Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/7.6.2.2
7.6.2.2 Wat is de omvang van dat genotsrecht?
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS481154:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Par. 643 ZGB kent slechts de zogenaamde natuurlijke vruchten. Het bestaan van burgerlijke vruchten ‘wird stillschweigend vorausgesetzt’, aldus Meier/Hayoz, p. 390.
Vgl. de terminologie van art. 3:172.
Diephuis 1846, p. 164 en 165.
Suyling 1940, p. 75 en 76.
Suyling 1940, p. 76; Meier/Hayoz (p. 391) spreekt over ‘wirtschaftlichen Gesichtspunkten’.
Suyling 1940, p. 76.
Par. 643 ZGB spreekt over Erzeugnisse, vgl. Meier/Hayoz, p. 391-392.
Par. 643 ZGB spreekt over Ertragnisse, vgl. Meier/Hayoz, p. 392-394.
Suyling 1940, p. 78.
Suyling 1940, p. 79.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 661 e.v.
Hiervoor heb ik reeds aangegeven dat de mogelijkheid tot gebruik deel uitmaakt van het genotsrecht. De vraag is vervolgens of – daarnaast – het genotsrecht zich beperkt tot het hebben van het recht op zowel de burgerlijke als de natuurlijke vruchten.1 Of zijn er ook andere ‘voordelen’ verbonden aan de eigendom?2
Het eerste lijkt af te leiden uit de omschrijving die Diephuis van het recht van genot geeft, luidende:
‘Het regt van genot doet den eigenaar alle mogelijke, niet slechts natuurlijke, maar ook burgerlijke vruchten uit zijne zaak trekken, die deze, het zij uit zich zelve of door zijn toedoen, kan opleveren. Hij kan tot dat einde, altoos binnen de wettige grenzen, al dat gebruik van zijne zaak maken, waarvoor dezelve vatbaar is; hij kan bepaaldelijk op den grond alle beplantingen doen en gebouwen stellen, welke hij goedvindt; hij kan onder den grond naar goedvinden bouwen en graven, en uit dat graven alle vruchten trekken, welke hetzelve kan opleveren.’3
Duidelijker is Suyling.
Hij merkt op dat een goed aan de mens op allerlei wijze voordelen kan verschaffen.
‘Onder voordelen, uit goederen getrokken, staan de vruchten voorop.’4
Over het begrip vruchten merkt hij op dat dit niet tot een theoretische grondgedachte is terug te brengen. De ‘gangbare’ verkeersopvatting bepaalt wat als vrucht heeft te gelden en wat niet.5 En vervolgens stelt hij:
‘het begrip vrucht wordt dientengevolge niet door een abstracte grondgedachte gedragen.’6
Als voorbeelden van vruchten noemt Suyling:
het gras van weiden;
het fruit van boomgaarden;
producten van akker of tuinland geoogst;
houtopstand voor zover deze min of meer regelmatig wordt gehakt of geveld;
stammen en struiken welke op gebruikelijke wijze aan een kwekerij worden onttrokken;7
turf in een veenderij gestoken;
mineralen uit een mijn;
mergel of stenen uit een groeve gedolven;
klei in een ontgravingsbedrijf uit een uiterwaard gewonnen.8
Dat hierbij soms de aarde wordt uitgeput – de vruchttrekking gaat met andere woorden ten koste van de moederzaak – is niet van belang. De verkeersopvatting bepaalt.
Huren, pachten, canons en grondrenten zijn eveneens vruchten. Er is sprake van een aanspraak op een zekere prestatie.9
‘Den inhoud van het begrip burgerlijke vrucht dient men daarom in aansluiting aan de conventioneele voorstelling van het maatschappelijk leven te bepalen.’10
Naar mijn oordeel kunnen vruchten worden aangemerkt als voordelen. Er zijn evenwel meer voordelen. Denk hierbij aan aanwas, schatvinding, waardestijging van effecten, waardestijging van woonhuis.11 Als voordeel zou ook de mogelijkheid tot het vestigen van een hypotheekrecht kunnen gelden.