren van controles, aan nationale uitvoeringsorganen worden toevertrouwd. Hierop wordt in paragraaf 2.3.4 ingegaan. Vervolgens wordt gekomen tot een definiëring van het begrip 'uitvoering' dat in het vervolg van dit onderzoek zal worden gehanteerd (paragraaf 2.3.5). Steeds indien een nationaal uitvoeringsorgaan op grond van de Europese subsidieregelgeving is gehouden maatregelen te treffen die onder het aldus gedefinieerde begrip uitvoering zijn te vatten, valt de desbetreffende Europese subsidieregeling binnen de reikwijdte van dit onderzoek.
Voordat in paragraaf 2.5 wordt ingegaan op de belangrijkste Europese subsidieregelingen die binnen de reikwijdte van de voormelde afbakening vallen en in Nederland worden uitgevoerd, wordt in paragraaf 2.4 aandacht besteed aan de relatie tussen het Europese subsidiebegrip en het begrip 'staatssteun'. Omdat in het vervolg van dit onderzoek het begrip staatssteun nog meerdere keren aan de orde komt, is het relevant om reeds in het kader van de definiëring en afbakening op de relatie tussen beide begrippen in te gaan.
In paragraaf 2.5 bespreek ik als gezegd de belangrijkste Europese subsidieregelingen die in Nederland door nationale uitvoeringsorganen worden uitgevoerd. Omdat het te ver voert alle Europese subsidieregelingen te bespreken waarvoor geldt dat nationale uitvoeringsorganen bij de uitvoering ervan zijn betrokken, heb ik mij beperkt tot de regelingen op grond waarvan de subsidieverstrekking zelf tot de verantwoordelijkheden van de nationale uitvoeringsorganen behoort en derhalve een subsidierelatie bestaat tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie. De uitvoering van deze Europese subsidieregelingen heeft immers met name geleid tot de in hoofdstuk 1 geschetste problemen. Het voorgaande betekent dat de Europese subsidieregelingen zoals LIFE+ en Erasmus Mundus buiten beschouwing zijn gebleven; de lidstaat heeft weliswaar een adviserende taak, maar uiteindelijk gaat de Europese Commissie de subsidierelatie aan met de eindontvangers van de Europese subsidies.
Voordat in paragraaf 2.7 de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese subsidieregelingen die door nationale uitvoeringorganen worden uitgevoerd zullen worden besproken, wordt in paragraaf 2.6 ingegaan op de begrippen gedeeld en gemengd bestuur.1 De betrokkenheid van nationale uitvoeringsorganen bij de uitvoering van Europese subsidieregelingen staat namelijk niet op zichzelf. Voor heel veel Eu-beleidsterreinen geldt dat nationale uitvoeringsorganen bij de uitvoering daarvan zijn betrokken. In het kader daarvan zijn in de literatuur de concepten gedeeld en gemengd bestuur ontwikkeld. De uitvoering van de Europese subsidieregelingen wordt in de literatuur als een van de vele voorbeelden van gedeeld en gemengd bestuur gezien. Door in dit hoofdstuk voormelde concepten te bespreken, wordt het mogelijk de uitvoering van Europese subsidieregelingen in het vervolg van dit onderzoek in een breder kader te plaatsen.
Paragraaf 2.7 ten slotte is gewijd aan de gemeenschappelijke kenmerken van de Europese subsidieregelingen die in Nederland door nationale uitvoeringsorganen worden uitgevoerd en die in het kader van dit onderzoek relevant zijn. Het gaat dus alleen om die algemene kenmerken die consequenties hebben voor de uitvoering door nationale uitvoeringsorganen. Ingegaan wordt op de beginselen van cofinanciering, partnerschap, programmering, coherentie, complementariteit, coordinatie, conformiteit, subsidiariteit, evenredigheid en concentratie. Voorts wordt ingegaan op decommitteringsregels, comitévorming en de relevantie van de bescherming van de financiële belangen van de EU.