Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/4.4.1
4.4.1 Voorbeelden van privaatrechtelijke corrigerende interpretaties
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS354736:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD8005, NJ 1973/225, m.nt. A.R. Bloembergen.
Art. 95 Ongevallenwet 1921, zoals de rechtbank in deze zaak dit citeert: ‘Degene die gehouden is tot vergoeding der schade, door den verzekerde [...] geleden, is voor het bedrag der schadevergoeding [...] aansprakelijk jegens degene te wiens laste dit bedrag komt.’
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:BQ3883, NJ 2012/169, m.nt. H.J. Snijders; HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4020, NJ 2012/186.
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:BQ3883, NJ 2012/169, m.nt. H.J. Snijders.
Het toenmalige art. 4 lid 2 sub i Wet griffierechten burgerlijke zaken.
Er zijn ook zaken waarin expliciete uitzonderingen op het griffierecht worden gemaakt, zo komt ter sprake in par. 4.2.3: op grond van artikel 127a lid 3 Rv dat is opgesteld met het oog op artikel 6 EVRM, en als artikel 127a Rv niet van toepassing is direct op grond van artikel 6 EVRM.
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron, AA 2004/266, m.nt. T. Hartlief.
De Hoge Raad interpreteerde de termijn hetzelfde in latere zaken, bijv. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/195, m.nt. C.E. du Perron en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784.
Vgl. annotatie T. Hartlief bij het arrest, AA 2004/266, p. 274: ‘bekendheid’ in de zin van art. 3:310 BW wil niet altijd zeggen dat de benadeelde ook daadwerkelijk in staat is tot het instellen van een rechtsvordering.
Annotatie T. Hartlief, AA 2004/266, p. 274.
HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748, NJ 2000/15, m.nt. A.R. Bloembergen; HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2934, NJ 2000/16, m.nt. A.R. Bloembergen. Dat deed de Hoge Raad als door toepassing van de termijn een vordering verjaarde die de schuldeiser niet geldend had kunnen maken door aan de debiteur toe te rekenen omstandigheden. Zo was in een geval waarin schadevergoeding werd gevorderd van de pleger van jarenlang seksueel misbruik, de termijn volgens de wettekst verstreken, maar was eiseres door het misbruik zodanig geestelijk letsel toegebracht, dat zij een periode feitelijk niet in staat was geweest een vordering in te stellen (HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748, NJ 2000/15, m.nt. A.R. Bloembergen). De termijn was daarom volgens de Hoge Raad volgens de redelijkheid en billijkheid niet verstreken; deze was pas begonnen toen de omstandigheden ‘het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderden’.
Enkele voorbeelden van corrigerende interpretaties in het civiele recht zijn de volgende.
Volgens de wettekst had een in algehele gemeenschap gehuwde vrouw geen recht op schadeloosstelling door haar man na een door hem veroorzaakt auto-ongeluk.1 Volgens de wet was de door de bank aan de vrouw uitgekeerde schadevergoeding namelijk in de gemeenschap gevloeid – en kon de bank dit bedrag vervolgens verhalen op diezelfde gemeenschap, bij de man als veroorzaker van het ongeval.2 De Hoge Raad oordeelde dit ‘zozeer in strijd [...] met de strekking van de wettelijke ongevallenverzekering, dat een redelijke uitlegging [...] medebrengt de toepassing van deze bepaling in een geval als het onderhavige achterwege te laten’. De bank kon de vordering niet op de man verhalen, en de vrouw had door deze interpretatie wel recht op schadevergoeding.
Ook in zaken over het griffierecht is corrigerend geïnterpreteerd: een wettelijk voorschrift dat volgens zijn formulering in het concrete geval niet van toepassing was, werd zo uitgelegd dat het dat wel was.3 Er was cassatie ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.4 Hiervoor moest volgens de wettekst griffierecht worden voldaan: voor dergelijke verzoeken bestond een vrijstelling voor zaken in eerste aanleg,5 maar niet voor hoger beroep en cassatie. De Hoge Raad legde echter de bestaande vrijstelling zo uit dat deze ook gold voor hoger beroep en cassatie. De wetgever was blijkens die vrijstelling ‘kennelijk van oordeel dat van personen die bij de rechtbank een verzoek indienen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet gevergd kan worden’ griffierechten te betalen. Ook de ratio van de vrijstellingsregeling om ‘de toegankelijkheid van de schuldsaneringsregeling te bevorderen door geen onnodige financiële drempels op te werpen’ en artikel 6 EVRM waren redengevend. ‘Dat de wetgever het heffen van hogere tarieven in hoger beroep en cassatie heeft bedoeld als prikkel ter voorkoming van onnodig gebruik van de rechtspraak’, kon daaraan niet afdoen. Deze uitleg is niet overeen te brengen met de wettekst en had het effect van een billijkheidsuitzondering:6 in de wet was niet neergelegd dat bij een hoger beroep of een cassatie over een schuldsanering geen griffierecht verschuldigd was (wettelijke regel was dus dat er griffierecht moet worden betaald), maar deze regel werd buiten toepassing gelaten door interpretatie van een bepaling die op deze gevallen niet zag.
Ook een verjaringstermijn werd corrigerend uitgelegd. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering verjaart ‘door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden’. De twee ouders Saelman vorderden schadevergoeding van een gynaecoloog en ziekenhuis wegens tekortschietend medisch handelen bij de geboorte van hun kind.7 Het hof oordeelde dat de vordering volgens de wet was verjaard. De termijn was gezien de wettekst namelijk gaan lopen toen het kind werd geboren, en het voor de ouders duidelijk was dat het niet gezond was en dat ziekenhuis en gynaecoloog daarvoor mogelijk aansprakelijk waren. De termijn liep af op 1 januari 1993, terwijl de ouders pas in 1994 het ziekenhuis hadden aangeschreven over hun vordering. Volgens de Hoge Raad echter was de vordering niet verjaard, vanwege de strekking van de wet: de termijn staat niet alleen in het teken van rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. Eerder overwoog hij al dat de eis van ‘bekendheid’ met de schade en de aansprakelijke persoon, moest worden uitgelegd als ‘daadwerkelijke bekendheid’, omdat anders in sommige zaken helemaal geen vordering zou kunnen worden ingesteld. Ook volgde uit eerdere rechtspraak dat, indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop beroept dat de vijfjaarstermijn is begonnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. Om die redenen moest de termijn volgens de Hoge Raad ‘thans’ zo worden uitgelegd dat deze ‘pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen’. De ouders waren dat pas toen zij in 1994 ‘voldoende zekerheid’ hadden gekregen ‘dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen’.8 Deze interpretatie spreekt gezien de wettekst niet voor zich. Dat de benadeelde ‘bekend’ is met de schade en de aansprakelijke persoon, heeft volgens het woordenboek niet de betekenis dat de benadeelde daadwerkelijk in staat moet zijn een rechtsvordering in te stellen.9 Hij kan ook daartoe niet in staat zijn door psychische, aan de dader toe te rekenen omstandigheden.10 In zulke zaken aanvaardde de Hoge Raad dus voorheen in plaats van deze interpretatie uitzonderingen op grond van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).11