Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.5.1
5.5.5.1 Inleiding
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304323:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie de in noot 47, hoofdstuk 2, en noot 129, hoofdstuk 5 aangehaalde jurisprudentie over mogelijke onverbindendheid van sommige aftrekuitsluitingen in het Bua. Met betrekking tot ‘loon in natura’ heeft de Hoge Raad al in overweging 3.5.2. van BNB 2009/38 beslist dat de daarop betrekking hebbende aftrekbeperking onverbindend is: ‘-3.5.2. Een aftrekbeperking in de nationale wetgeving kan desalniettemin zijn toegestaan op grond van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn, dat bepaalt dat een lidstaat elke uitsluiting van het recht op aftrek van de btw waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn voorzag, kan handhaven. De bepaling onderstelt echter dat de uitsluiting die een lidstaat op grond daarvan mag handhaven, wettig was volgens de Tweede richtlijn, die aan de Zesde richtlijn voorafgaat (HvJ EG 5 oktober 1999, Royscot Leasing Ltd. e.a., C-305/97, V-N 1999/49.18, punt 21). Op grond van artikel 11, lid 4, van de Tweede richtlijn kon een lidstaat van de aftrekregeling bepaalde goederen en bepaalde diensten uitsluiten, in het bijzonder die waarvan verwacht kan worden dat zij uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel. Deze bepaling stond een lidstaat dientengevolge toe van de aftrekregeling bepaalde goederen, zoals motorvoertuigen, uit te sluiten, doch die bepaling gaf de lidstaat niet de mogelijkheid van een dergelijke regeling alle goederen uit te sluiten voor zover zij voor de privébehoeften van de belastingplichtige worden gebruikt (HvJ EG in punt 34 van het arrest Charles/Charles-Tijmens). De geboden mogelijkheid ziet enkel op uitsluitingen van de aftrek met betrekking tot categorieën van uitgaven die worden bepaald op grond van de aard van het goed of de dienst en niet op grond van de bestemming die eraan wordt gegeven of de wijze waarop deze bestemming geschiedt (HvJ EG 30 maart 2006, Uudenkaupungin kaupunki, C-184/04, V-N 2006/18.25, punt 49). De in artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, van het BUA opgenomen aftrekbeperking heeft mede betrekking op goederen en diensten ’voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel’ en voor ’uitkeringen van loon in natura’. Nu de regeling in zoverre betrekking heeft op alle goederen voor het privégebruik van personeel, is gelet op hetgeen in de vorige alinea is overwogen deze aftrekbeperking als geheel onvoldoende bepaald en te ruim.’
Outplacement is in de opsomming van art. 1, lid 3, Bua opgenomen naar aanleiding van het in onderdeel 5.5.5.2 te bespreken Outplacement-arrest.
Op grond van art. 1, lid 1, letter c, Bua is de aftrek uitgesloten in de gevallen waarin en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor het aan het personeel van de ondernemer verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura, geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privévervoer dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel.1 In art. 1, lid 3, wordt een aantal personeelsvoorzieningen (het verstrekken van spijzen en dranken, woon-werkverkeer in de vorm van besloten busvervoer, verstrekken van fiets voor woon-werkverkeer, outplacement2) uitgesloten van de toepassing van art. 1, lid 1, letter c. Art. 3, Bua kent een bijzondere regeling voor het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel.
Uit de Nederlandse rechtspraak over de toepassing van het Bua bij personeelsvoorzieningen blijkt dat de Nederlandse rechter zich laat leiden door de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU over art. 5, lid 6, en art. 6, lid 2, Zesde richtlijn (thans: art. 16 en 26, btw-richtlijn). Uit het Fillibeck- en het Danfoss en AstraZeneca-arrest (zie hiervoor onderdeel 4.6.3) is op te maken dat er bijzondere omstandigheden denkbaar zijn waarin een personeelsvoorziening niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt verricht. Dit zal met name het geval zijn wanneer de behoeften van de onderneming, gelet op een aantal bijzondere omstandigheden eisen dat de personeelsvoorziening door de werkgever wordt verzorgd.
Dat de Hoge Raad deze arresten ter harte heeft genomen blijkt uit het outplacement-arrest en het verhuiskosten-arrest.