Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/13.3.3:13.3.3 Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Box III)
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/13.3.3
13.3.3 Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Box III)
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS420536:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de inkomsten uit sparen en beleggen wordt een forfaitair rendement geïntroduceerd. Uitgangspunt is daarbij, dat een belastingplichtige voortaan bij wege van wetsfictie wordt geacht met de tot zijn rendementsgrondslag behorende vermogensbestanddelen altijd een bepaald netto-rendement te (kunnen) behalen dat in de belastingheffing kan worden betrokken. Met betrekking tot de heffing van belasting over de inkomsten uit sparen en beleggen is in artikel 5.1.2 is bepaald:
Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum) (...).
De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden (artikel 5.1.3)1. Bezittingen en schulden worden in beginsel in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer (artikel 5.3.1).
Een bepaling dat de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar gelijk is aan de rendementsgrondslag aan het einde van het daaraan voorafgaande kalenderjaar is niet in de wet terug te vinden. In de parlementaire stukken heb ik op dit punt ook geen ‘continuïteitsgedachte’ aangetroffen. Integendeel, in de MvT2 is uitdrukkelijk vermeld dat de rendementsgrondslag in beginsel tweemaal per kalenderjaar moet worden bepaald: op 1 januari en op 31 december. Eventuele fouten, gemaakt bij het vaststellen van de rendementsgrondslag per 31 december van het laatstvastgestelde jaar, werken derhalve niet door in het oudste nog openstaande jaar. Indien in het oudste nog openstaande jaar wordt geconstateerd dat de rendementsgrondslag per 31 december van het laatstvastgestelde jaar onjuist is berekend – bijvoorbeeld als gevolg van de omstandigheid dat bepaalde bezittingen of schulden ten onrechte (niet) tot de rendementsgrondslag zijn gerekend of tegen een onjuiste waarde in die grondslag zijn begrepen – is men niet gebonden aan die onjuist vastgestelde rendementsgrondslag. Ter bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in het oudste nog openstaande jaar wordt per 1 januari een rendementsgrondslag berekend, waarin eventuele fouten uit voorgaande jaren niet voorkomen. Het foutenleer-mechanisme van HR 22 oktober 1952, B. 9293, is hier derhalve niet van toepassing.