De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.3.1:5.3.1 Inleiding
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.3.1
5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652501:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Rb. Amsterdam (vzr.) 19 juni 2019 (r.o. 4.7), ECLI:NL:RBAMS:2019:5180 (Avinco); Hof Amsterdam 12 mei 2020 (r.o. 3.10-3.11), JOR 2021/27, m.nt. A. Hammerstein (Avinco).
Zie mijn annotatie (onder 6-7) bij OK 3 december 2019, JOR 2020/85 (ZED+). Zie ook Josephus Jitta 2020b, p. 728, voetnoot 20 en p. 735.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierna bespreek ik de wettelijke regeling voor de kosten van verweer van OK-functionarissen, vervat in art. 2:357 lid 6 BW (par. 5.3.2) en schets ik de voornaamste gebreken van die regeling (par. 5.3.3). Vervolgens beschrijf ik enkele instrumenten die in de literatuur zijn voorgesteld of in de jurisprudentie zijn toegepast, tot zekerheidstelling van de kosten van verweer van OK-functionarissen (par. 5.3.4).
De aansprakelijkheidspositie van OK-functionarissen kwam hiervoor in par. 5.2 reeds aan de orde en behandel ik hierna slechts zijdelings. Deze paragraaf handelt niet over de toepassing van art. 2:357 lid 6 BW buiten het enquêterecht.1 Ik merk ook nog op dat de door de Ondernemingskamer benoemde vereffenaar buiten het bereik van art. 2:357 lid 6 BW valt.2