Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.3
2.3 Artikel 24 Rv: stellingen van partijen als kader
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS302225:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl.: HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158, r.o. 3.6; HR 29 oktober 2004, NJ 2005, 79, r.o. 3.4.2; Ekelmans 2008, p. 29. Voor een meer diepgaande bespreking van de stelplicht kan worden verwezen naar Ekelmans 2008, p. 6-26.
HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 92 (Poort/Stoppels), r.o. 3.4. In gelijke zin: HR 17 februari 2006, NJ 2006,158 (Spector/Fotoshop), r.o. 3.6; HR 31 maart 2006, NJ 2006,233 (E.ON/Van Santen), r.o. 3.3.
Voor een aardig voorbeeld: Hof Leeuwarden 10 april 2012, LJN BW1649 (Varde Investments). Dit overigens in combinatie met de feiten van algemene bekendheid en de algemene ervaringsregels, welke de rechter ex artikel 149, lid 2 Rv eveneens aan zijn uitspraak ten grondslag mag leggen. Zie bijvoorbeeld: HR 4 december 2009, LJN BJ8839, r.o. 3.3.2.
HR 13 juni 2008, NJ 2009,105, m.nt. H.J. Snijders (Wolf/Zürich Leven), r.o. 3.5. Wederom lijkt dus te worden aangeknoopt bij de wijze waarop rechtshandelingen worden uitgelegd: HR 30 september 2005, NJ 2007, 154, m.nt. J.B.M. Vranken (Koker/Cornelius), r.o. 3.5.2. Vergelijk ook HR 21 november 2008, NJ 2009, 477, m.nt. H.J. Snijders (Van Wanrooij/Victory), r.o. 4.4, waar duidelijk wordt gemaakt dat in geval van subjectieve cumulatie van vorderingen, hetgeen aan de ene vordering ten grondslag wordt gelegd, niet tevens geldt als te zijn ten grondslag gelegd aan de andere vordering.
Stein & Rueb 2011, p. 100. Terecht merkt Tjong Tjin Tai (2002, p. 29) op dat een behoorlijk proces een voldoende afgebakend geschil vereist. Alleen dan weten partijen op welke punten zij zich jegens elkander dienen te verweren (vgl. ook Tjong Tjin Tai 2002, p. 31).
Vgl. ook: HR 14 december 2007, NJ 2008, 10 (Doeland/Veltmaat), r.o. 4.1. Vgl. ook Snijders & Wendels 2009, p. 229 (nr. 245). Vgl. tevens over het voegen van een procesdossier in een andere procedure en de eisen die gesteld worden aan de mate waarin dit voor de wederpartij duidelijk moet zijn: HR 17 oktober 2008, NJ 2009, 476, m, nt. H.J. Snijders (COA/Baros), r.o. 3.3.5; HR 10 juli 2009, NJ 2010,128, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.4.
Vgl. Snijders & Wendels 2009, p. 230 (nr. 246). Vgl. ook de conclusie van A-G Vranken voor HR 11 december 1992, NJ 1993,139 (Kollee/Schreuder), sub 8.
Van Schaick 2009, p. 30-33 en 37-38. Als artikel 21 Rv niet wordt nageleefd, dan kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dit leidde in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 februari 2009 (LJN BH4070) tot een integrale verwerping van het verweer van de gedaagde partij (r.o. 4.5-4.7, i.h.b. r.o. 4.7).
Ekelmans 2008, p. 6-20 en 93-112; Van Schaick 2009, p. 29.
HR 15 mei 1998, NJ 1998, 625 (Van Rooij/Van der Sluijs), r.o. 3.2. Zie ook: Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 53-54 (nr. 45a).
Vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 54 (nr. 45a); HR 9 juli 2004, NJ 2004, 519, m.nt. J.M.M. Maeijer (Duplicado/Goedkoop q.q.), r.o. 3.3.3-3.3.4; HR 15 februari 2002, NJ 2002, 228 (De Rond/ Flottille), r.o. 3.3.
33
Voordat een rechtsgrond kan worden toegepast, dient de rechter na te gaan of hiervoor voldoende is gesteld.1Artikel 24 Rv bepaalt welke informatie de rechter voor zijn beslissing mag gebruiken. In dit artikel wordt de rechtsstrijd afgebakend. Het draagt de rechter op de zaak te onderzoeken en te beslissen op grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer te gronde hebben gelegd, tenzij de wet anders bepaalt.2
34
De rechtsstrijd wordt dus vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen.3 Het is noodzakelijk om te achterhalen welke stellingen partijen precies aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd. Dat vereist een uitleg van de processtukken. In beginsel geschiedt dat conform de klaarblijkelijke bedoeling van de betreffende partij, maar tot het punt waar in redelijkheid niet meer kan worden volgehouden dat bedoeld is een bepaalde stelling aan een vordering of verweer ten grondslag te leggen.4 Deze benadering past goed bij de aard van een processtuk: het in kennis stellen van de wederpartij wat het is waartegen zij zich dient te verweren.5 Vanwege dit doel kan ook niet voorbij worden gegaan aan de wijze waarop de wederpartij de rechtsstrijd opvat. Immers, wanneer de wederpartij meent en mag menen dat de eisende partij een bepaalde stelling niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, dan dient de rechter deze stelling niet in de rechtsstrijd te betrekken.6 Feitelijke stellingen die niet goed aansluiten bij het tot dan gevoerde partijdebat zullen door de rechter niet snel binnen de rechtsstrijd mogen worden gevat. Dat hangt samen met het beginsel van hoor en wederhoor en het equality of arms-beginsel.
35
Bij het voorgaande kader kunnen twee kanttekeningen worden gemaakt. Ten eerste kan de rechter niet altijd vrijelijk gebruik maken van gegevens die zich binnen de rechtsstrijd bevinden. Zowel de eisende partij als de gedaagde partij brengt gegevens binnen de rechtsstrijd. Kan de rechter nu de door de gedaagde partij aangevoerde stellingen gebruiken om de vordering van de eisende partij toe te wijzen, of andersom? Dat kan alleen als een partij deze stellingen van haar wederpartij in de feitelijke instantie tot de hare heeft gemaakt.7
Binnen de rechtsstrijd zal de rechter ten tweede ook nog moeten bepalen welke van de door partijen aangevoerde gegevens juist zijn en welke niet. Hoewel artikel 21 Rv partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, geschiedt dat in de praktijk niet altijd.8 Daardoor kunnen stellingen elkaar bijten. Het is aan de rechter om aan de hand van de regels van bewijsrecht tot een processuele waarheid te komen.9 Overigens mag de rechter ex artikel 149, lid 1 Rv geen bewijs verlangen van niet voldoende betwiste stellingen. Dat lijdt slechts uitzondering als dit tot rechtsgevolgen zou leiden die niet ter vrije beschikking van partijen staan.
36
Partijen bespreken doorgaans eveneens de juridische merites van een geschilpunt. Het zal voor de rechter niet altijd eenvoudig zijn om te bepalen of een stelling van juridische aard is. Termen met een juridische lading, zoals bezitter, eigenaar of huurovereenkomst, worden door de civiele rechter ingevuld.10 Nu heeft een dergelijke kwalificatie vaak weer gevolgen voor de precieze rechtsgevolgen die optreden. Wanneer deze rechtsgevolgen ter vrije beschikking van partijen staan, dan kunnen partijen de rechter wel binden aan de door hen voorgestane kwalificaties. Dat is een logisch gevolg van het beginsel van partijautonomie. Een net zo logisch gevolg is dat partijen de rechter ook aan een bepaalde juridische grondslag kunnen binden, wanneer zij daarover vrijelijk kunnen disponeren.11
37
Artikel 24 Rv is grotendeels een procesrechtelijke uitdrukking van de autonomie van partijen. Deze partijautonomie is geen statisch gegeven. Dat zal nog blijken uit de bespreking van de rechtsstrijd in Duitsland, Engeland en Frankrijk in het volgende hoofdstuk, maar ook in Nederland vat de gedachte dat een actievere rechter zich zou kunnen verdragen met het beginsel van partijautonomie steeds vaker post.