Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.8
2.8 Artikel 25 Rv: aanvullen van rechtsgronden
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS300992:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De plicht tot het aanvullen van rechtsgronden geldt ook voor rechtsgronden van buitenlands recht. Dit recht behoeft gesteld noch bewezen te worden. Zie bijvoorbeeld: HR 22 februari 2002, NJ 2003,483, m.nt. P. Vlas (N/N), r.o. 5.3. Zie hiervoor ook: Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 2009, p. 152 (nr. 175); Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 232 (nr. 206). In cassatie dient echter wel geklaagd te worden over het uitblijven van toepassing van buitenlands recht door de appelrechter, maar dat hangt samen met de onmogelijkheid tot ambtshalve cassatie: HR 23 februari 2001, NJ 2001, 431, m.nt. J.B.M. Vranken en Th.M. de Boer (X/Overes q.q.), r.o. 3.3.
Van Mierlo & Bart, Parl. Gesch. WvBRv (2002), p. 162. Beleidsregels zijn – hoewel cassatietechnisch wel van recht kan worden gesproken – geen recht in de zin van artikel 25 Rv, dat door de rechter ambtshalve zou moeten worden toegepast. Vgl.: HR 25 september 1998, NJ 1998, 894 (M/ Ontvanger), r.o. 3.3; HR 16 september 1994, NJ 1995, 75 (S/Gemeente Amsterdam), r.o. 3.2; HR 8 november 1991, NJ 1992, 31 (Uytterschout/Ontvanger), r.o. 3.2; HR 28 maart 1990, NJ 1991,118 (Leidraad administratieve boeten 1984), r.o. 4.5 e.v.
Bijvoorbeeld: HR 20 januari 2006, NJ 2006, 80 (Robinson/Molenaar), r.o. 3.5 (in fine). Vgl. echter HR 23 november 2007, NJ 2008, 552, m.nt. H.J. Snijders (Ploum/Smeets), r.o. 4.8.4, in fine, waarmee de Hoge Raad via de weg van de bewijslastverdeling de facto wel verplicht tot ambtshalve toepassing en bovendien het karakter van artikel 6:89 BW, zijnde een exceptief verweer, miskent. Dit laatste arrest heeft veel kritiek ontvangen: Krans 2009, p. 190; Snijders in zijn annotatie onder NJ 2008, 553 op p. 5757, onder d; Valk 2008, p. 97. In zijn conclusie van 29 oktober 2010, voorafgaand aan HR 17 december 2010, LJN BO2873, probeert A-G Wissink deze (ogenschijnlijke) tegenstrijdigheid weg te nemen door aan te geven dat het zijns inziens aan de verkoper is om een debat te doen ontstaan over de vraag of er binnen bekwame tijd is geklaagd, waarna het aan de koper is te stellen en te bewijzen dat hij tijdig heeft geklaagd (vgl. pt. 2.18.3). Vgl. voor de invulling van de plicht, het vervolg van genoemd arrest (Ploum/Smeets): HR 25 maart 2011, LJN BP8991.
Bijvoorbeeld: HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 895 (Swart/Berkhof), r.o. 3.3. Vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 58 (nr. 47c). Veegens, Korthals Altes en Groen 2005, p. 286 (nr. 134) zien vooral het noodzakelijke uitdrukkelijke beroep als ratio voor de beperking op de plicht tot het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden. Dat is niet onjuist, maar de diepere ratio lijkt mij inderdaad meer te liggen in het feit dat dergelijke gronden zeer nauw verweven zijn met gronden van feitelijke aard.
Vgl. Smith 2004, p. 55-56.
Vgl. HR 26 september 2003, NJ 2004, 460 (Regiopolitie/Hovax), r.o. 5.2-5.3; HR 14 maart 2008, NJ 2008, 466, m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Aerts q.q.), r.o. 4.3.2. Hierin kan een tendens naar een actievere rechter worden herkend.
Vgl. Snijders & Wendels 2009, p. 216.
53
Als de rechter eenmaal heeft vastgesteld welke feitelijke informatie hij aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, dan kan hij overgaan tot het toepassen van rechtsregels op dat feitencomplex.1 In artikel 25 Rv wordt daarover opgemerkt: ‘[de] rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.’ Het betreft hier geen bevoegdheid, maar een plicht.2 De plicht betreft dus niet alleen regels van openbare orde. Ook regels van dwingend recht of aanvullend recht dienen door de rechter te worden toegepast.
Hiervoor werd al gememoreerd dat er feitelijke gronden zijn die zich slecht laten scheiden van rechtsgronden. Er zijn ook rechtsgronden die eigenlijke feitelijke gronden in zich bergen.3 Aan dat type rechtsgronden kan de rechter niet ambtshalve gevolg geven. Om tot toepassing daarvan te kunnen overgaan, dient de belanghebbende partij zich erop te hebben beroepen.4 In theorie klinkt dat vrij helder, maar in de praktijk is het niet altijd eenvoudig om te bepalen of de rechter feiten toelaatbaar toetst aan rechtsregels, of dat er sprake is van een verboden aanvulling van een verweer.5 Inmiddels wordt die scheidslijn ook steeds dunner. Zo staat de Hoge Raad de rechter toe om onder omstandigheden een dergelijk verweermiddel ambtshalve op te werpen.6
Naast rechtsgronden die eigenlijk feitelijke gronden in zich bergen kan de rechter evenmin rechtsgronden toepassen waarvan partijen afstand hebben gedaan, voor zover een dergelijke afstand althans mogelijk is. De afstand van een rechtsgrond vormt wel een feitelijke constatering en dient dus door een der partijen in de rechtsstrijd te worden ingebracht. Wanneer dat niet geschiedt, kan de rechter er geen acht op slaan. Er kan zowel afstand worden gedaan van rechtsgronden van aanvullend recht als van rechtsgronden van dwingend recht, wanneer het bij dit laatste type rechtsgronden gaat om gronden die pas kunnen worden toegepast na een beroep daarop door de partij in wiens belang de norm is opgesteld.7 Dat een partij afstand zou hebben gedaan van een rechtsgrond moet overigens niet te snel worden aanvaard. Een dergelijke afstand ligt bijvoorbeeld niet impliciet besloten in een beroep op een andere rechtsgrond.