Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.11.4:7.3.11.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.11.4
7.3.11.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610234:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
. J. Gooijer, ‘Een aanzet tot aanpassing van het verbondenheidscriterium in de vennootschapsbelasting’, WFR 2006, p. 560.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het huidige groepsbegrip van art. 12c lid 5 Wet VPB 1969 komt in grote lijnen overeen met het concernbegrip dat ik voor een aantal andere fiscale regelingen zou willen hanteren. In paragraaf 7.3.3 heb ik de contouren van dit begrip met een facilitaire functie als volgt geschetst:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van meer dan 50% van de stemrechten.
Bij dit verbondenheidsvermoeden geldt een neerwaartse, opwaartse en zijwaartse benadering. Dat wil zeggen, dat het belang van meer dan 50% kan zien op verbondenheid met een dochtervennootschap, een moedervennootschap en een zustervennootschap.
Ten aanzien van de verbondenheid van een natuurlijk persoon met een lichaam worden de belangen gehouden door de ‘partner’ en kinderen meegeteld bij de beoordeling van het bedoelde vermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Dit fiscale concernbegrip wijkt in twee opzichten af van het huidige groepsbegrip in art. 12c Wet VPB 1969. In de eerste plaats wil ik niet alleen de belastingplichtigen, maar ook de fiscus de mogelijkheid bieden om aan te tonen dat er in afwijking van het 50%-criterium wel of geen feitelijke verbondenheid bestaat. De ‘opt-in’-regeling en ‘opt-out’-regeling van art. 12c lid 7 en 8 Wet VPB 1969 gelden in hun huidige vorm alleen voor de belastingplichtige. Voorts zou ik de toepassing van deze regelingen niet alleen willen beperken tot lichamen die tot een ‘zelfstandig onderdeel’ van de groep behoren, zoals is aangekondigd in de wetsgeschiedenis. In mijn voorstel is het bijvoorbeeld ook mogelijk dat een individuele vennootschap wordt uitgesloten van de renteboxregeling.
Overigens heeft Gooijer een vergelijkbare suggestie gedaan voor de invulling van het groepsbegrip voor de rentebox.1 Hij stelt ook voor om aan te knopen bij het bezit van meer dan 50% van het nominaal gestorte aandelenkapitaal of meer dan 50% van de stemrechten. Mijn voorstel wijkt af van zijn suggestie op het punt van de tweezijdige weerlegbaarheid van het verbondenheidsvermoeden. Deze is nodig om de materieel-economische werkelijkheid te laten prevaleren. Overigens erkent Gooijer deze noodzaak ook; hij wil in dit verband een ‘samenwerkende groep’ van aandeelhouders in ogenschouw nemen. Naar mijn mening heeft dit echter als nadeel dat discussie kan bestaan over de vraag of in de praktijk sprake is van een samenwerkende groep. Bovendien kan bij een belang van 50% of minder ook feitelijke verbondenheid bestaan, zonder dat sprake is van een samenwerkende groep. Ik meen dat een aandeelhouder met bijvoorbeeld een belang van 40% toch een beleidsbepalende invloed kan hebben indien de andere aandelen zijn verspreid over een grote groep kleine aandeelhouders. In dit verband biedt de tweezijdige weerlegbaarheid naar mijn mening meer ruimte om de economische realiteit tot uitdrukking te laten komen. Voorts wil Gooijer het 50%-criterium ook hanteren voor het verbondenheidsbegrip van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969, terwijl ik meen dat de antiontgaansfunctie van dit begrip juist pleit voor de toepassing van de lagere 331/3%-grens.
Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, zou werking van de renteboxregeling nog kunnen worden verbeterd door een bepaling op te nemen zoals die van art. 10a lid 6 Wet VPB 1969. Op basis hiervan worden lichamen die verbonden zijn met een dochtermaatschappij die onderdeel is van de fiscale eenheid, geacht een ‘verbonden lichaam’ te zijn van alle onderdelen van die fiscale eenheid.