Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.2.4.2
5.2.4.2 De eerste voorwaarde: de vergoeding voor de geldverstrekking is afhankelijk van de winst
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS304344:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie het arrest van de Hoge Raad in samenhang met punt 7 van de conclusie van plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest in HR 17 februari 1999, nr. 34 151, BNB 1999/176c*. In deze zaak verwees de staatssecretaris naar HR 3 maart 1993, nr. 28 329, BNB 1993/141. De staatssecretaris meende uit dit arrest af te kunnen leiden dat een achtergestelde eeuwigdurende lening met een vaste rente als een kapitaalverstrekking zou kunnen gelden. De Hoge Raad stelde hem echter in het ongelijk.
Tijdens de parlementaire behandeling van art. 10, lid 1, onderdeel d, zoals deze bepaling luidde van 2002 tot 2007, is de staatssecretaris ingegaan op de situatie waarin een bank de rente nog niet hoeft te betalen omdat het toetsingsvermogen onvoldoende is (regulatory approval). De betaling van de rente wordt dan opgeschort en zij is daarom niet winstafhankelijk. Zelfs als het toetsingsvermogen aan het eind van de looptijd van de lening nog steeds onvoldoende is en de rente daarom niet behoeft te worden voldaan (de zogenoemde ‘loss-absorption’-clausule), is de rente in zijn opvatting niet winstafhankelijk. Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3 (MvT), p. 26.
Daarnaast ging de Hoge Raad uit van de veronderstelling dat partijen, zo zij niet zouden hebben beoogd dat de schuldeiser met het door hem uitgeleende bedrag in zekere mate deel had in de onderneming van de schuldenaar, een aan dat rendement ten minste gelijkwaardige vergoeding voor de lening zouden zijn overeengekomen. HR 25 november 2005, nr. 40 989, BNB 2006/82c*.
Om vast te stellen of de rente vrijwel geheel winstafhankelijk was, legde de Hoge Raad dus in wezen een zakelijkheidstoets aan: hij vergeleek de overeengekomen vaste rente namelijk met de vaste rente die een derde ten minste zou hebben bedongen. Vergelijk C. Buys, ‘De fiscale kwalificatie van de deelnemerschapslening’, Forfaitair december 2006, p. 26.
Ten aanzien van art. 10 lid 1 onderdeel d, zoals deze bepaling luidde van 2002 tot 2007, beantwoordde de staatssecretaris deze vraag bevestigend ingeval een formeel vaste rente niet werd voldaan vanwege slechte resultaten van de debiteur. Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 5 (Nota), p. 50.
HR 14 april 2006, nr. 42 547, BNB 2006/229.
Van Strien wijst verder op vooroorlogse jurisprudentie van de Hoge Raad die voor deze opvatting pleit. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 92-93.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 83.
Anders J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 198.
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3 (MvT), p. 27.
Kamerstukken I 2001/02, 28 034, nr. 123b (Nota), p. 8.
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3 (MvT), p. 26.
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 5 (Nota), p. 31.
Tijdens de parlementaire behandeling van art 10, lid 1, onderdeel d, zoals deze bepaling luidde voor 2007, ging de staatssecretaris tevens in op de casus waarin een klein eigen vermogen aanwezig is en daarnaast grote doorstroomleningen bestaan in situaties die niet door art 8c Wet VPB 1969 worden bestreken. De wetsystematiek leidde er in zijn opvatting dan toe dat bekeken diende te worden of art. 10, lid 1, onderdeel d, op de opgenomen lening van toepassing was. Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 5 (Nota), p. 31. Aan deze situatie heeft de minister bij de parlementaire behandeling van art. 10 lid 1 onderdeel d, zoals deze bepaling luidt vanaf 2007, niet meer gerefereerd.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 79. Anders Van Strien die meent dat de minister en de staatssecretaris niets te zeggen hebben over de invulling van begrippen in de jurisprudentie, tenzij zij de jurisprudentie overrulen met wetgeving of de jurisprudentie codificeren. Nu de voorwaarden van de deelnemerschapslening niet zijn gecodificeerd, komt in zijn opvatting aan het antwoord van de staatssecretaris geen betekenis toe. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 193. Aangezien art. 10 lid 1 onderdeel d, naar mijn mening wel van toepassing is op de deelnemerschapslening is de toelichting van de bewindslieden op deze bepaling in mijn opvatting wel relevant.
Kamerstukken I 2001/02, 28 034, nr. 123b (Nota), p. 8. Op de vervolgvraag of hiermee ten aanzien van de winstafhankelijkheid een nieuw criterium werd gegeven, antwoordde hij: ‘Tegen de achtergrond van de doelstelling van de regeling van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb 1969 is derhalve de strekking van het antwoord te voorkomen dat de belastingplichtige onder de reikwijdte van de bepaling uit kan komen door algehele winstafhankelijkheid van de vergoeding op de geldlening te vervangen door winstafhankelijkheid van een of meerdere belangrijke activa van de schuldenaar.’ Kamerstukken I 2001/02, Bijvoegsel bij de Handelingen, nr. 12, p. 637.
In de eerste plaats is voor de toepassing van art. 10, lid 1, onderdeel d, vereist dat de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst. Dat is niet alleen het geval als de omvang van de rente afhankelijk is van de winst maar ook als zij slechts verschuldigd is ingeval er winst wordt gemaakt. Behoeft de rente niet te worden betaald als er onvoldoende winst is maar moet zij wel worden voldaan als er weer voldoende winst is dan wel bij faillissement, ontbinding of liquidatie, dan is zij niet winstafhankelijk. Evenmin winstafhankelijk is de rente waarvan de betaling is opgeschort omdat in een jaar geen dividend wordt uitgekeerd, terwijl zij alsnog betaalbaar is als in een later jaar wel dividend wordt uitgekeerd.1, 2
Is de rente vrijwel geheel winstafhankelijk, dan is zij geheel als winstafhankelijke rente te beschouwen, zo besliste de Hoge Raad in een geval waarin een lening was verstrekt tegen een vaste vergoeding van 1% en een variabele vergoeding die afhankelijk was van de winst. Het rendement op de langstlopende staatslening beliep ten tijde van het afsluiten van de lening ruim 8% per jaar. Daarvan uitgaande3 concludeerde de Hoge Raad dat de vergoeding voor de lening vrijwel geheel winstafhankelijk was.4
Is de vergoeding afhankelijk van de winst wanneer bij het aangaan van de lening wordt verwacht dat een formeel overeengekomen vaste rente materieel winstafhankelijk is?5 Naar mijn mening biedt BNB 2006/2296 steun voor de opvatting dat de Hoge Raad een materiële toetsing voorstaat.7
In deze zaak was aan belanghebbenden in 2000 een lening verstrekt van f 10 000. De te vergoeden rente bedroeg f 80 000 per jaar en werd ieder jaar verhoogd met een bedrag van f 1000. De rente werd jaarlijks bijgeschreven bij de hoofdsom. De hoofdsom en de rente waren aflosbaar in 2210. Hof Amsterdam overwoog dat de voldoening door belanghebbende aan haar verplichtingen in 2210 weliswaar afhing van haar voortbestaan en solventie maar daarmee niet afhankelijk was van haar winst. Het enkele gegeven dat een renteverplichting medebepalend was voor de winst, had niet tot gevolg dat het behalen van winst noodzakelijk was voor het kunnen voldoen aan de renteverplichting. Het Hof was daarom van oordeel dat de vergoeding niet winstafhankelijk was. Het Hof legde ten aanzien van de winstafhankelijkheid van de vergoeding dus geen formele maar een materiële maatstaf aan. Dit oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Is een renteloze lening te beschouwen als een lening met een winstafhankelijke rente? Bij de behandeling van het nieuwe art. 10b heeft de staatssecretaris hierover het volgende opgemerkt: ‘Indien een langlopende renteloze of zeer laagrentende lening voldoet aan de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria voor een hybride lening, komt krachtens artikel 10, eerste lid, onderdeel d, geen rente in aftrek (...). Toepassing van artikel 10b komt dan niet meer aan de orde.’8 De bewindsman gaat er dus vanuit dat deze vraag afhankelijk van de omstandigheden bevestigend kan worden beantwoord.9
De opvatting van de bewindsman is opmerkelijk omdat hij tijdens de parlementaire behandeling van het oude art. 10, lid 4, nog een andere mening was toegedaan. Daarin merkte hij namelijk op dat het, als er in het geheel geen rente was overeengekomen, zeer lastig was om te bepalen of in zakelijke verhoudingen een vaste of een winstafhankelijke rente zou zijn overeengekomen.10 Om die reden werd in het vierde lid bepaald dat er in dat geval vanuit werd gegaan dat sprake was van een winstafhankelijke vergoeding.
Het is naar mijn mening juist een renteloze lening aan te merken als een lening met een winstafhankelijke rente indien onafhankelijke partijen wel rente zouden zijn overeengekomen. Voor de toepassing van art. 10, lid 1, onderdeel d, gaat het er immers om vast te stellen of de schuldeiser met het uitgeleende bedrag in zekere mate deelheeft in de onderneming van de schuldenaar. Dat daarvan geen sprake zou kunnen zijn wanneer de schuldeiser in het geheel geen rente ontvangt maar wel als hij winstafhankelijke rente geniet, komt mij onwaarschijnlijk voor.
Wat wordt bedoeld met de term ‘winst’? Tijdens de parlementaire behandeling van art 10, lid 1, onderdeel d, zoals deze bepaling luidde voor 2007, heeft de staatssecretaris tot uitdrukking gebracht dat hiermee zowel wordt gedoeld op de jaarwinst als op de totaalwinst dan wel op een combinatie van beide. Komt de vergoeding erop neer dat wordt meegedeeld in een eventueel overschot bij liquidatie van de belastingplichtige, dan is er naar het oordeel van de staatssecretaris dus sprake van een winstafhankelijke beloning.11 De vergoeding is echter niet winstafhankelijk als de rente afhankelijk is van een of meer externe factoren die niet aan de onderneming van de debiteur zijn gerelateerd.12
Ook ging de bewindsman in op de casus van een onroerendgoedmaatschappij die is gefinancierd met een lening waarop de rente afhankelijk is van de waardeontwikkeling van een bepaald gebouw. Voor de toepassing van art. 10, lid 1, onderdeel d, zoals deze bepaling luidde voor 2007, meende hij dat in dit geval sprake was van winstafhankelijk rente. Dit werd als volgt toegelicht: ‘De winst van deze maatschappij wordt dan (mede) bepaald door de waardeontwikkeling van dat gebouw. Bij een negatieve waardeontwikkeling is vervolgens geen rente verschuldigd, in welk geval ook geen sprake is van positieve winst bij de vennootschap en in het geval van een positieve waardeontwikkeling is de rente wel verschuldigd, in welk geval de vennootschap een winst verantwoordt. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de afhankelijkheid van de vergoeding van de waardeontwikkeling van een gebouw, afhankelijkheid van de winst betekent.’13 Dit antwoord14 behoudt volgens de minister ook na 2006 zijn geldigheid aangezien de winstafhankelijkheid van de rente ook volgens de Hoge Raad van belang is.15
Tijdens de parlementaire behandeling van art. 10, lid 1, onderdeel d, zoals deze bepaling luidde van 2002 tot 2007, was het aangehaalde citaat voor Eerste Kamer aanleiding om een nadere toelichting te vragen op de interpretatie van het begrip ‘winstafhankelijkheid’. Hierop ging de staatssecretaris in op de situatie waarin de rentevergoeding afhankelijk is van de waardeontwikkeling van één of meer activa van de schuldenaar of een met hem verbonden lichaam. Is de waardeontwikkeling van deze activa bepalend voor de ontwikkeling van de jaarwinst dan wel de totale winst van de belastingplichtige of het met hem verbonden lichaam, dan is de rente naar zijn mening feitelijk winstafhankelijk. Het enkele feit dat de vergoeding afhankelijk is van de waardeontwikkeling van één of meer activa hoeft op zichzelf echter niet te betekenen dat de facto sprake is van een winstafhankelijke vergoeding. Alleen in de situatie waarin de waardeontwikkeling van de desbetreffende activa in absolute en relatieve zin in betekenisvolle mate de winst doet toenemen, is volgens de staatssecretaris sprake van een (indirect) winstafhankelijke vergoeding.16
Van wiens winst dient de rente afhankelijk te zijn? Art. 10, lid 1, onderdeel d, zoals deze bepaling luidde voor 2007, kon niet alleen aan de orde komen als de rente afhankelijk was van de winst van de schuldenaar maar ingevolge het tweede lid ook als zij afhing van de winst van een met de schuldenaar verbonden lichaam. Met ingang van 2007 is dit tweede lid echter geschrapt. Brengt dit met zich dat de rente die afhangt van de winst van een met de schuldenaar verbonden lichaam niet langer als winstafhankelijk rente in de zin van art. 10, lid 1, onderdeel d, is te beschouwen?
Is de rente afhankelijk van de winst van een (klein)dochtermaatschappij van de schuldenaar dan hoeft dat, naar het mij voorkomt, niet het geval te zijn. Indien de winst van deze (klein)dochtervennootschap bepalend is voor de totale geconsolideerde winst van deze maatschappij en de schuldenaar dan is naar mijn mening de opvatting verdedigbaar dat de rente materieel afhangt van de winst van de schuldenaar.